RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 11535625 \ CV EXPL 25-791 Vonnis van 11 juni 2025 in de zaak van VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V., gevestigd te Arnhem, eisende partij, hierna te noemen: VGZ, gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek met de schriftelijke weergave van de mondelinge dupliek. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [gedaagde] heeft met VGZ een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. 2.
- [gedaagde] heeft een deel van hetgeen hij op grond van zijn zorgverzekeringsovereenkomst aan VGZ verschuldigd is, onbetaald gelaten. 3Het geschil 3.
- VGZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.191,29, vermeerderd met rente en kosten. 3.
- VGZ legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. VGZ heeft op grond van een met [gedaagde] gesloten zorgverzekeringsovereenkomst bedragen bij [gedaagde] in rekening gebracht. Deze bedragen zien onder andere op de maandelijkse zorgpremie en zorgkostenfacturen vanwege eigen risico en eigen bijdrage. De totale achterstand bedraagt volgens VGZ € 3.365,
- Daarnaast vordert VGZ € 167,75 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 333,26 aan wettelijke rente tot 1 januari
- Op de vordering wordt een deelbetaling van € 1.674,77 in mindering gebracht. 3.
- [gedaagde] voert geen inhoudelijk verweer en erkent de vordering. Bij antwoord heeft hij verzocht om een betalingsregeling en een gedeeltelijke kwijtschelding. Verder verzoekt [gedaagde] om een vrijstelling uit de Wet langdurige zorg voor de eigen bijdrage. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoofdsom van € 3.365,05, zodat deze zal worden toegewezen. Daarbij zal rekening worden gehouden met het reeds door hem betaalde bedrag van € 1.674,
- 4.
- VGZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 167,
- De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Eisende partij heeft aan gedaagde partij een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van het gevorderde bedrag is lager dan de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit, zodat deze vordering toewijsbaar is. 4.
- Tegen de gevorderde wettelijke rente van € 333,26 heeft [gedaagde] geen zelfstandig verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen. De wettelijke rente vanaf 1 januari 2025 zal eveneens worden toegewezen. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen: - hoofdsom € 3.365,05 - rente t/m 31-12-2024 € 333,26 - buitengerechtelijke incassokosten € 167,75 + totaal € 3.866,06 - betalingen € 1.674,77 -/- Totaal € 2.191,29 te vermeerderen met de wettelijke rente over de nog openstaande hoofdsom van € 2.191,26 vanaf 1 januari 2025 tot de dag van algehele betaling. 4.
- [gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 145,89 - griffierecht € 385,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) - nakosten € 102,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.040,89 4.
- Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat voor het treffen van de door [gedaagde] gewenste betalingsregeling en de door hem verzochte kwijtschelding in het kader van deze procedure geen plaats is. [gedaagde] dient zich daartoe tot VGZ te wenden. Ook kan de door [gedaagde] verzochte vrijstelling van de eigen bijdrage niet in deze procedure worden behandeld. Daartoe kan hij een verzoek indienen bij het CAK. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 2.191,29, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2025, tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.040,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 11 juni
- VC