← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2025:7349

RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 25 / 1305 en ROE 25 / 1368 uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige vo

de zaak tussen [naam] , [naam] en H [naam], [naam] en [naam], [naam] , [naam] , allen wonend

Roermond, hierna gezamenlijk te noemen: eisers, (gemachtigde: mr. J.M.S. Nass), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder, (gemachtigde: mr. I.M. Voncken en T.L. Huwae). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] ., te Roermond, (gemachtigde: mr. R.J.J.M.M. Metsemakers). Procesverloop Bij besluit van 22 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [naam] (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 2 levensloopbestendige woningen op het perceel, kadastraal bekend als gemeente Roermond, sectie F, perceelnummer 4020, plaatselijk bekend als aan de Heuvel (ong.) te Roermond. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep

gesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers hebben aanvullende stukken toegezonden. Verweerder heeft een verweerschrift

gediend en aanvullende stukken toegezonden. Vergunninghoudster heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli

  1. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door J.J.J. Maessen en C.R. Vanderheyden, bijgestaan door mr. N.A. Rijsterborgh als vervanger van haar gemachtigde. Overwegingen
  2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de

voeringswet Omgevingswet

werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is

gediend vóór het tijdstip van

werkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de

voeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is

gediend op 13 september 2023. Dat betekent dat

dit geval de Wabo en aanverwante wetgeving, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 2. De aanvraag van 13 september 2023 ziet op het realiseren van 2 levensloop-bestendige woningen aan [adres] (ong.)

Roermond. De woningen worden gespiegeld aan elkaar. Elke woning wordt circa 24 meter lang, 3,8 meter hoog en 8 meter diep zonder de buitenruimte (terras en tuin). De centrale entree bevindt zich aan [adres] waar ook de

rit wordt gerealiseerd. Er worden daarnaast 5 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. De woningen zijn gesitueerd

de tuin behorend bij het rijksmonument [naam] . De tuin heeft geen monumentale status. Bij de aanvraag is onder meer een ruimtelijke onderbouwing gevoegd. De aanvraag omgevingsvergunning ziet verder op het maken of veranderen van een uitweg. 3. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Maasniel’ (hierna: het bestemmingsplan) en op de beoogde locatie rust de bestemming ‘Woondoeleinden’. Hierbinnen is nieuwbouw niet toegestaan (artikel 4.2, onder 1, sub a, van het bestemmingsplan). Verweerder heeft bij het bestreden besluit met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning verleend als bedoeld

artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo voor de realisatie van de 2 levensloopbestendige woningen. Tevens heeft verweerder voor de activiteit bouwen een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a,

verbinding met artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Daarnaast heeft verweerder met toepassing van artikel 2.18

verbinding met artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo omgevingsvergunning verleend voor het maken of veranderen van een uitweg. 4. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. Ontvankelijkheid eisers 5.

gevolge artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep

stellen bij de bestuursrechter.

gevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende

de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijk persoon volgens vaste jurisprudentie een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang hebben dat hem

voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Bij een besluit

het omgevingsrecht, zoals het onderhavige, gaat het daarbij vooral om het afstands- en zichtcriterium. 6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft

de uitspraak van 4 mei 2021 tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens

Nood, overwogen dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is, maar die wel op basis van de

het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe een zienswijze naar voren heeft gebracht over het ontwerp van het besluit,

beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. Ter voorlichting van de rechtspraktijk voegt de Afdeling hieraan toe dat te voorzien is dat de beroepsgronden van degene die aldus als niet-belanghebbende toegang tot de bestuursrechter verkrijgt, vaak vanwege het

artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste niet tot vernietiging van het bestreden besluit zullen kunnen leiden. 7. Uit artikel 8:69a van de Awb volgt niet een verplichting voor de bestuursrechter om eerst de beroepsgrond

houdelijk te bespreken en pas daarna te oordelen over de toepassing van het relativiteitsvereiste. De bestuursrechter kan er voor kiezen de beroepsgrond

houdelijk te bespreken en pas een oordeel over de toepassing van het relativiteitsvereiste te geven als de beroepsgrond slaagt. De Awb staat er niet aan

de weg dat wanneer een beroepsgrond niet slaagt, geen oordeel wordt gegeven over de toepassing van het relativiteitsvereiste op deze beroepsgrond. De Awb staat er evenmin aan

de weg dat een beroepsgrond die vanwege het relativiteitsvereiste niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden buiten bespreking wordt gelaten. 8. Wanneer aan één van de appellanten namens wie een beroepschrift is

gediend, het relativiteitsvereiste niet kan worden tegengeworpen, bestaat geen aanleiding om dit ook na te gaan voor de overige appellanten namens wie dat beroepschrift is

gediend. Dan volgt dus een

houdelijke beoordeling van de beroepsgrond. 9. Alle eisers hebben een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren gebracht. Zij zijn dus ontvankelijk

hun beroep. Toepassing relativiteitsvereiste 10. De beroepsgronden die zien op archeologie, stikstofdepositie

verband met Natura 2000-gebieden en bescherming van de bodemkwaliteit, kunnen niet slagen omdat het relativiteitsvereiste aan vernietiging van het bestreden besluit

de weg staat. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 11. Een natuurlijk persoon kan

rechte niet opkomen voor een algemeen belang. Het behoud en de bescherming van archeologische waarden

de bodem van het perceel, waarop de bouw is voorzien, is een algemeen belang dat wordt beschermd

onder meer de Erfgoedwet en strekt niet tot bescherming van de belangen van eisers. Zij kunnen daar niet voor opkomen en er is ook geen sprake van verwevenheid met het belang om gevrijwaard te blijven van de ruimtelijke

vloed van het bouwplan op het woon- en leefklimaat van eisers. 12. Het vorenstaande geldt eveneens ten aanzien van de beroepsgrond dat het bodemonderzoek

verband met verontreinigingen (o.a. asbest) volgens eisers te beperkt is geweest. De normen uit de Wet bodembescherming strekken tot bescherming van de kwaliteit van de bodem. Zij strekken niet tot bescherming van het belang van eisers gevrijwaard te blijven van nadelige gevolgen van een bouwplan voor hun woon- en leefklimaat. 13. De bepalingen

de Wet natuurbescherming (Wnb) strekken ter bescherming van het algemeen belang van het behoud van de natuurwaarden

Natura 2000 gebieden. Een natuurlijke persoon kan

rechte niet opkomen voor dat algemeen belang. De

dividuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen echter zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen

de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. De afstand tot het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied bedraagt ongeveer 1,8 kilometer. Het betreffende gebied maakt daarom geen deel uit van leefomgeving van eisers. Nu duidelijke verwevenheid ontbreekt, kan worden aangenomen dat de betrokken normen van de Wnb

zoverre kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van eisers. Wettelijk kader 14. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld

artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd

dien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als

verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan,

strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld

artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken

strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, en onder a, ten 3°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld

artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend

dien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. 15. Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om

afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en hij moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning

overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit

overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn

verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

  1. De voorzieningenrechter bespreekt hierna de overige beroepsgronden. Geen dialoog, geen draagvlak en vooringenomenheid
  2. Eisers voeren tegen het bestreden besluit aan dat veel minder personen die een zienswijze tegen het ontwerp-besluit hebben

gediend, voor het project waren dan verweerder suggereert. Zij stellen zich op het standpunt dat er geen echte dialoog heeft plaatsgevonden maar dat alleen

formatie is gedeeld. Eisers voelen zich niet gehoord en hebben de

druk dat verweerder, ondanks alle weerstand tegen het project, aan hun belangen en die van andere omwonenden en tegenstanders vanaf het begin minder gewicht heeft toegekend dan aan het belang van de

itiatiefnemer. Dit getuigt niet van goed bestuur en riekt naar vriendjespolitiek volgens eisers. 18. De voorzieningenrechter wijst er allereerst op dat uit de stukken blijkt dat

totaal 20 zienswijzen tegen het ontwerp-besluit zijn

gediend, waarvan 9 tegen waren en 11 voor de ontwikkeling. Het is dus niet zo dat verweerder ten onrechte erop wijst dat er ook voorstanders waren. Voor zover eisers betogen dat er bij de voorbereiding van het besluit ten onrechte geen participatie heeft plaatsgevonden, geldt dat de Awb en de Wabo daarvoor geen grondslag bevatten. Op grond van artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (Bor)

verbinding met artikel 3.1.6, eerste lid, onder e, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient wel een beschrijving te worden gegeven van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het besluit zijn betrokken. Verder kan het ontbreken van draagvlak op zichzelf geen grondslag vormen voor het oordeel dat het bestreden besluit niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of anderszins onrechtmatig is. Dit is anders wanneer het bevoegde gezag op grond van vigerend beleid het betrokken besluit slechts kan nemen als er voldoende draagvlak bestaat. Tevens geldt dat verweerder op een aanvraag moet beslissen zoals die door de

itiatiefnemer is

gediend. Het is vervolgens de exclusieve bevoegdheid en verantwoordelijkheid van verweerder om uiteindelijk te beslissen of een vergunning

afwijking van hetgeen het bestemmingsplan toelaat, kan worden verleend, waarbij alle relevante belangen moeten worden afgewogen.

het onderhavige geval is aan de publicatieverplichtingen op grond van de Wabo voldaan en heeft vergunninghoudster op

stigatie van verweerder de omwonenden over haar bouwplannen geïnformeerd. Op 10 oktober 2022 en 4 juli 2023 zijn omgevingsdialogen georganiseerd. De verslagen daarvan zijn bij de op de zaak betrekking hebbende stukken gevoegd. Verder is op de website

formatie gegeven over de beoogde ontwikkeling en is op 20 juni 2024 met de Stichting Das en Boom afgestemd welke maatregelen dienen te worden getroffen ter bescherming van de das. Dat eisers zich niet

die plannen kunnen vinden en zich onvoldoende gehoord voelen, leidt de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.

  1. Voor zover eisers betogen dat sprake is van vooringenomenheid, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
  2. Artikel 2:4, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid." Zoals

de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2:4 van de Awb is vermeld, is de strekking van dit artikel geenszins dat een bestuursorgaan niet vanuit bepaalde beleidskeuzes zou mogen werken, maar gaat het erom dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. Het gaat erom dat de overheid de nodige objectiviteit moet betrachten en zich niet door vooringenomenheid mag laten leiden, aldus de memorie van toelichting. 21. Naar aanleiding van deze beroepsgrond overweegt de voorzieningenrechter dat

de voorhanden gegevens en hetgeen eisers aanvoeren geen grond kan worden gevonden voor het (vergaande) oordeel dat verweerder bij zijn besluitvorming niet de nodige objectiviteit heeft betracht en met vooringenomenheid zou hebben gehandeld. Dat een van de eisers een klacht heeft

gediend tegen een wethouder en dat die klacht na tussenkomst van de Ombudsman

behandeling is genomen, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet. Strijd met het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand 22. Eisers wijzen erop dat het bestemmingsplan nieuwbouw niet toestaat. Eisers hebben er daarom altijd op vertrouwd dat er geen nieuwbouw zou plaatsvinden. Met name eisers [naam] en [naam] , alsmede [naam] en [naam] , die naast de locatie wonen, maken zich grote zorgen over het verlies aan woongenot en aantasting van het gemetselde fundament aan hun woningen die

1873 zijn gebouwd. De impact van het bouwplan vinden zij zeer groot door aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, verkeersveiligheid, de open en/of groene structuur en gebruiksmogelijkheden van hun gronden. Dat zijn allemaal redenen waarom nieuwbouw op grond van het bestemmingsplan hier niet is toegestaan. Het bouwplan voldoet volgens eisers ook niet aan redelijke eisen van welstand omdat verweerder heeft aangegeven dat alleen onder voorwaarden aan redelijke eisen van welstand wordt voldaan. De toets aan het Bouwbesluit 2012 en de gemeentelijke bouwverordening is onvoldoende. 23. De voorzieningenrechter wijst er allereerst op dat verweerder bevoegd was met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo af te wijken van het geldend planologisch regime. De motivering van een dergelijk besluit dient een goede ruimtelijke onderbouwing te bevatten. Onderdeel van het bestreden besluit is de ‘Ruimtelijke onderbouwing twee levensloopbestendige woningen [adres] ’ die BRO op 30 augustus 2024 (hierna: Ruimtelijke onderbouwing) heeft opgesteld. Het perceel heeft de bestemming ‘Woondoeleinden’ en op de

breuk op de planregels is

de ruimtelijke onderbouwing

gegaan. Tevens is op alle geldende beleidskaders, alle relevante omgevingsaspecten en de belangenafweging, alsmede uitvoerbaarheid van het bouwplan

gegaan en is onderbouwd waarom het bouwplan

overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is ten aanzien van het

itiatief vermeld dat vergunninghoudster die

2021 eigenaar is geworden van kasteel [naam] en de bijbehorende gronden, voornemens is het complex en de gronden te herstellen en te restaureren zodat dit behouden blijft en een meerwaarde kan krijgen voor Maasniel. Om de nieuwe

vulling financieel haalbaar te maken, is de bouw van 2 levensloopbestendige woningen

de noordoostelijke hoek van het perceel, aansluitend op [adres] aangevraagd. De planlocatie heeft een oppervlakte van circa driehonderd vierkante meter. De opzet van het bouwplan is gericht op het stedenbouwkundig en landschappelijk zorgvuldig

passen met respect voor de cultuurhistorische waarde en het historisch karakter van het perceel. Het gedeelte van het perceel, waarop de woningen zijn gepland, wordt gebruikt als tuin. De woningen worden tussen de bestaande bomen gerealiseerd. Op het braakliggend gebied ten westen daarvan wordt de boomgaard hersteld.

hetgeen eisers hebben aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing onvolledig is of anderszins niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De beroepsgrond slaagt niet.

  1. Eisers hebben niet concreet aangegeven op welke onderdelen de toets aan het Bouwbesluit en de gemeentelijke Bouwverordening onvoldoende is. Zij benoemen niet welke norm daarbij geschonden is. Of het relativiteitsvereiste van toepassing is, kan daarom niet worden vastgesteld. Verweerder heeft echter toereikend onderbouwd dat aan de aannemelijkheidstoets is voldaan. Dat geldt ook voor het betoog dat verweerder de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen omdat door de uitvoering van de bouw het fundament van de woningen van [naam] ( [adres] ) en [naam] ( [adres] ) zou kunnen worden aangetast. Deze beroepsgronden slagen niet.
  2. Ten aanzien van de beroepsgrond dat het bouwplan

de visie van eisers niet aan redelijke eisen van welstand voldoet, overweegt de voorzieningenrechter, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling, als volgt. Hoewel verweerder niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij verweerder zelf ligt, mag hij op dat advies afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd

artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van die wet voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft

beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of

stantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de

het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. 26.

dit geval heeft verweerder onweersproken gesteld dat het bouwplan onder voorwaarden voldoet aan de redelijke eisen van welstand, zoals vastgelegd

de Nota Beeldkwaliteit 2015. Het bouwplan valt

een gebied waarin een bijzonder welstandsniveau geldt. De Commissie Beeldkwaliteit heeft op 30 oktober 2023 positief geadviseerd en verweerder heeft dat advies gevolgd. 27. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, toetst de welstandscommissie het bouwplan aan de hand van de criteria

de welstandsnota aan redelijke eisen van welstand en heeft zij zich daarbij

beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, dan wel,

dien het bouwplan daarvan afwijkt, die waaraan het college planologische medewerking wenst te verlenen. Op grond van hetgeen eisers hebben aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het advies van de welstandscommissie naar

houd en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn standpunt over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. De desbetreffende beroepsgronden slagen niet. Verklaring van geen bedenkingen

  1. Het bestreden besluit moet volgens eisers worden vernietigd omdat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad ontbreekt.
  2. Op grond van de lijst van gevallen als bedoeld

artikel 6.5, derde lid, van het Bor van 13 juli 2017 (2017/053/2) is voor realisatie van maximaal 10 woningen binnen bestaand stedelijk gebied geen verklaring van geen bedenkingen nodig. De beroepsgrond slaagt niet. Watertoets en uitvoerbaarheid 30. Eisers voeren aan dat

strijd met artikel 5.20 van het Bor, gelezen

verbinding met artikel 3.1.6, eerste lid, onder b, en onder f, van het Bro door verweerder niet is

gegaan op de watertoets en de economische uitvoerbaarheid. Aan verlening van de omgevingsvergunning ligt daarom geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag. De watertoets voldoet volgens eisers onder meer niet, omdat niet duidelijk is waar de rioolaansluiting komt. Verder ontbreekt onderzoek naar de kredietwaardigheid van vergunninghoudster. Bij een eventueel faillissement kan cultuurhistorisch erfgoed verloren gaan, aldus eisers. 31.

artikel 5.20 van het Bor is bepaald dat, voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Bro van overeenkomstige toepassing zijn.

artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro is bepaald dat een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld gaan van een toelichting, waarin zijn neergelegd: a… b. een beschrijving van de wijze waarop

het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; … f. de

zichten over de uitvoerbaarheid van het plan. 32. De voorzieningenrechter stelt vast dat

de genoemde Ruimtelijke onderbouwing

§ 4

.13 op bladzijde 32 tot en met 35

verband met het hiervoor vermelde artikel 3.1.6, eerste lid, onder b, van het Bro een beschrijving is gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Tevens is door Aeres Milieu B.V. (

genieursbureau voor bodem, archeologie, geohydrologie, ecologie) een ‘Waterparagraaf Eiermarkt 25 te Roermond’ van 24 mei 2023 opgesteld, waarin is beschreven op welke manier rekening wordt gehouden met de gevolgen van de voorgenomen nieuwbouw op het perceel voor de waterhuishouding. Genoemd bureau heef ook een ‘

filtratie onderzoek Eiermarkt 25 te Roermond’ opgesteld. Er zijn maatregelen voorgesteld waardoor de ontwikkeling hydrologisch gezien neutraal kan worden uitgevoerd. Er is dan geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten. Eisers hebben niets concreets aangevoerd dat aanleiding geeft voor twijfel aan de juistheid van genoemde deskundigenrapporten. Ten aanzien van de riolering wordt

de Ruimtelijke onderbouwing vermeld dat op eigen terrein een gescheiden stelsel wordt aangelegd. De rioolaansluiting dient te zijner tijd bij de gemeente te worden aangevraagd. De gemachtigde van vergunninghoudster heeft er verder op gewezen dat de ligging van de riolering blijkt uit het funderings- en rioleringsplan dat onderdeel van het bestreden besluit uitmaakt. Voor het oordeel dat aan het aspect waterhuishouding onvoldoende aandacht is besteed bestaat geen grond. De beroepsgrond slaagt niet. 33. Ten aanzien van de door eisers geuite zorgen over de financiële uitvoerbaarheid van het project, overweegt de voorzieningenrechter dat dit slechts tot vernietiging kan leiden

dien en voor zover het aangevoerde tot de conclusie leidt dat verweerder op voorhand

redelijkheid had moeten

zien dat de financiële aspecten van het bouwplan aan de uitvoerbaarheid daarvan

de weg staan.

§ 6

van de Ruimtelijke onderbouwing wordt op bladzijde 37 tot en met 39

zicht gegeven

de uitvoerbaarheid van het plan. Voor het oordeel dat verweerder op voorhand

redelijkheid had moeten

zien dat de financiële aspecten van het bouwplan aan de uitvoerbaarheid daarvan

de weg staan, bestaat geen grond. Deze beroepsgrond slaagt niet. Monumentenvergunning, historisch en cultureel erfgoed, ruimtelijke en stedenbouwkundige toets 34. Eisers wijzen erop dat het

de directe nabijheid van het project gelegen kasteel De Thooren een rijks- en provinciaal monument is. De woningen worden

de tuin bij het monument gebouwd en

die tuin was al

1550 een boomgaard gevestigd. Door de 2 nieuwbouwwoningen wordt de oorspronkelijke compositie van de boomgaard die van grote cultuurhistorische waarde is, volgens eisers onherstelbaar aangetast. Door Van Santen is bij de behandeling van het beroep ter zitting een toelichting gegeven op de boomgaard door de eeuwen heen. Daaruit blijkt dat de boomgaard die een grote immateriële waarde voor omwonenden heeft, altijd onlosmakelijk verbonden is geweest met het kasteel. De boomgaard is een heel oud, authentiek stukje Maasniel. Dat moet door de gemeente worden gekoesterd en niet door nieuwbouwwoningen worden aangetast. Dat bomen na dertig tot zeventig jaar moeten worden gerooid en herplant, betekent niet dat er een nieuwe boomgaard is geplant. Onduidelijk is of de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed dat bij het geven van een positief advies

aanmerking heeft genomen. Op grond van de Erfgoedwet had ook advies aan de Minister gevraagd moeten worden, aldus eisers. Er is namelijk sprake van een rijksmonumentenactiviteit als bedoeld

artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo en door de aantasting van de boomgaard wordt het monument verstoord. De boomgaard hoort bij het kasteel en dat is een

dicatie dat ook de historische boomgaard onder de beschermde status valt, aldus eisers. Zulks blijkt ook uit een koopovereenkomst tussen een derde en vergunninghoudster van 5 juni 2021. Er is daarom ten onrechte niet beoordeeld of voor de verstoring een omgevingsvergunning kan worden verleend. Voor eisers gaat niet alleen een uniek uitzicht (deels) verloren. Er moeten ook nog bomen worden gekapt en dat is

de omgevingsvergunning niet vermeld. 35. Bepalingen die zijn neergelegd

onder meer de Monumentenwet 1998, de Erfgoedwet en

erfgoedverordeningen over de bescherming van monumenten strekken ter bescherming van het algemeen belang van het behoud van cultuurhistorische waarden. Regels die strekken tot bescherming van het algemeen belang van het behoud van cultuurhistorische waarden strekken niet ter bescherming van de belangen van

dividuele eisers, tenzij de gevreesde aantasting van de cultuurhistorische waarden plaatsvindt

een gebied dat kan worden aangemerkt als de directe woon- en leefomgeving van de eisers.

een dergelijk geval bestaat een zo nauwe verwevenheid tussen het belang van een eiser bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn directe woon- en leefomgeving en het algemene belang dat aan de orde is bij de bescherming van cultuurhistorische waarden, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belang. Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid

deze zin kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de afstand tussen de woning(

  1. en)van eiser(
  2. s)en het plangebied, respectievelijk de daarin aanwezige monumentale bebouwing, met hetgeen zich

het tussenliggende gebied bevindt, en met het al dan niet bestaande, geheel of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning van eiser(s) op de monumentale bebouwing. 36. De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam] en [naam] , alsmede [naam] en [naam] respectievelijk aan Heuvel 16 en Heuvel 14 op korte afstand van de projectlocatie/de boomgaard wonen. Hun woningen liggen op een wat grotere afstand van het monument maar wel

de nabijheid daarvan en zij hebben vanuit hun woningen ook (beperkt) zicht op het monument. Bij hen bestaat een zo nauwe verwevenheid tussen hun belang bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving en het algemene belang dat aan de orde is bij de bescherming van cultuurhistorische waarden, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belang. Nu aan deze eisers het relativiteitsvereiste niet wordt tegengeworpen, wordt dat voor de overige eisers ook niet gedaan. 37. De voorzieningenrechter volgt eisers niet

hun betoog dat de boomgaard beschermd monument is omdat die een essentieel onderdeel van het ensemble met [naam] uitmaakt. Het rijksmonument [naam] is bij besluit van 20 april 1971 als zodanig aangewezen en uit de redengevende omschrijving volgt dat alleen het hoofdgebouw een beschermde status heeft. Het ter zake bevoegde gezag, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (de RCE), heeft dat op 3 mei 2023 en 9 april 2025 bevestigd. Er is dus voor de bouw van de woningen geen monumentenvergunning als bedoeld

artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo nodig. Door de aantasting van de boomgaard wordt het monument niet verstoord. Met verweerder en vergunninghoudster is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de relevante wetgeving omtrent monumenten niet kan worden afgeleid dat een (monumenten)vergunning ook is vereist

het geval van nieuwbouw van een woning, die uit de aard van de zaak geen beschermd monument is, op de enkele grond dat deze mogelijk afbreuk doet aan de omgeving van een naastgelegen beschermd monument. Dit is niet anders,

dien vast staat dat de omgeving van het beschermde monument een rol heeft gespeeld bij de aanwijzing tot beschermd monument. De wetsgeschiedenis biedt ook geen aanknopingspunt voor de door de gemachtigde van eisers voorgestane ruime uitleg van het begrip "verstoren". Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Monumentenwet 1988 ziet dit begrip op een situatie die zich vooral bij archeologische monumenten kan voordoen. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Voor de Erfgoedwet / Wabo is dat niet anders. Verweerder en vergunninghoudster wijzen er terecht op dat de RCE

dit geval geen advies heeft uitgebracht omdat een omgevingsvergunning als bedoeld

artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo niet is vereist. De omstandigheid dat de bescherming van de tuin

een privaatrechtelijke overeenkomst anders is beschreven, kan hier niet aan afdoen. Dat geldt ook voor de beleving van eisers en de visie die Van Santen als (voormalig) landschapsarchitect daarop heeft. De beroepsgrond slaagt niet. 38. Aan het aspect cultuurhistorische waarde is verder

de Ruimtelijke onderbouwing

§ 4.10 op blz.

30 en 31 aandacht besteed. Daar wordt uitgelegd waarom het onderhavige

itiatief voldoende rekening houdt met de cultuurhistorische aspecten. Er is een ontwerp gemaakt en het terrein is de afgelopen 3 jaar opgeknapt en onderhouden om (opnieuw) tot een natuurlijk, ecologisch en waardevol landschappelijk geheel te doen ontstaan waarin De Thooren tot zijn recht komt. De bouw van de 2 levensloopbestendige woningen doen op de gekozen locatie geen afbreuk aan het monument. Door

planting, vormgeving en materiaalgebruik wordt getracht te komen tot een harmonieus eindbeeld, waarin de historische lagen herkenbaar blijven. Dit is verder uitgewerkt en toegelicht onder ‘Ruimtelijke en stedenbouwkundige onderbouwing’

het besluit op aanvraag. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geeft hetgeen eisers hiertegen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing op dit onderdeel tekort schiet en dat verweerder om die reden de omgevingsvergunning had moeten weigeren. De beroepsgrond slaagt niet. 39. Ten aanzien van het betoog van eisers dat een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden ontbreekt, heeft vergunninghoudster onweersproken gesteld dat de 2 monumentale bomen bij de entree van De Thooren (vanzelfsprekend) behouden blijven. Er zijn ten behoeve van het bouwplan

overleg met de boomdeskundige van verweerders gemeente 3 bomen gekapt, waarvoor geen omgevingsvergunning nodig was. Daarbij komt dat een eventuele kapvergunning geen onlosmakelijk verbonden activiteit is met de activiteiten waarvoor de onderhavige omgevingsvergunning is verleend en reeds hierom niet

de besluitvorming hoefde te worden meegenomen. De beroepsgrond slaagt niet. Volkshuisvesting 40. Eisers betogen dat er geen behoefte aan dit soort woningen bestaat. Volgens eisers bestaat er wel behoefte aan woningen

het sociale en midden segment. Verweerder heeft dat ten onrechte niet

de ruimtelijke afweging betrokken, aldus eisers. 41. Verweerder heeft

het besluit op aanvraag onder ‘Volkshuisvesting’ toegelicht waarom dit bouwplan past binnen de geldende kwantitatieve kaders. Daarnaast bestaat

kwalitatieve zin een aanvullende behoefte aan grondgebonden zogenoemde ‘nul-trede’ woningen. Daarin voorziet dit bouwplan. Aan dit onderwerp is verder ook

§ 3van de Ruimtelijke onderbouwing aandacht besteed.

Gelet hierop slaagt het betoog van eisers niet. Verkeer en parkeren 42. Eisers vinden het onacceptabel dat de

gang naar de bestreden nieuwbouw aan [adres] is gesitueerd. Die zou verplaatst moeten worden naar de binnenplaats van [adres] . [naam] biedt plaats voor 5 auto’s en van daaruit zou een pad richting de woningen kunnen worden gemaakt. Zij vrezen voor parkeeroverlast omdat ook bezoekers van de nieuwbouwwoningen ergens moeten parkeren. Tevens wijzen eisers erop dat [adres] een woonerf is en eisers zijn bezorgd over de verkeersveiligheid omdat het voetpad tussen de [adres] en [adres] al erg druk is door voet- en fietsverkeer. Ten slotte vrezen eisers ook dat de entree van de Heuvel die al door een eerdere renovatie is verzakt, verder zal verzakken. 43. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat een ontsluiting aan de Eiermarkt niet wenselijk is, aangezien dat zou betekenen dat er een ontsluiting dwars door de binnenplaats langs het rijksmonument zou moeten worden gerealiseerd. Dat zou afbreuk doen aan het monumentaal karakter van [naam] . Parkeren bij [naam] en vanaf daar via een voetpad de woningen bereiken is eveneens geen optie nu het juist van belang is dat de woningen levensloopbestendig zijn en derhalve bereikbaar zijn voor personen die slecht ter been zijn. De gehanteerde parkeernorm van 2,1 parkeerplaats per woning is

clusief bezoekers-parkeren en voldoet daarom aan de geldende Nota Parkeernormen 2021 waarin de autoparkeernormen zijn opgenomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de parkeerbehoefte correct vastgesteld.

§ 4

.12 van de Ruimtelijke onderbouwing is verder toereikend onderbouwd dat de verkeersveiligheid niet

het gedrang komt als gevolg van de nieuw te realiseren ontsluiting. Vergunninghoudster heeft er nog op gewezen dat de toename van het aantal verkeersbewegingen zeer beperkt zal zijn , te weten slechts gemiddeld 17 per etmaal. Dat aantal blijft ruimschoots onder de toepasselijke norm (maximaal 4.500 mvt/etmaal). Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering voor vergunningverlening vormen. Dat, zoals eisers aanvoeren de weg door bouwverkeer kapot kan gaan, heeft verweerder terecht als een uitvoeringskwestie aangemerkt. Dat is geen reden voor weigering van de gevraagde omgevingsvergunning. De beroepsgronden slagen niet. Soortenbescherming 44. Volgens eisers is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van de ijsvogel

het gebied van de vijver. Ook zijn volgens verzoekers andere broedvogels aanwezig waarvoor een ontheffing van Gedeputeerde Staten van Limburg (GS) was vereist. Ook worden de das en vleermuis niet voldoende beschermd via het bestreden besluit, aldus eisers. De voorwaarden die opgenomen zijn

de omgevingsvergunning geven geen garantie dat het plangebied daadwerkelijk toegankelijk blijft voor de das. Ook hiervoor had een ontheffing aan GS moeten worden gevraagd. 45. De voorzieningenrechter volgt eisers niet

hun betoog dat geen onderzoek is gedaan naar beschermde soorten.

§ 4

.9 van de Ruimtelijke onderbouwing en de Quickscan flora- en fauna van 11 april 2023, opgesteld door BRO, (de Quickscan) is het onderzoek naar beschermde soorten, waaronder (broed)vogels beschreven. De conclusie van de Quickscan is dat het voorgenomen plan kan worden uitgevoerd mits voorafgaand aan en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde

de Wet natuurbescherming (waaronder de algemene zorgplicht)

acht wordt genomen. Er is bij het onderzoek geen ijsvogel aangetroffen en eisers maken dat ook niet aannemelijk.

§ 4

.9.2 van de Ruimtelijke onderbouwing is

gegaan op de mogelijke negatieve gevolgen van het project voor de das. Tevens is daartoe een ‘Impactanalyse Das’ van 5 juni 2024 opgesteld, waarin

overleg met onder meer de Stichting Das en Boom maatregelen zijn beschreven om het foerageergebied en de bereikbaarheid van het foerageergebied binnen en rond het plangebied te verbeteren. Door eisers is niet aannemelijk gemaakt dat het uitgevoerde onderzoek onvolledig en/of de daaruit getrokken conclusies onjuist zouden zijn. Verweerder heeft verder voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden om te voorkomen dat de das (en vleermuizen) worden gestoord. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben eisers, die hun stellingen niet met feiten hebben onderbouwd, niet aannemelijk gemaakt dat het wettelijk soortenbeschermingsregime op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het project

de weg staat. Maken of veranderen van een uitweg 46.

dit verband betogen eisers eveneens - zie ook onder 42 - dat het onacceptabel is dat de

gang naar de bestreden nieuwbouw via [adres] is gesitueerd. Die zou verplaatst moeten worden naar de binnenplaats van de Eiermarkt. [naam] biedt plaats voor 5 auto’s en van daaruit kan een pad richting de woningen worden gemaakt. Bij andere nieuwbouwwoningen

Roermond is er geen directe parkeergelegenheid bij de woning. Volgens eisers zijn de weigeringsgronden vermeld

artikel 2:12, tweede lid, van de APV van toepassing en is het bestreden besluit, gelet op de

gediende zienswijzen, ontoereikend gemotiveerd. 47. Verweerder kan een omgevingsvergunning voor deze activiteit weigeren

het belang van de bruikbaarheid van de weg, het veilig en doelmatig gebruik van de weg, de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving, de bescherming van groenvoorzieningen

de gemeente Roermond en het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder beleidsruimte heeft bij een besluit als het onderhavige. De bestuursrechter gaat niet na of hij

het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. Dit brengt mee dat verweerder aangedragen alternatieven weliswaar moet onderzoeken, maar dat het bestaan van alternatieven niet per se betekent dat de keuze die verweerder heeft gemaakt de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Daarvan is alleen sprake als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de aangedragen alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het ligt daarbij op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat er betere alternatieven zijn dan waarvoor vergunning is verleend. Verweerder heeft zich

dit geval op het standpunt mogen stellen dat het door eisers voorgestelde alternatief niet aan de hiervoor vermelde criteria voldoet. De voorzieningenrechter verwijst daarvoor naar hetgeen onder 43 is overwogen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan

hetgeen eisers hebben aangevoerd, geen grond worden gevonden voor het oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning voor het maken van de uitweg aan [adres] niet mocht verlenen. De beroepsgronden slagen niet. Privaatrechtelijke belemmering: grondverkoop 48. Eisers betogen dat de grond aan de Heuvel op onrechtmatige wijze, namelijk

strijd met het zogenoemde Didam-arrest, is verkocht door verweerder. De gemeente heeft doen voorkomen dat er geen andere gegadigden waren, hetgeen onjuist is. Dat kan worden bewezen, aldus eisers. De grondtransactie was daarom onrechtmatig en er dient opnieuw openbaar te worden aanbesteed. De grondleveringen op basis van de transactie zouden met terugwerkende kracht ongeldig kunnen worden verklaard. De overeenkomst is volgens eisers ook onrechtmatig omdat daarbij geen rekening is gehouden met andere privaatrechtelijke belangen van omwonenden. Volgens eisers vormt dit een privaatrechtelijke belemmering. 49. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat (ook) deze beroepsgrond als zienswijze is

gediend en dat verweerder er uitgebreid op is

gegaan om uit te leggen dat de grondverkoop legaal was. Tegen de bekendmaking van het voornemen tot de verkoop is binnen de vervaltermijn ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid bedenkingen

te dienen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de (

dit geval) verlening van een omgevingsvergunning voor een bouwplan

de weg staat, alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering

de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de

die procedure geldende regels. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de realisering van een bouwwerk de toestemming van een ander is vereist en die ander die toestemming niet geeft en niet hoeft te geven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat dit hier niet aan de orde is. Er is niet zo een duidelijke privaatrechtelijke belemmering dat verwezenlijking van het bouwplan niet mogelijk is. De beroepsgrond slaagt om die reden niet. Voorschriften

  1. Eisers voeren aan dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften onvoldoende waarborg bieden dat wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Volgens eisers wordt met een waslijst aan voorschriften die deels zien op gebruik en niet concreet zijn geformuleerd, gepoogd het ontbreken van een goede ruimtelijke onderbouwing te camoufleren. Verweerder had meer onderzoek vooraf moeten doen alvorens de omgevingsvergunning te verlenen. Daarbij is volgens eisers een groot aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden.
  2. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor bij de bespreking van de beroepsgronden heeft vastgesteld, zijn aan de verlening van de omgevingsvergunning uitgebreide onderzoeken van deskundigen vooraf gegaan. Verweerder heeft zich op basis daarvan op het standpunt mogen stellen dat sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing en dat het project niet

strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij zijn de

aanmerking te nemen (ruimtelijk relevante) belangen

zichtelijk gemaakt en afgewogen. Verweerder heeft verder voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die strekken tot een goede ruimtelijke ordening. Zoals hiervoor onder 15 is overwogen komt verweerder bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om

afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en hij moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning

overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit

overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn

verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. Hetgeen eisers hebben aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn

verhouding tot de met verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter treffen de beroepsgronden geen doel. Conclusie 52. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een vergoeding van het betaalde griffierecht en / of een proceskostenveroordeling bestaat eveneens geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzieningenrechter,

aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is

het openbaar uitgesproken op 25 juli 2025. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: 25 juli 2025 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden

gesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is

gesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953. Arrest van 14 januari 2021, ECLI:EU:2021:7. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het

strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel,

dien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:2020:2706, r.o. 4.9 (de overzichts-uitspraak) De overzichtsuitspraak r.o. 4.

  1. Zie bij voorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
  2. Zie bij voorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:381, r.o. 7.
  3. Kamerstukken II 1998/89, 21 221, nr. 3, blz. 53-
  4. Artikel 4.2, onder 1, onder a, van het bestemmingsplan. Zie bij voorbeeld de uitspraken van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2021:279 en 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
  5. Onder meer

de uitspraken van 7 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3596 en 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:

  1. Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025 ECLI:NL:RVS:2025:425, r.o. 8.
  2. Zie r.o. 10.76 tot en met 10.78 van de overzichtsuitspraak en de daarin vermelde jurisprudentie. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 15 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV5063 en van 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5889, r.o. 5.
  3. Uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2467, r.o. 6.
  4. Artikel 2:12, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Roermond. Onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
  5. Gemeenteblad nr. 572374 d.d. 27 december
  6. Uitspraken van de Afdeling van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957, van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2599, r.o. 7.1 en van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:840, r.o. 8.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.