← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2025:7414

RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/336920 / HA ZA 24-551 Vonnis van 12 februari 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats 1] , eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident ex artikel 223 Rv, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. T.E.J. Devens, tegen [gedaagde] , te [woonplaats 2] , gedaagde partij in de hoofdzaak, gedaagde partij in het incident ex artikel 223 Rv, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. D.A.J. Roomberg. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, tevens houdende een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, met producties 1 t/m 12, - de conclusie van antwoord in het incident met producties 1 t/m
  2. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De relevante feiten in het incident 2.
  4. [eiser] en [gedaagde] zijn broers. Zij hebben ook een zus (hierna: [zus] ). 2.
  5. [eiser] , [gedaagde] en [zus] bezitten op persoonlijke titel alsmede via diverse vennootschappen, waaronder de besloten vennootschap [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam] ), een aantal (beleggings)panden en ondernemingen. 2.
  6. In 2022 hebben [eiser] , [gedaagde] en [zus] afspraken gemaakt over de verdeling van een deel van deze gezamenlijke bezittingen. Deze afspraken zijn neergelegd in de verdelingsovereenkomst van 2 november 2022 (productie 1 bij antwoord in het incident) en de verdelingsakte (productie 1 bij dagvaarding). Daarin is overeengekomen dat aan [gedaagde] zou toekomen de panden [adres 1] en [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] , evenals [adres 6] te [plaats 1] ; aan [eiser] zou toekomen de panden [adres 7] , [adres 8] en [adres 9] , [adres 10] en [adres 11] te [plaats 2] . 3Het geschil 3.
  7. [eiser] stelt dat partijen op 29 december 2022 een korte aanvullende overeenkomst zijn aangegaan, inhoudende (voor zover relevant): “ [gedaagde] en [eiser] zijn akkoord gegaan met de splitsing van onroerend goed onder voorwaarde dat [eiser] verzekerd is van huurinkomsten totdat zijn panden [adres 7] als ook het pand [adres 12] Verzekerd zijn van huurinkomsten. (…) De huurinkomsten die [gedaagde] krijgt van [adres 1] , [adres 2] en [adres 6] dienen gedeeld te worden. De kosten van deze panden worden ook gedeeld.” (productie 2 bij dagvaarding). Ondanks deze afspraak heeft [eiser] sinds januari 2023 geen betaling mogen ontvangen, aldus [eiser] . Om die reden vordert [eiser] dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: in de hoofdzaak voor recht verklaart dat tussen partijen is afgesproken dat [gedaagde] aan [eiser] de helft van zijn huurinkomsten (na aftrek van kosten en belasting zoals weergegeven in de berekening van de accountant) zou voldoen per januari 2023 tot aan het moment dat [eiser] uit de panden [adres 7] en [adres 12] huurinkomsten zou genereren; [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van de gemaakte afspraken per datum vonnis en [gedaagde] veroordeelt tot een maandelijkse betaling van € 7.794,16, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiser] , totdat [eiser] uit de panden [adres 7] en [adres 12] huurinkomsten genereert; [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 171.471,52, althans het resterende bedrag na aftrek van het bedrag dat bij voorlopige voorziening is toegewezen, binnen veertien dagen na het (eind)vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over de vervallen huurtermijnen (voor het eerst vanaf 1 februari 2023) en de incassokosten van € 1.614,72, althans te vermeerderen met de wettelijke rente en incassokosten in goede justitie te bepalen; [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 681,72 aan beslagkosten, [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, met inbegrip van de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim; in het incident [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van de gemaakte afspraken per datum vonnis in incident tot aan de datum zoals opgenomen in een eventuele eindveroordeling in de hoofdzaak op dit punt en [gedaagde] veroordeelt tot een maandelijkse betaling van € 7.794,16, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiser] ; [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting van (een voorschot ter hoogte van) € 171,471,52 binnen veertien dagen na dit vonnis, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag en vast te stellen periode. 3.
  8. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.
  9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  10. In artikel 223 Rv is bepaald dat tijdens een aanhangig geding iedere partij kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, mits de voorlopige voorziening samenhangt met de vordering in de hoofdzaak. Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer daarbij voldoende belang is. Dit kan bijvoorbeeld daarin bestaan dat de afloop van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Indien aan deze twee (processuele) vereisten is voldaan, dient vervolgens de gevorderde voorziening inhoudelijk te worden beoordeeld. Evenals in kort geding komt het daarbij aan op de vraag of een afweging van de belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel op dit moment rechtvaardigt, onder meer gelet op de proceskansen in de hoofdzaak. 4.
  11. Vooropgesteld wordt dat [eiser] voldoende processueel belang heeft bij de incidentele vordering. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven. Dus moet worden beoordeeld of daarnaast ook sprake is van een voldoende (dringend) belang en of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde voorziening rechtvaardigt. 4.
  12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende concreet onderbouwd dat hij op dit moment voldoende dringend belang heeft bij een voorlopige voorziening, in die zin dat van hem niet kan worden verwacht dat hij de uitkomst van de bodemzaak afwacht. [eiser] heeft daartoe enkel gesteld dat hij onmiddellijk behoefte heeft aan nakoming van de gemaakte afspraken omdat sinds de verdeling sprake is van een enorm gat in zijn inkomen en dat van hem wel verwacht wordt de huur met betrekking tot een door hem van [bedrijfsnaam] gehuurd bedrijfspand aan [bedrijfsnaam] te betalen. Dat de gestelde druk op de liquiditeit dermate groot is dat daarmee toewijzing van een voorschot op het gevorderde gerechtvaardigd is, in die zin dat [eiser] de uitkomst van de bodemzaak niet kan afwachten, is – mede gelet op het verweer van [gedaagde] op dit punt – onvoldoende gebleken. 4.
  13. Bovendien bestaat – eveneens gelet op het uitgebreide verweer aan de zijde van [gedaagde] – bij deze stand van de procedure nog veel onduidelijkheid over het bestaan en eventuele omvang van de door [eiser] gestelde vorderingen. Daar komt bij dat [gedaagde] stelt voor verrekening in aanmerking komende tegenvorderingen te hebben Een en ander dient in de hoofdzaak verder uitgezocht te worden. Daarom kan op dit moment (nog) niet met voldoende zekerheid vastgesteld worden dat in de hoofdzaak vast komt te staan dat aan [eiser] een vorderingsrecht toekomt en deze zal worden toegewezen. 4.
  14. Het voorgaande in onderling verband bezien, leidt tot de slotsom dat de vordering in het incident zal worden afgewezen. Aan een belangenafweging komt de rechtbank dan ook niet meer toe. Bij deze stand van zaken heeft [gedaagde] ook geen belang meer bij zijn verzoek tot het houden van een mondelinge behandeling in het incident. 4.
  15. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot vandaag vastgesteld op € 614,00 (1 punt van liquidatietarief II) aan salaris advocaat. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De rechtbank in het incident 5.
  16. wijst de vorderingen af, 5.
  17. veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot vandaag vastgesteld op € 614,00, 5.
  18. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.
  19. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaak 5.
  20. verstaat dat de zaak is verwezen naar de rol van woensdag 19 februari 2025 voor het nemen van de conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde] , 5.
  21. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 12 februari
  22. RJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.