← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2025:7363

RECHTBANK LIMBURG Familie- en Jeugdrecht Locatie Maastricht Zaaknummer: C/03/342497 / JE RK 25-996 Datum uitspraak: 15 juli 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling in de zaak van: de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad, over de minderjarige: [minderjarige] , hierna te noemen: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonend in [woonplaats 1] , advocaat: mr. N. Frijns, kantoorhoudend in Maastricht, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonend in [woonplaats 2] . advocaat: mr. N. Soro, kantoorhoudend in Heerlen. 1Het procesverloop 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de raad, ontvangen op 5 juni
  2. 1.
  3. Op 11 juli 2025 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Daarbij is tevens behandeld, maar niet gevoegd met onderhavige zaak, de zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden en het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) waarin afzonderlijk beschikking zal worden gewezen. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen: - een vertegenwoordigster van de raad; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, als toehoorder. 1.
  4. De minderjarige [minderjarige] is door de kinderrechter in de gelegenheid gesteld zijn mening schriftelijk of mondeling kenbaar te maken. [minderjarige] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt in een apart gesprek met de kinderrechter op 11 juli
  5. 1.
  6. De kinderrechter heeft ter zitting aangegeven dat partijen op 15 juli 2025 om 10.00 uur naar de griffie kunnen bellen voor de mondelinge uitspraak. De griffie heeft partijen vervolgens op 15 juli 2025 telefonisch de beslissing (dictum) van de kinderrechter medegedeeld. Deze beschikking is de schriftelijke uitwerking van de uitspraak van de kinderrechter. 2De feiten 2.
  7. Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. 2.
  8. [minderjarige] woont bij de moeder. 2.
  9. Bij deze rechtbank is een procedure betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden en naamswijziging tussen de ouders aanhangig. Ten behoeve van die procedure heeft raadsonderzoek plaatsgevonden en heeft de raad de rechtbank van advies voorzien. 3Het verzoek 3.
  10. De raad verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, [minderjarige] onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: de GI) voor de duur van een jaar. 3.
  11. Ter onderbouwing van dit verzoek stelt de raad dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is gelegen in de langdurige belasting van [minderjarige] met volwassenproblematiek van de ouders ontstaan na de scheiding en de gevolgen daarvan. De verstandhouding van de ouders kenmerkte zich door veel conflicten met name over afspraken over de zorgregeling. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de vader zich heeft teruggetrokken en het contact met [minderjarige] heeft verbroken. Er is sprake van een jarenlange strijd tussen de ouders. De samenwerking tussen de ouders en hulpverlening kenmerkte zich door discussies en verwijten over en weer. De moeder blijft daarbij naar het verleden grijpen en ziet de vader als oorzaak van de ontstane problematiek. De vader erkent zijn eigen aandeel in de ontstane situatie en wil graag een oplossing voor de toekomst. De verstandhouding tussen de ouders is zodanig verstoord dat zij [minderjarige] geen emotionele toestemming kunnen geven om goed contact te hebben met beide ouders. De moeder neemt haar ouderrol niet in door teveel keuzevrijheid bij [minderjarige] te laten in het contact met de vader. De vader staat momenteel op afstand van [minderjarige] . De ouders zijn op dit moment weliswaar bereid, maar onvoldoende in staat om zelfstandig de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Ondanks alle inspanningen en betrokken hulpverleningsinstanties wordt het patroon van conflict en wantrouwen tussen de ouders niet doorbroken en is nauwelijks sprake van een positieve verandering, waarbij gemaakte afspraken met hulpverlening leiden tot discussie en stagnatie van hetgeen nodig is. Het contact tussen de vader en [minderjarige] is sinds oktober 2022 verbroken op initiatief van de vader omdat hij [minderjarige] niet langer wilde belasten met volwassenproblematiek. Bij nader inzien leek geen contact met [minderjarige] niet de oplossing te zijn en is de vader teruggekomen op zijn beslissing. Een herstel van contact met [minderjarige] is tot op heden niet mogelijk gebleken vanwege de weerstand van [minderjarige] daartegen. Hierdoor staat de vader al jaren op afstand en lukt het hem niet (weer) een rol in te nemen in het leven van [minderjarige] . Het contactverlies met de vader heeft bij [minderjarige] veel boosheid, een groot gevoel van afwijzing, verdriet en gemis teweeggebracht. Dit uit zich in zijn gedrag dat problematisch is. [minderjarige] laat zelfbepalend gedrag zien, waarbij hij zowel in de thuissituatie als binnen de schoolse setting niet stuurbaar is. [minderjarige] kiest ervoor zelfbepalend gedrag in te zetten als situaties niet verlopen zoals hij dat wil. Hij luistert niet, accepteert geen grenzen en kan niet omgaan met autoriteit. [minderjarige] kan de gevolgen van zijn gedragingen niet overzien waardoor hij een gevaar vormt voor zijn eigen ontwikkeling. Hierdoor komt zijn sociaal-emotionele en didactische ontwikkeling in gevaar. Er wordt onvoldoende grip verkregen op [minderjarige] door zowel de moeder, de school als betrokken hulpverlening. Ondanks de inzet van persoonlijke hulpverlening voor [minderjarige] en ondersteuning voor moeder, lijkt er tot heden geen verbetering zichtbaar. 4De mening van [minderjarige] 4.
  12. opent het gesprek met de kinderrechter met het vermelden dat hij moe is omdat hij niet goed heeft geslapen en dat hij niet wil dat ‘iemand bij hem thuis komt’. [minderjarige] heeft geen contact meer met de vader terwijl hij vroeger wel een goede band met hem heeft gehad. Die band is verslechterd. De vader gebruikte wel eens fysiek geweld tegen hem. Nu pas, nu hij ouder is, ziet hij in dat dat niet goed is geweest. In het verleden zag hij dit niet zo. Hij was immers nog een klein kind die dacht dat hij zelf iets verkeerd deed. De vader heeft op enig moment besloten het contact met hem (en zijn oudere zus [naam zus] ) te verbreken. De vader is dit bij de moeder thuis aan hen komen vertellen en heeft daarbij gezegd dat zij zich weer konden melden bij de vader als zij achttien zijn. [minderjarige] was toen boos en verdrietig tegelijk. Op een later moment is de vader [minderjarige] buiten komen opzoeken. [minderjarige] is toen naar huis gerend omdat hij dacht dat de vader hem wilde meenemen; ‘hij had ook netjes aan de deur kunnen komen’, vertelt [minderjarige] . Op dit moment wil [minderjarige] geen contact meer met de vader. [minderjarige] wil zich nu focussen op belangrijke dingen, zoals school. [minderjarige] is zich ervan bewust dat mensen fouten kunnen maken, maar dit betekent niet dat [minderjarige] de vader moet vergeven. Desgevraagd verklaart [minderjarige] dat hij ook niet met de vader in gesprek wil. Dat zou niet verstandig zijn, want [minderjarige] kan nogal snel boos worden. [minderjarige] vertelt dat hij geen ‘jojo’ is. [minderjarige] is autistisch en dit hele gebeuren met de vader kan hij daardoor ‘niet omzetten in zijn hoofd’. Daarmee bedoelt [minderjarige] dat het voor hem niet mogelijk is om te schakelen tussen dan wel en dan geen contact. [minderjarige] heeft na lange tijd weer contact met zijn halfbroer en -zusje (kinderen van de vader en zijn nieuwe partner). Daar is hij heel blij mee want met hen is hij opgegroeid en zij hebben niets verkeerd gedaan. 5Het standpunt van de belanghebbenden 5.
  13. De moeder voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek. De moeder ziet geen meerwaarde in een ondertoezichtstelling. De moeder erkent dat zij soms moeite ervaart in de opvoeding van [minderjarige] . Het gezin heeft veel te verduren gehad en de moeder heeft dit allemaal alleen moeten dragen terwijl de vader daar de oorzaak van is. [minderjarige] heeft veel last gehad van het terugtrekken van de vader uit zijn leven. [minderjarige] kreeg nachtmerries, had verlatingsangst en was boos en verdrietig. Dit uitte zich in fysieke en mentale klachten waarbij [minderjarige] er soms zelfs van moest overgeven. [minderjarige] heeft een trauma opgelopen en toen het eindelijk beter begon te gaan met [minderjarige] , mengde de vader zich weer in zijn leven. Hoewel de moeder [minderjarige] een goed contact met ook de vader gunt, is het lastig om hem daartoe te motiveren. [minderjarige] wil dit niet. De betrokken hulpverlening verwijt de moeder dat zij niet genoeg moeite doet om [minderjarige] te motiveren, maar het steeds moeten proberen [minderjarige] zover te krijgen om contact te hebben met de vader zorgt voor spanning tussen de moeder en [minderjarige] . De moeder staat er tussenin. De moeder werkt al jarenlang mee aan alle nodige hulpverlening voor [minderjarige] . Er is daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de moeder onvoldoende in staat is om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen, zeker gelet op het karakter van een dergelijke maatregel als een ondertoezichtstelling, dat zeer ingrijpend is. Bovendien zijn er meerdere wegen die volstaan om contactherstel te bereiken. Beide ouders zijn immers bereid om mee te werken aan een BOR-traject, te bepalen in de tussen partijen aanhangige bodemprocedure betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden. 5.
  14. De vader stemt in met het verzoek. De vader hoopt dat er in het kader van de ondertoezichtstelling passende hulpverlening voor [minderjarige] zal worden ingezet. De vader benadrukt hiermee geen verwijt te maken naar de moeder. Hij ziet in die zin dat de moeder haar best doet in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De vader hoort echter ook dat de moeder moeite ervaart in het blijven motiveren van [minderjarige] tot contact met de vader en dat dit veel van de moeder vraagt en ten koste kan gaan van de positie die de moeder op dit moment in het leven van [minderjarige] heeft. Als er in het kader van de ondertoezichtstelling een gezinsvoogd betrokken wordt, kan dit de moeder wellicht ontlasten. Daarin is volgens de vader de meerwaarde van een ondertoezichtstelling gelegen, in aanvulling op een eventueel BOR-traject. Verder betuigt de vader veel spijt van hoe dingen zijn gegaan en de manier waarop hij dingen heeft aangepakt. De vader heeft vanuit zijn eigen ervaringen en overtuigingen als kind zijnde in relatie tot zijn eigen vader met wie hij een slecht contact had, gedacht op een wijze te handelen die voor [minderjarige] rust zou brengen. Hij heeft [minderjarige] , maar ook zijn kinderen uit zijn huidige gezin, willen vrijwaren van alle ruzies en spanningen tussen de ouders onderling door zich terug te trekken. Als de vader [minderjarige] een keer zou kunnen spreken, zou hij hem vertellen dat hij ontzettende spijt heeft van wat hij heeft gedaan. De vader benadrukt en zegt toe dat hij in een mogelijk contactherstel bereid is het tempo van [minderjarige] daarin te volgen. 6De beoordeling 6.
  15. Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Ook moet de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat is(/zijn) te dragen. 6.
  16. De kinderrechter stelt voorop dat de Hoge Raad aan het toewijzen van een ‘omgangsondertoezichtstelling’, zoals in deze zaak van [minderjarige] aan de orde is, hoge eisen heeft gesteld (zie hiervoor: HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009, NJ 2002/4). Het toepassen van een ondertoezichtstelling betekent namelijk een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Een ondertoezichtstelling kan gerechtvaardigd zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het totstandbrengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanig belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. 6.
  17. De kinderrechter is op grond van de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling van oordeel dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Deze ernstige ontwikkelingsbedreiging is gelegen in het ontbreken van enige vorm van contact tussen [minderjarige] en de vader, in combinatie met de gedragsproblematiek van [minderjarige] die vermoedelijk (deels) voortkomt uit het contactverlies met de vader. Het verlies van contact met de vader heeft een grote impact gehad op [minderjarige] . [minderjarige] ervaart gevoelens van boosheid en verdriet en de kinderrechter kan zich ook gelet op het gesprek dat hij met [minderjarige] heeft gevoerd niet aan de indruk onttrekken dat [minderjarige] zich geen raad weet met deze gevoelens. Tekenend daarvoor vindt de kinderrechter de afwijzende houding tijdens het gesprek en zijn sterke en vooral negatieve mening over en houding ten opzichte van de vader. De kinderrechter begrijpt en ziet dat het voor [minderjarige] lastig is om het hele gebeuren met de vader te plaatsen. Daarbij betrekt de kinderrechter dat [minderjarige] vertelt het “niet te kunnen omzetten in zijn hoofd”. [minderjarige] geeft daarvoor de verklaring dat hij autisme heeft en daardoor niet goed kan omschakelen van wel contact naar geen contact naar weer wel contact. Contactverlies met een van de ouders heeft vaak negatieve gevolgen voor de verdere ontwikkeling van een kind. Niet alleen voor de sociaal emotionele ontwikkeling, maar zeker ook voor de identiteitsontwikkeling van een kind. Daarnaast is het niet onbelangrijk te benoemen dat [minderjarige] niet alleen slechte herinneringen aan de vader heeft. Zo erkent hij dat hij een goede band had met de vader. Het komt erop neer dat de negativiteit die [minderjarige] voelt in relatie tot de vader er met name mee te maken heeft dat de vader het contact met hem heeft verbroken. Het is niet in het belang van [minderjarige] om, zoals hij zelf zegt tot zijn achttiende, te blijven rondlopen met deze negatieve en boze gevoelens. Te meer nu deze gevoelens een grote impact hebben op de verdere ontwikkeling en het gedrag van [minderjarige] . [minderjarige] laat zowel op school als in de thuissituatie zelfbepalend gedrag zien en is daardoor moeilijk stuurbaar. De moeder erkent ook dat het in de thuissituatie soms knap lastig is om [minderjarige] te sturen, dat [minderjarige] zodanig last heeft gehad van de situatie met de vader dat hij zelf lichamelijke klachten ervoer. Ingrijpen is noodzakelijk om te voorkomen dat de minimale grip op [minderjarige] nog verder afneemt. Nu het ontbreken van contact met de vader, in combinatie met andere omstandigheden (de gedragsproblematiek van [minderjarige] ) een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen is een ondertoezichtstelling gerechtvaardigd. 6.
  18. Het verplichtend kader van de ondertoezichtstelling acht de kinderrechter noodzakelijk. De kinderrechter overweegt daartoe dat al jarenlang binnen het vrijwillig kader veel hulpverlening betrokken is binnen het huishouden van met name de moeder, nu zij de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] draagt. Het is in dat kader niet gelukt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] af te wenden. Het is te voorzien dat de zorgen alsmaar groter zullen worden als er geen verandering komt in de situatie, gelet op de leeftijdsfase waarin [minderjarige] zich nu bevindt. Daarbij benadrukt de kinderrechter dat een ondertoezichtstelling niets afdoet aan de inzet van de moeder tot op heden. De kinderrechter begrijpt echter ook dat het een zware taak is die op de moeder rust en waarbij het veel van haar vraagt zoals zij ook ter zitting heeft verklaard. Bijstand van een neutrale derde, als een gezinsvoogd, die de regie voert over nodige hulpverlening en de moeder en [minderjarige] in het eventuele proces van contactherstel met de vader kan ondersteunen daar waar het de moeder niet lukt, acht de kinderrechter waardevol en noodzakelijk. 6.
  19. Vooralsnog is de verwachting gerechtvaardigd dat de ouders binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. 6.
  20. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de raad om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI, toewijzen. Ook de verzochte duur van een jaar zal de kinderrechter, gelet op de aard van de ernstige ontwikkelingsbedreiging, toewijzen. 7De beslissing De kinderrechter: 7.
  21. stelt [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , met ingang van 15 juli 2025 onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg voor de duur van een jaar, dus tot uiterlijk 15 juli 2026; 7.
  22. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025 door mr. P.H.J. Frénay, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. C.J. Marx als griffier, en nadien op schrift gesteld op 25 juli
  23. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.