RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 11419214 \ CV EXPL 24-5910 Vonnis van 28 mei 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats 1] , eisende partij, gemachtigde: mr. E.D. Claes-Klerks (Stg. Achmea Rechtsbijstand), tegen 1 [gedaagde sub 1] , 2. CATHARINA BASTIANA [gedaagde sub 2], beiden te [woonplaats 2] , gedaagde partijen, gemachtigde: mr. R.C. Breuls. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] (gedaagden gezamenlijk, in mannelijk enkelvoud) genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het exploot van dagvaarding van 6 november 2024 met producties 1 tot en met 12; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - het bericht van [gedaagde] van 25 maart 2025 met productie 6; - de mondelinge behandeling van 4 april 2025, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] heeft sinds 1 augustus 2023 aan [gedaagde] de woning, gelegen aan het adres [adres] in [woonplaats 2] (hierna: het gehuurde), verhuurd. De huurprijs bedraagt € 1.250,00 per maand. 2.2. In de huurovereenkomst is vermeld: “Art. 1. Lid 1: De verhuurder verhuurt met ingang van 1 augustus 2023 de woning [adres] te [woonplaats 2] , aan dhr. [gedaagde sub 1] en mw. [gedaagde sub 2] voor de duur van één jaar vanaf de ingangsdatum met de intentie tot verlenging voor onbepaalde tijd.(…) Art. 2. De huurovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van één jaar vanaf de ingangsdatum met de intentie tot verlenging voor onbepaalde tijd.(…)” 2.3. Per e-mail van 29 januari 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat de huurovereenkomst zal eindigen op 1 augustus 2024. 2.4. Per e-mail van 4 juli 2024 stuurt [eiser] aan [gedaagde] een herinnering over de naderende einddatum van de huurovereenkomst, 1 augustus 2024. 2.5. Op 19 juli 2024 stuurt ook de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] een brief waarin nogmaals wordt gewezen op het naderende einde van de huurovereenkomst en waarin [gedaagde] wordt verzocht om de woning op te leveren per 1 augustus 2024. Namens [eiser] wordt daarbij tevens aangegeven dat hij openstaat voor overleg indien [gedaagde] meer tijd nodig heeft om een andere woning te vinden. 2.6. [gedaagde] geeft per e-mail van 23 juli 2024 aan dat hij meer tijd nodig heeft om te reageren op deze brief en verzoekt om uitstel tot 30 juli 2024. Tijdens telefonisch contact met de gemachtigde van [eiser] geeft [gedaagde] vervolgens aan dat hij van mening is dat het einde van de huurovereenkomst niet correct is aangezegd maar dat hij zelf ook graag wil verhuizen maar dat de zoektocht naar een nieuwe woning moeizaam verloopt. 2.7. Per aangetekend schrijven van 26 juli 2024 zegt [eiser] de huurovereenkomst op per 1 november 2024, wegens ‘dringend eigen gebruik’. [gedaagde] heeft niet op de opzegging gereageerd binnen de in de opzegbrief genoemde termijn van zes weken. 2.8. Partijen hebben vervolgens geprobeerd om tot een minnelijke oplossing te komen. In het kader daarvan heeft de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] per e-mail van 15 oktober 2024 meegedeeld aan welke criteria een voor [gedaagde] passende woning zou moeten voldoen, namelijk: - de woning moet drempelloos zijn en rolstoeltoegankelijk; - er moet een slaapkamer en badkamer op de begane grond zijn in verband met mobiliteitsbeperkingen; - de woning moet nabij zorgfaciliteiten zijn gelegen; - er moet voldoende ruimte zijn voor medische apparatuur en aanpassingen; - de woning moet een rustige woonomgeving zonder trappen of hoge drempels bieden. 2.9. [eiser] heeft vervolgens een aantal woningen aan [gedaagde] voorgesteld maar daarvan heeft [gedaagde] aangegeven dat deze niet passend zijn. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: - een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2024 van rechtswege is geëindigd; - [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te verlaten, te ontruimen en ontruimd te houden en [gedaagde] te verbieden om, eenmaal ontruimd hebbende, het gehuurde opnieuw in gebruik te (doen) nemen; Subsidiair: - een tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen; - [gedaagde] te veroordelen om op dit tijdstip het gehuurde, te verlaten, te ontruimen en ontruimd te houden en [gedaagde] te verbieden om, eenmaal ontruimd hebbende, het gehuurde opnieuw in gebruik te (doen) nemen; Primair en subsidiair: - [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis en te vermeerderen met de nakosten. 3.2. [eiser] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat de huurovereenkomst voor bepaalde tijd per 1 augustus 2024 van rechtswege is geëindigd, overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 7:228 lid 1 BW. Aan zijn subsidiaire vordering legt [eiser] ten grondslag dat hij de huurovereenkomst heeft opgezegd wegens dringend eigen gebruik en dat dit een van de gronden is genoemd in artikel 7:274 lid 1 BW. [eiser] heeft daarbij de voorgeschreven opzegtermijn van drie maanden in acht genomen. [gedaagde] heeft niet binnen zes weken met deze opzegging ingestemd zodat [eiser] vordert dat de kantonrechter de einddatum van de huurovereenkomst vaststelt. [eiser] heeft het gehuurde nodig omdat hij geen eigen woonruimte meer heeft nu de samenwoning met zijn partner is geëindigd. Hij verblijft noodgedwongen op verschillende tijdelijke locaties. [eiser] werkt in de zorg met regelmatige nachtdiensten en heeft daarom behoefte aan een rustige woonomgeving. Tot slot speelt zijn sociale leven zich af in [woonplaats 2] . Gelet hierop kan een verlenging van de huurovereenkomst niet van hem worden gevergd. De te maken belangenafweging dient dan ook in zijn voordeel uit te vallen. [eiser] heeft aan [gedaagde] verschillende passende woonruimtes voorgelegd maar deze heeft [gedaagde] als niet passend afgewezen. Waarom de voorgestelde woningen dan toch niet passend zouden zijn, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd, aldus [eiser] . 3.3. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert daartoe aan dat voor de primaire vorderingen niet de vereiste aanzegging binnen het tijdvak van één tot drie maanden voor de beoogde einddatum is gedaan zodat alleen op grond daarvan al niet kan worden geoordeeld dat de huurovereenkomst per 1 augustus 2024 van rechtswege is geëindigd. Voor wat betreft de subsidiaire vorderingen voert [gedaagde] aan dat het dringend eigen gebruik van [eiser] onvoldoende onderbouwd is. De eventueel nog te maken belangenafweging dient bovendien, met name gelet op de gezondheidstoestand van [gedaagde] , in zijn voordeel uit te vallen. De door [eiser] aangevoerde mogelijke passende woonruimten zijn voor [gedaagde] vanwege medische redenen niet geschikt bevonden en zijn dus geen passend alternatief. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Primair: einde van rechtswege huurovereenkomst bepaalde tijd 4.1. De kantonrechter stelt voorop dat artikel 7:271 BW, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet vaste huurcontracten, in deze zaak van toepassing is aangezien de huurovereenkomst op 3 juni 2023 is gesloten en dus vóór 1 juli 2024, de datum van inwerkingtreding van die wet. 4.2. Het regime van de huurovereenkomst voor bepaalde tijd zoals bedoeld in artikel 7:271 lid 1 (oud) BW is alleen van toepassing als de huurder zich er bij het sluiten van de huurovereenkomst van bewust is geweest dat sprake is van een tijdelijke huurovereenkomst. Zo niet, dan is het een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met een minimumduur. De kantonrechter is van oordeel dat de formuleringen van artikel 1 lid 1 en artikel 2 van de huurovereenkomst niet in lijn zijn met de bedoeling van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd (die door het enkele verloop van die tijd eindigt), omdat partijen tot twee keer toe nadrukkelijk de intentie tot verlenging voor onbepaalde tijd hebben opgenomen in de huurovereenkomst. Bovendien hoeft de verhuurder bij een huurovereenkomst voor bepaalde tijd alleen tijdig het einde van de overeenkomst aan te zeggen en dus niet op te zeggen zoals is voorgeschreven in de huurovereenkomst. Indien het de bedoeling was geweest om een huurovereenkomst voor de duur van één jaar te sluiten, die na afloop van dat jaar van rechtswege zou eindigen, had het op de weg van [eiser] gelegen om dit in de huurovereenkomst te verdisconteren, bijvoorbeeld door een verwijzing naar artikel 7:271 lid 1 (oud) BW op te nemen. Gelet hierop kwalificeert de kantonrechter de huurovereenkomst die tussen partijen is gesloten als een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met een minimale huurtermijn van één jaar. Hieruit volgt dat de huurovereenkomst niet van rechtswege op 1 augustus 2024 is geëindigd. De primaire vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen. 4.3. Volledigheidshalve merkt de kantonrechter op dat ook in het geval hij de huurovereenkomst wel als een huurovereenkomst voor bepaalde tijd had gekwalificeerd, geen sprake zou zijn geweest van een einde van de huurovereenkomst van rechtswege op 1 augustus 2024. Artikel 7:271 lid 1 (oud) BW vereist immers dat de verhuurder de huurder tijdig, dit wil zeggen niet eerder dan drie maanden maar uiterlijk één maand voor het verstrijken van de bepaalde tijd, schriftelijk dient te informeren over de dag waarop de huurovereenkomst eindigt. [eiser] heeft [gedaagde] op 29 januari 2024 en 4 juli 2024 geïnformeerd over de einddatum van de huurovereenkomst maar beide data liggen niet binnen het in de wet genoemde tijdvak zodat ook in dat geval de huurovereenkomst niet van rechtswege zou zijn geëindigd op 1 augustus 2024. Subsidiair: opzegging op grond van dringend eigen gebruik 4.4. Een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd kan door de verhuurder worden opgezegd. Een dergelijke opzegging dient dan, wil zij tot het einde van de huurovereenkomst kunnen leiden, een (of meer) opzeggingsgrond(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.