← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2025:7885

RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer / rekestnummer: 11675307 AZ VERZ 25-46 Beschikking van 19 mei 2025 in de zaak van [verzoekster] , gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats 1] , verzoekende partij, tevens verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoekster] , gemachtigde: mr. R.A. van Huussen, tegen [verweerster] , wonend te [woonplaats 1] , verwerende partij, tevens verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek, hierna te noemen: [verweerster] , gemachtigde: mr. T. van Liempd, in welke zaak de volgende partij zich heeft gevoegd aan de zijde van [verzoekster] : 1 [gevoegde partij 1] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

  1. [gevoegde partij 2], wonend te [woonplaats 2] , hierna te noemen: [gevoegde partij 1] en [gevoegde partij 2] , gemachtigde: mr. E.V.C. Savelkoul. 1De procedure 1.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 10 - het verweerschrift, tevens houdend een (voorwaardelijk) tegenverzoek met bijlagen 1 tot en met 7 - het incidenteel verzoek / de incidentele conclusie tot voeging ex artikel 217 Rv met bijlagen 1 tot en met 5 - de mondelinge behandeling van 19 mei 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.
  3. Ten slotte is beschikking bepaald. 2De beoordeling 2.
  4. Tussen partijen staat vast dat [verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1967 , op 1 augustus 2013 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst is getreden bij [gevoegde partij 1] , de rechtsvoorganger van [verzoekster] , in de functie van balie assistente, voor laatstelijk 32 uur per week tegen het minimumloon. 2.
  5. [gevoegde partij 1] heeft het pand, de inventaris en het klantenbestand per 1 april 2022 verkocht aan [verzoekster] . 2.
  6. Bij vonnis van 16 oktober 2024 heeft de kantonrechter van deze rechtbank geoordeeld dat per 1 april 2022 sprake is van een overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 BW, zodat de rechten en verplichtingen uit voormelde arbeidsovereenkomst zijn overgegaan op [verzoekster] . 2.
  7. [verzoekster] verzoekt de tussen haar en [verweerster] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van art. 7:671b lid 1 onderdeel a BW in verbinding met art. 7:669 lid 3 onderdeel g BW, onder toekenning van een beëindigingsvergoeding. 2.
  8. Aan het verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat de arbeidsrelatie zodanig is verstoord dat van een vruchtbare samenwerking geen sprake meer kan zijn. Herplaatsing van [verweerster] is niet mogelijk (gebleken). 2.
  9. [verweerster] heeft tegen toewijzing van het thans aan de kantonrechter gerichte verzoek tot ontbinding verweer gevoerd. Niettemin heeft zij de reden zoals deze door [verzoekster] gesteld is, erkend. 2.
  10. De kantonrechter is van oordeel dat - zonder dat partijen elkaar daarvan een verwijt maken - er sprake is van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in art. 7:671b lid 1 onderdeel a BW in verbinding met art. 7:669 lid 3 onderdeel g BW, en er geen mogelijkheid tot herplaatsing van [verweerster] is. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst dan ook ontbinden. Weliswaar is [verweerster] arbeidsongeschikt, maar niet gebleken is dat het verzoek van [verzoekster] verband houdt met die arbeidsongeschiktheid of enig ander bijzonder opzegverbod. 2.
  11. Gelet op hetgeen partijen hierover hebben aangevoerd, zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden met ingang van 1 september
  12. 2.
  13. Partijen zijn het erover eens dat [verweerster] recht heeft op een beëindigingsvergoeding van € 10.000,00 bruto en dat [gevoegde partij 1] dit namens [verzoekster] aan [verweerster] zal betalen. [gevoegde partij 1] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding. 2.
  14. De kantonrechter acht termen aanwezig de proceskosten te compenseren in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  15. ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2025, 3.
  16. veroordeelt [gevoegde partij 1] om aan [verweerster] een beëindigingsvergoeding te betalen van € 10.000,00 bruto, 3.
  17. compenseert de kosten van deze procedure in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 19 mei
  18. CJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.