vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond zaaknummer / rolnummer: C/03/297689 / HA ZA 21-538 Vonnis van 25 juni 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaatsnaam] , eiser, advocaat mr. V.F.G. Nowak, tegen vennootschap naar buitenlands recht KBC VERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Leuven, België, gedaagde, advocaat mr. M.T. Spronck. Partijen zullen hierna [eiser] en KBC/Achmea genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 26 maart 2025 en de daarin genoemde stukken de akte uitlating van [eiser] van 23 april 2025 de akte uitlating van KBC van 23 april 2025 het bericht van de griffier met kostenindicatie van de rekenkundige van 27 mei 2025 de akte uitlating kostenopgave van [eiser] de akte uitlating kostenopgave van KBC. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De inleiding 2.1. In het tussenvonnis van 26 maart 2025 heeft de rechtbank beslist dat een rekenkundige moet worden ingeschakeld om de schade als gevolg van het verlies van verdienvermogen uit te rekenen, waarbij de uitgangspunten zoals geformuleerd door arbeidsdeskundige De Haan in zijn rapport van 15 juli 2024 moeten worden gevolgd. Ook heeft de rechtbank een voorstel gedaan voor wat betreft de aan de rekenkundige te stellen vragen en aangegeven dat zij voornemens is om de rekenkundige te vragen om inzake de rekenrente aan te sluiten bij de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van 1 augustus 2024 (hierna de Aanbevelingen rekenrente) die vanuit de rechtspraak zijn gedaan. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. 2.2. KBC heeft tegen dit voornemen en tegen de door de rechtbank voorgestelde vraagstelling aan de deskundige geen bezwaren geuit. Tevens heeft KBC conform het verzoek van de rechtbank drie rekenkundigen van haar voorkeur genoemd en drie rekenkundigen genoemd die zij liever niet benoemd wil zien. 2.3. [eiser] heeft diverse bezwaren tegen hantering van de Aanbevelingen rekenrente aangedragen. Hij heeft geen bezwaar tegen de door de rechtbank voorgestelde vraagstelling aan de rekenkundige naar voren gebracht. Voor wat betreft de persoon van de te benoemen deskundige heeft [eiser] de rechtbank verzocht een rekenkundige te benoemen van de lijst van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen. 2.4. In dit vonnis zal de rechtbank de kritiek van [eiser] op de door de rechtbank voorgestelde rekenrente bespreken en de heer Hans Tiemersma, (werkzaam bij Sedgwick Nederland te Rotterdam, hierna Tiemersma) benoemen tot deskundige en het deskundigenvoorschot bepalen. 3De verdere beoordeling De persoon van de te benoemen rekenkundige 3.1. De door KBC genoemde en op de lijst van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen voorkomende rekenkundige Tiemersma voldoet aan de door partijen opgegeven wensen, zodat de griffier deze deskundige heeft benaderd om te worden benoemd. 3.2. De deskundige heeft aangegeven onpartijdig en onafhankelijk ten opzichte van partijen een berekening te kunnen maken van het verlies van verdienvermogen en het voorschot voor zijn werkzaamheden begroot op een bedrag van € 6.474,00 (exclusief btw). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Zij hebben geen bezwaar gemaakt tegen de begroting van het voorschot. 3.3. De rechtbank zal daarom Tiemersma als deskundige benoemen en het voorschot vaststellen op een bedrag van € 7.835,00 (inclusief btw). KBC dient als verzekeraar het voorschot op de kosten van de deskundige te betalen. De door de deskundige te hanteren uitgangspunten 3.4. Zoals is gemotiveerd in het tussenvonnis van 26 maart 2025 dient de deskundige zijn berekeningen te baseren op de door arbeidsdeskundige De Haan in zijn rapport van 15 juli 2024 genoemde uitgangspunten. Daarbij heeft de rechtbank expliciet gewezen op de conclusies dat [eiser] met ongeval nog zou kunnen werken op basis van een 10-urige werkweek met een startsalaris van € 15,03 exclusief 8% vakantiegeld en zonder ongeval per januari 2016 promotie zou hebben gemaakt naar Manager Food-non food/houdbaar of manager Vers, begin 2018 zou zijn doorgestroomd naar assistent supermarktmanager en per januari 2020 naar supermarktmanager. 3.5. [eiser] wijst in zijn akte van 23 april 2025 op de overweging van arbeidsdeskundige De Haan, dat het voorstelbaar is dat in de hoogst haalbare functie van supermarktmanager in de loop der tijd ook een verdere groei optreedt van kleiner naar groter filiaal en dus ook indeling in een hogere functieschaal. Daarbij is aangegeven dat een cyclus van vijf jaren een redelijk uitgangspunt zou kunnen zijn. Verwijzend naar deze conclusie van arbeidsdeskundige De Haan geeft [eiser] aan dat de rechtbank ten onrechte dit uitgangspunt niet expliciet heeft benoemd. 3.6. De rechtbank gaat aan deze opmerking van [eiser] voorbij, aangezien in het tussenvonnis van 26 maart 2025 al expliciet is aangegeven dat de deskundige zijn berekeningen dient te baseren op alle door arbeidsdeskundige De Haan in zijn rapport van 15 juli 2024 genoemde uitgangspunten. De arbeidsdeskundige heeft de verwachting uitgeschreven dat [eiser] zonder ongeval uiteindelijk supermarktmanager zou zijn geworden. Daarbij heeft hij opgemerkt dat er in salarisontwikkeling bij een supermarktmanager veel variatie zit. Hij licht toe: “Er zijn diverse functieschaalindelingen, van G tot en met I. Dit is mede afhankelijk van de grootte van winkel/omzetcategorie. Het is voorstelbaar dat in de loop der tijd ook daar een verdere groei optreedt van kleiner naar groter filiaal en dus ook indeling in een hogere functieschaal. Daarbij zou een cyclus van 5 jaren een redelijk uitgangspunt kunnen zijn”. Uiteindelijk houdt de arbeidsdeskundige het echter bij CAO-functieschaal G als hoogst haalbare schaal zoals blijkt uit de tabel op pagina 21 van het rapport. De rekenkundige dient hier dan ook van uit te gaan. De tot uitgangspunt te nemen rekenrente 3.7. Tegen het aansluiten bij de Aanbevelingen (van 1 augustus 2024) voor wat betreft de te hanteren rekenrente heeft KBC geen bezwaar gemaakt. 3.8. [eiser] maakt daartegen wel bezwaar. De rechtbank zal hierna ingaan op de stellingen van [eiser] , maar is van oordeel dat de Aanbevelingen rekenrente dienen te worden gevolgd, omdat geen van de stellingen voldoende zwaarwegend zijn om daarvan af te wijken. In dat kader acht de rechtbank relevant op te merken dat de opstellers van de Aanbevelingen rekenrente weloverwogen keuzes hebben gemaakt waarbij steeds uitgangspunt bij het vaststellen van de rekenrente is, dat wordt gewaarborgd dat het slachtoffer zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 26 maart 2025 overwogen dat het bij het vaststellen van de toekomstige rente- en inflatieontwikkeling aankomt op de redelijke verwachting van de rechtbank op dit moment. Weliswaar is sinds 1 augustus 2024 enige tijd verstreken, maar niet gesteld of gebleken is dat in de periode 1 augustus 2024 tot nu zodanig sprake is van andere percentages dat in redelijkheid moet worden geconcludeerd dat de in de Aanbevelingen renterente opgenomen verwachtingen voor de drie gehanteerde periodes niet meer kunnen worden gevolgd. Individuele omstandigheden van de benadeelde spelen in dit geval geen doorslaggevende rol bij het vaststellen van toekomstige rente- en inflatieontwikkeling. Indachtig de rechtseenheid en rechtszekerheid ziet de rechtbank dan ook geen enkele aanleiding om af te wijken van de Aanbevelingen rekenrente per 1 augustus 2024. De rechtbank zal hierna ingaan op de stellingen van [eiser] en motiveren waarom die niet tot een ander oordeel leiden. 3.8.1. [eiser] stelt dat het realiseren van een spaarrente van 1,5% in de eerste vijf jaar niet haalbaar is, omdat de rente in de afgelopen jaren gemiddeld onder de 1,5% ligt. [eiser] verwijst naar een overzicht van de Nederlandse Bank, waarin over de periode 2002 tot en met 2025 de gemiddelde rente op deposito’s met opzegtermijn (vrij opneembare spaarrekening) is opgenomen. De rechtbank ziet dat de rente over 2024 gemiddeld 1,47% bedroeg en over januari 2025 1,45%. Dat is inderdaad lager dan 1,5% voor vrij opneembare spaarrekeningen (waarvan ook de Aanbeveling uitgaat omdat niet van een slachtoffer mag verwachten dat die de schadeuitkering risicovol en voor langere periode belegd), maar het verlies aan verdienvermogen wordt pas gekapitaliseerd vanaf het moment van het becijferen daarvan. Het gaat dus niet om de rente in het verleden. Het gaat om de verwachte ontwikkeling van de rente in de toekomst. [eiser] heeft niet onderbouwd dat de gemiddelde spaarrente over een periode van vijf jaar te rekenen vanaf het moment van becijferen niet in redelijkheid op 1,5 % kan worden vastgesteld. 3.8.2. Verder voert [eiser] aan dat hij de komende vijf jaar zijn woonlastenrisico wil beperken en een levensbestendige woning wil kopen en verbouwen, en daarom het verlies aan verdienvermogen in een keer wil afrekenen (in tegenstelling tot zijn zorgkosten). Wat [eiser] met deze stelling beoogt is onduidelijk, aangezien het verlies aan verdienvermogen wordt gekapitaliseerd c.q. in een keer wordt afgerekend (en dus niet periodiek). Dat vast staat dat [eiser] de toekomstschade al op korte termijn zal verbruiken volgt in ieder geval niet uit deze stelling. 3.8.3. Over de rente en inflatie voor de jaren 6-30 en de rente en inflatie van de periode daarna, die volgens de Aanbevelingen rekenrente steeds op 2% zou moeten worden vastgesteld, geeft [eiser] aan dat het een gok is en niet acceptabel. Hij meent dat de rente moet worden vastgesteld op 0,5%. [eiser] onderbouwt dit rentepercentage op geen enkele manier. Daarentegen is in de (notitie bij
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.