ECLI:NL:RBLIM:2025:6290
RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 22/1360, 22/1361 en 22/1362 uitspraak van de meervoudige kamer van 02 juli 2025 in de zaken tussen [eiseres] te [vestigingsplaats] , eiseres, [eiser 1] , eiser 1, [eiser 2] , eiser 2, gezamenlijk te noemen: eisers, (gemachtigde: mr. M.F.A. Dankbaar), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stein, verweerder, (gemachtigden: mr. Y. Schönfeld, I.F.W.M. Habets en P.H.A.J. Schaefer).
Als derde-partij heeft aan de gedingen deelgenomen:
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A, te Nijmegen, hierna: Mob, (gemachtigde: S.R. van Uffelen).
Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 25 november 2021 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan eisers twee lasten onder dwangsom opgelegd.
Bij afzonderlijke besluiten van 13 mei 2022 (de bestreden besluiten I) heeft verweerder de bezwaren die eisers tegen de primaire besluiten hebben gemaakt deels gegrond en deels ongegrond verklaard, last 1 herroepen en last 2 in stand gelaten.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten I beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 6 oktober 2022 (het bestreden besluit II) heeft verweerder op verzoek van eisers last 2 gedeeltelijk aangepast en dat besluit is van rechtswege onderdeel van het beroep tegen de bestreden besluiten I.
Eisers hebben daartegen een aanvullend beroepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2025. De gemachtigde van eisers en [eiser 1] zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Mob is verschenen, vertegenwoordigd door haar gemachtigde.
Overwegingen Toepasselijk recht 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving is ingediend vóór 1 januari 2024 en het bestuursorgaan naar aanleiding van dit verzoek na dit tijdstip een last onder dwangsom heeft opgelegd, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024 van toepassing totdat dit besluit onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving van voornoemde wetgeving is gedaan op 26 juni 2021. Dat betekent dat in deze zaak het recht zoals dat gold voor 1 januari 2024 van toepassing is.
Feiten 3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en voorgeschiedenis van de onderhavige beroepen.
Bestreden besluiten I 4. Op 3 mei 2021 heeft de Regionale Uitvoeringsdienst Zuid Limburg (nu de Omgevingsdienst Zuid Limburg) een controle uitgevoerd bij eiseres. Op basis van dat rapport en metingen in juli 2020 is onder andere geconstateerd dat de emissiegrenswaarden voor MVP1 en MVP2 werden overschreden. Verweerder heeft op 9 september 2021 een vooraankondiging last onder dwangsom aan eisers gestuurd. Eisers hebben vervolgens zienswijzen naar voren gebracht. In een rapport van 1 november 2021 van Tauw, is naar aanleiding van een vervolgcontrole en emissiemetingen opnieuw vastgesteld dat sprake was van overschrijding van de in artikel 2.5 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) genoemde emissiewaarden in de stofklassen MVP1 en MVP2.
Bestreden besluit II 8. Bij besluit van 10 augustus 2022 (het maatwerkvoorschrift) heeft verweerder op verzoek van eiseres met toepassing van artikel 2.4, achtste lid, onder a, van het Abm maatwerkvoorschriften vastgesteld voor de inrichting van eiseres. Op grond daarvan mag de emissie van benzeen in het afgas van de asfaltmenginstallatie tot 1 juni 2023 in afwijking van artikel 2.5 van het Abm niet meer bedragen dan 3,8 mg/Nm³ herleid naar een volumegehalte aan zuurstof van 17%. Daarbij dienen de in het besluit vermelde procescondities in acht genomen te worden. Tevens dient uiterlijk 1 juni 2023 het actief koolfilter (nageschakelde techniek) operationeel te zijn, waardoor de benzeenemissie (alsnog) gaat voldoen aan de geldende emissiegrenswaarde van 1 mg/Nm³. Uiterlijk 1 juli 2023 dienen de resultaten van een controlemeting naar de emissie van benzeen ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden gezonden, waarin wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor benzeen uit het Abm dan wel aan dan geldende rechtstreeks werkende wetgeving.
De standpunten van eisers tegen de bestreden besluiten I 12. De rechtbank zal nu de standpunten van eisers weergeven als het gaat om de beroepen gericht tegen de bestreden besluiten I.
Begunstigingstermijn om aan de lasten voor PAK’s te voldoen 16. Eisers betogen als het gaat om hun beroepsgrond over de begunstigingstermijn dat zij alle in de primaire besluiten genomen maatregelen hebben genomen maar dat daarmee niet was gegarandeerd dat er geen overschrijdingen zouden plaatsvinden na het verstrijken van de begunstigingstermijn. Daarom is op 31 maart 2022 het verzoek om maatwerkvoorschriften ingediend. Verweerder heeft daar volgens eiseres ten onrechte bij het vaststellen van de lengte van de begunstigingstermijn geen althans onvoldoende rekening mee gehouden. Ter zitting is verduidelijkt dat het eisers daarbij met name gaat om de termijn die is gegeven om aan de emissiegrenswaarde voor PAK’s te voldoen. Anders dan bij benzeen was het een probleem om daaraan te voldoen, dat niet snel opgelost kon worden. Dat is ook wel gebleken. Bij een meting op 7 november 2022 is een overtreding van de emissiegrenswaarde voor PAK’s geconstateerd en is de dwangsom eenmalig verbeurd. Uit de diverse controlemetingen is gebleken dat voor benzeen na de primaire besluiten steeds aan de wettelijke norm is voldaan. Sinds het installeren van een koolstoffilter in mei 2023 wordt zowel voor benzeen als voor PAK’s aan de wettelijke normen voldaan, aldus eisers.
Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder zich eveneens terecht op het standpunt stelt dat het mogelijk was om door het treffen van tijdelijke maatregelen, zoals in de vooraankondiging en in de primaire besluiten beschreven, aan de emissiegrenswaarden zowel voor PAK’s als benzeen te voldoen. De omstandigheid dat dit lastig was voor eisers en een ingrijpende aanpassing in de bedrijfsvoering en de productie vergde doet daar niet aan af. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat voor het plaatsen van een koolstoffilter, waardoor het probleem met de overschrijdingen van de emissiegrenswaarden meer definitief kon worden opgelost, meer tijd nodig was. Verweerder hoefde de begunstigingstermijn daar niet op af te stemmen.
Er waren immers snellere maatregelen mogelijk. Verweerder heeft eisers ook nooit toegezegd dat zij in afwachting van de intrekking van de erkende maatregel of de mogelijk voor hen gunstige beslissing omtrent maatwerkvoorschriften dan wel de voorgenomen plaatsing van een koolstoffilter niet aan de wettelijk geldende emissiegrenswaarden hoefden te voldoen of dat de begunstigingstermijn daarop afgestemd zou worden. Eisers mochten daar dus niet vanuit gaan.
Concreet zicht op legalisatie 19. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in de uitspraak van 5 maart 2025 geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De Afdeling benadrukt daarbij dat de beginselplicht tot handhaving geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen, de herstelsancties uit de Awb. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.
Overige bijzondere omstandigheden 23. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat handhaving niet onevenredig is, enkel omdat eisers naar eigen zeggen tijdelijke maatregelen hadden getroffen die ervoor zorgden dat de overschrijding van de emissiegrenswaarden geen reële gevolgen zou hebben voor de gezonde leefomgeving. Daargelaten dat eisers hun claim niet hebben onderbouwd, geldt dat met verwijzing naar het voorgaande voldoende is komen vast te staan dat er voor eisers voldoende tijd was om aan de regels te gaan voldoen. Dat het niet voldoen mogelijk beperkt gevolgen zou hebben, betekent niet dat niet aan de lasten voldaan hoeft te worden.
Hoogte van de dwangsommen in relatie tot invordering 24. De rechtbank overweegt als volgt over de beroepsgrond van eisers die ziet op de hoogte van de mogelijk te verbeuren dwangsommen in samenhang met verweerders uitgangspunt om bij verbeurte bij alle eisers de dwangsom in te vorderen. De rechtbank stelt ten eerste vast dat eisers niet hebben betwist dat zowel de C.V. als de twee bestuurders van de Beheer B.V. als overtreders kunnen worden aangemerkt. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten om (een van de) eisers niet als overtreder aan te merken. Zowel de C.V. (de huidige vergunninghouder) als de beide (getrapte) bestuurders hebben het in hun macht om aan de aan hen opgelegde last te voldoen. De rechtbank stelt ten tweede vast dat eisers ook niet aanvoeren dat de hoogte van de dwangsom in strijd met artikel 5:32b, derde lid, van de Awb is vastgesteld. Eisers voeren namelijk niet aan dat de motivering van verweerder in bijlage 4 bij de primaire besluiten over de vaststelling van de hoogte van de dwangsom ontoereikend zou zijn.
Conclusie ten aanzien van de beroepen tegen de bestreden besluiten I 26. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eisers gericht tegen de bestreden besluiten I niet slagen en die beroepen dus ongegrond zijn.
Het beroep tegen het bestreden besluit II 27. De rechtbank merkt het bestreden besluit II aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb, zodat het van rechtswege onderdeel uitmaakt van de beroepen tegen de bestreden besluiten I. Dat beroep is gericht tegen de afwijzing van hun verzoek om de lasten (ook) ten aanzien van PAK’s te wijzigen en de bestreden besluiten I ook in zoverre te herzien.
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of eisers nieuwe feiten of omstandigheden hebben aangevoerd die verweerder aanleiding hadden moeten geven om terug te komen van de bestreden besluiten I in die zin dat verweerder ook de opgelegde lasten onder dwangsom ten aanzien van PAK’s had moeten herzien. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Verweerder heeft de lasten voor benzeen tijdelijk gewijzigd omdat daarvoor het maatwerkvoorschrift is gaan gelden. Bij dat besluit is het verzoek om maatwerk ten aanzien van PAK’s vast te stellen expliciet afgewezen. Eisers betogen in hun gronden tegen bestreden besluit II in essentie dat verweerder dit ten onrechte heeft gedaan. Eisers hebben echter geen bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek om maatwerk ten aanzien van PAK’s, zodat die afwijzing onherroepelijk is en geacht wordt rechtmatig te zijn.
De rechtbank ziet in wat eisers verder hebben aangevoerd ook geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om terug te komen van de bestreden besluiten I door de daarbij opgelegde lasten ten aanzien van PAK’s te wijzigen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat ook na de datum van de bestreden besluiten I niet is gebleken van een tijdelijke of blijvende onmogelijkheid om aan de lasten te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank slagen ook de beroepsgronden gericht tegen het bestreden besluit II niet.
Conclusie 30. De beroepen van eisers tegen de bestreden besluiten I en het bestreden besluit II zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of veroordeling van verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht bestaat daarom geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten I en het bestreden besluit II ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzitter, en mr. R.J.G.H. Seerden en mr. M.B.L. van der Weele, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 02 juli 2025. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: 02 juli 2025 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bijlage bij de uitspraak ROE 22/1360, 22/1361 en 22/1362.
Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) Artikel 2.4 Abm 1. In afwijking van artikel 2.3a, eerste lid, is dit artikel, met uitzondering van het achtste lid, onder b, uitsluitend van toepassing op degene die een inrichting type C drijft.
Artikel 2.5 eerste lid, Abm Indien de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen in de stofcategorieën ZZS, sA en gO naar de lucht binnen eenzelfde stofklasse vanuit alle puntbronnen in de inrichting de in tabel 2.5 opgenomen grensmassastroom van die stofklasse overschrijdt, is de emissieconcentratie van die stofklasse per puntbron niet hoger dan de in tabel 2.5 opgenomen emissiegrenswaarde behorende bij die stofklasse.
Artikel 5.46, eerste lid, aanhef en onder a, Abm Bij de productie van asfalt is de emissiegrenswaarde van polycyclische aromatische koolwaterstoffen ten hoogste 0,05 mg/Nm3 indien de massastroom van polycyclische aromatische koolwaterstoffen naar de lucht groter is dan 0,15 gram per uur;
Artikel 5.47 Abm Bij het in werking hebben van een installatie voor de productie van asfalt wordt, ten behoeve van de bescherming van het milieu, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
Activiteitenregeling milieubeheer (Arm) Artikel 5.37 Arm (voor 1 januari 2023) Aan artikel 5.46, eerste lid, onder a, van het besluit, wordt in ieder geval voldaan als aan de kwaliteitseisen voor asfalt en asfaltgranulaat volgens de BRL 9320 wordt voldaan.
Artikel 5.37 Arm (van 1 januari 2023 tot 1 januari 2024) Aan artikel 5.46, eerste lid, onder b, van het besluit wordt in ieder geval voldaan als de emissies van de droogtrommel en de installatie voor de productie van asfalt worden afgezogen en door een filtrerende afscheider worden gevoerd die in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek wordt gecontroleerd en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.
Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 5:1 Awb 1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Art. 5:31d Awb Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Art. 5:32a Awb 1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
Artikel 5:32b Awb 1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
Artikel 5:34 Awb 1. Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.
Uitspraak van 5 april 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:2626.
De rechtbank sluit zich daarvoor aan bij de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 21 april 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:1900, en 29 mei 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:2252, de rechtbank Overijssel van 12 augustus 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:4279, en de rechtbank Noord-Nederland van 26 april 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1841.
ECLI:NL:RVS:2025:678.
Uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:830 over ‘ex tunc beoordeling’.