vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/336051 / HA ZA 24-502 Vonnis in incident van 12 februari 2025 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats 1] , eiseres in conventie in de hoofdzaak, verweerster in reconventie in de hoofdzaak, verweerster in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. R.H.L. van de Laar, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde in conventie in de hoofdzaak, eiser in reconventie in de hoofdzaak, eiser in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat mr. F.G.H.J. Niemarkt. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 t/m 14, de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie en eis in voorwaardelijke reconventie tevens exceptie van onbevoegdheid met producties 1 t/m 9, de conclusie van antwoord in het incident, tevens conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, tevens vermeerdering van eis met producties 15 en
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De feiten in het incident 2.
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond. De relatie tussen partijen is beëindigd. 2.
- Tot de gezamenlijke vermogensbestanddelen van partijen behoort de woning, gelegen te [plaats] , [adres] (hierna: de woning). 2.
- Partijen waren beiden vennoot in de vennootschap onder firma [naam VOF] . Deze vennootschap onder firma (hierna: de VOF) hebben partijen in onderling overleg per 1 januari 2023 beëindigd. 2.
- In artikel 19 lid 1 van de tussen partijen gesloten Overeenkomst Vennootschap Onder Firma van 1 februari 2016 (productie 8 dagvaarding, hierna: vof-overeenkomst) is het volgende bepaald: “Alle geschillen die voortvloeien uit onderhavige overeenkomst of nadere overeenkomsten die hiervan het gevolg zijn of hiermee samenhangen, zullen bij uitsluiting worden beslecht door drie arbiters te benoemen door de voorzitter der Kamer van Koophandel te Zuid-Limburg.” 3Het geschil in de hoofdzaak in conventie 3.
- [eiseres] heeft zich tot de rechtbank gewend teneinde een financiële afwikkeling van de samenleving en de VOF te bewerkstelligen. Zij vordert daartoe – na vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, de verdeling van de eenvoudige gemeenschap gelast en als volgt verdeelt: primair: de woning met ondergrond staande en gelegen te [plaats] aan de [adres] aan [gedaagde] toe te delen tegen de waarde die door een door de rechtbank te benoemen makelaar/taxateur wordt vastgesteld, onder de voorwaarde dat [gedaagde] de woning kan financieren waarbij partijen alsdan verplicht zijn om de overwaarde van de woning gelijkelijk te verdelen, waarbij de overwaarde wordt bepaald door de getaxeerde waarde van de woning minus de openstaande hypotheek per datum verdeling, met dien verstande dat het deel van de openstaande hypotheek dat [gedaagde] heeft opgenomen/aangewend in verband met de financiering van een bedrijfsovername in 2019 ad € 68.227,00 buiten de verdeling blijft en dat [gedaagde] deze schuld dient af te lossen als een eigen schuld van [gedaagde] onder vrijwaring van [eiseres] (ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid); [gedaagde] te veroordelen om binnen vier weken na betekening van het vonnis zijn medewerking te verlenen aan het verlijden van een daartoe strekkende akte van levering van de woning, waarbij de woning wordt overgedragen aan [gedaagde] , ten overstaan van een nader aan te wijzen notaris, welke levering slechts zal kunnen plaatsvinden indien [eiseres] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de bestaande hypothecaire verplichtingen, waarbij de kosten van de akte voor rekening van [gedaagde] zijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag dat gedaagde hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 25.000,00, te bepalen dat de woning binnen vier weken na het in deze te wijzen (tussen)vonnis door een door de rechtbank te benoemen makelaar/taxateur wordt getaxeerd; [eiseres] te machtigen, bij nalatigheid of weigeren van [gedaagde] tot het laten verrichten van een taxatie, de woning op kosten van [gedaagde] te doen betreden voor een taxatie, door inschakeling van een deurwaarder en de sterke arm; [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] binnen vier weken na het in deze te wijzen vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, het aandeel van [eiseres] in de overwaarde van de woning te betalen, zijnde de helft van de overwaarde, zoals bovenstaand gespecificeerd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 dagen na het vonnis tot aan voldoening; [gedaagde] te veroordelen om binnen vier weken na het vonnis bij SNS Bank N.V./BLG Wonen gevestigd te Utrecht/Geleen te bewerkstelligen dat [eiseres] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de nakoming van de verplichtingen uit de hypothecaire geldlening(en) voor de financiering van de woning en/of financiering van de bedrijfsovername door [gedaagde] in 2019; indien [gedaagde] niet in staat is de woning te financieren, de woning aan een derde te verkopen, waarbij partijen in overleg met de makelaar de woning te koop zetten en verkopen aan de derde partij die de hoogste prijs biedt; indien de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen te verplichten medewerking te verlenen aan het notariële transport van de woning, waarbij [gedaagde] de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering draagt; uit de verkoopopbrengst tevens te voldoen de hypotheekschuld, waarna de opbrengst, die na aftrek van de hiervoor genoemde kosten resteert gelijkelijk tussen partijen wordt gedeeld, met dien verstande dat dat deel van de hypotheekschuld (€ 68.227,00) dat [gedaagde] in 2019 heeft opgenomen in verband met een bedrijfsovername voor rekening van [gedaagde] blijft; te bepalen dat, indien en voor zover [gedaagde] in gebreke blijft de vorengenoemde medewerking te verlenen, gedaagde zijn medewerking dient te verlenen aan de verkoop en overdracht van de woning via een door [eiseres] aan te wijzen notaris, waarbij onder verkoop mede moet worden begrepen het aanstellen van een makelaar door eiseres en het tekenen van het koopcontract door [gedaagde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 25.000,00; te bepalen dat aan [eiseres] vervangende toestemming wordt verleend voor hetgeen in bovengenoemde vordering is genoemd indien [gedaagde] niet op eerste verzoek van [eiseres] medewerking verleent en te bepalen dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW mede in de plaats zal treden van de door de notaris op te stellen akte van levering met betrekking tot de woning, voor zover het betreft het verlenen van toestemming van gedaagde tot die levering; [gedaagde] te veroordelen om de helft van de waarde van de Vennootschap onder firma “ [naam VOF] ” ad € 126.757,80 (de helft van € 253.515,60) aan [eiseres] te voldoen, binnen vier weken na het in deze te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 dagen na het vonnis tot aan voldoening; [gedaagde] te veroordelen om aan de vrouw te voldoen het kapitaal van [eiseres] in de onderneming “ [naam VOF] ” ad € 101.704,00, binnen vier weken na het in deze te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 dagen na het vonnis tot aan voldoening; [gedaagde] te veroordelen om de bedragen die hij heeft overgemaakt van de gezamenlijke rekening (eindigend op 2251) naar zijn eigen rekening en naar een van de rekening van de kinderen, te weten € 7.062,47 (+ € 85,92 rente) en € 7.057,55 (+ € 85,78 rente), met [eiseres] te verdelen (50/50) op straffe van dat gedaagde, op grond van artikel 3:194 lid 2 BW, voornoemde bedragen volledig aan [eiseres] verbeurt; subsidiair - een deskundige te benoemen om de waarde van de VOF en het kapitaal van [eiseres] vast te stellen om tot verrekening over te kunnen gaan; primair en subsidiair - [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure. in de hoofdzaak in reconventie 3.
- [gedaagde] vordert in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] veroordeelt om binnen vier weken het (eind)vonnis mee te werken aan eigendomsoverdracht bij notariële akte van de woning aan [gedaagde] tegen een bedrag van € 750.000,00 waarbij [gedaagde] de hypothecaire verplichtingen overneemt en er zorg voor draagt dat [eiseres] door de verstrekker van de hypothecaire geldlening ontslagen wordt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid onder de verplichting dat [gedaagde] aan [eiseres] voldoet een bedrag van € 126.132,00; [eiseres] veroordeelt om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [eiseres] na sommatie geen gehoor geeft aan de verplichting tot levering met een maximum van € 100.000,00; bepaalt dat, indien [eiseres] niet tijdig voldoet aan de veroordeling ter zake het notarieel transport van de woning, het vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de notariële akte van levering waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [eiseres] dat zij verkoop c.q. (mede) levert aan [gedaagde] . in de hoofdzaak in voorwaardelijke reconventie 3.
- [gedaagde] vordert, voor zover de rechtbank zich bevoegd acht van het geschil ter zake van de VOF kennis te nemen, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een deskundige benoemt en opdracht geeft tot berekening van de winstgerechtigdheid van beide partijen alsmede de waarde van de onderneming met inachtneming van de daarop betrekking hebbende artikelen van de vof-overeenkomst en [eiseres] veroordeelt tot betaling binnen drie maanden na het vonnis van de bedragen die op basis van de berekeningen van de deskundige aan [gedaagde] toekomen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie. in het incident 3.
- [gedaagde] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart vanwege het arbitragebeding dat is opgenomen in artikel 19 lid 1 van de vof-overeenkomst. 3.
- [eiseres] voert verweer. Het hierna te vermelden verweer heeft zij reeds in de dagvaarding naar voren gebracht. 4De beoordeling in het incident 4.
- In de vof-overeenkomst is, kort gezegd, opgenomen dat partijen geschillen die voortvloeien uit die overeenkomst, bij uitsluiting zullen voorleggen aan drie arbiters, te benoemen door de voorzitter van de Kamer van Koophandel. 4.
- Volgens [eiseres] is de vof-overeenkomst beëindigd en heeft de arbitrageclausule geen betrekking op het geschil van partijen, dat – naast de verdeling van de gemeenschappelijke woning – enkel nog ziet op de verdeling van de waarde van de VOF en de uitbetaling van het kapitaal van [eiseres] in de VOF. Daarbij is het volgens [eiseres] nog maar de vraag of partijen bij het aangaan van de vof-overeenkomst daadwerkelijk arbitrage voor ogen hebben gehad. Zij hebben namelijk gebruik gemaakt van een standaard modelcontract afkomstig van het internet. De arbitrageclausule is niet vooraf besproken zodat dienaangaande weloverwogen afwegingen zijn gemaakt, aldus [eiseres] . Verder is volgens [eiseres] de arbitrageclausule nietig nu de Kamer van Koophandel reeds in oktober 2013, nog voor het ondertekenen van de vof-overeenkomst, is gestopt met het benoemen van arbiters. Het toepassen van het arbitraal beding is bovendien in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)) en strijdig met artikel 6 EVRM vanwege de hoge kosten van de arbitrageprocedure, zo besluit [eiseres] . 4.
- Artikel 6:248 lid 2 BW bepaalt dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. 4.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [eiseres] op artikel 6:248 lid 2 BW slaagt gelet op de door haar aangedragen feiten en omstandigheden. Gebleken is dat [eiseres] voor deze procedure gebruik maakt van gesubsidieerde rechtsbijstand. Uit de verleende toevoeging blijkt dat het inkomen van [eiseres] in het peiljaar 2021 € 38.600,00 bedroeg. De door haar te betalen eigen bijdrage is vastgesteld op € 890,
- Door [gedaagde] is niet weersproken is dat het uurtarief van een arbiter, gelet op de aard van het geschil en de hoogte van de vordering, tussen € 200,00 en € 500,00 (exclusief btw) per uur bedraagt en dat aan partijen een voorschot in rekening wordt gebracht. Weliswaar heeft [eiseres] vermogen, maar dat zit, zoals [gedaagde] zelf ook stelt, nog in de VOF en in de woning zodat zij daar nu niet over kan beschikken. [eiseres] heeft, gelet hierop, aannemelijk gemaakt dat het voeren van een arbitrageprocedure voor haar financieel niet haalbaar is. Als zij gehouden zou worden tot nakoming van het arbitragebeding zou dat betekenen dat zij geen effectieve toegang heeft tot vaststelling van haar burgerlijke rechten door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, zoals dat gewaarborgd is door artikel 6 EVRM. Het beroep van [gedaagde] op het arbitragebeding in artikel 19 lid 2 van de vof-overeenkomst is daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De vordering in incident moet daarom worden afgewezen. 4.
- Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De rechtbank in het incident 5.
- wijst het gevorderde af, 5.
- compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, in de hoofdzaak 5.
- verwijst de zaak naar de rol van 26 februari 2025 voor opgave verhinderdata partijen over de maanden mei tot en met oktober
- Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 12 februari
- type: RJ