RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: C/03/332914 / HA ZA 24-326 Vonnis van 27 augustus 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaatsnaam] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. R.A.F. Willems, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [plaatsnaam] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, 2. [gedaagde sub 2], wonende te [plaatsnaam] , gedaagde, hierna samen te noemen: [gedaagden] en afzonderlijk aan te duiden als: “ [gedaagde sub 1] ” en “ [gedaagde sub 2] ”, advocaat: mr. H.H.T. Beukers. 1Inleiding 1.1. [gedaagde sub 2] (hierna: erflater) is overleden in 2017. [gedaagden] zijn de (enige) zonen en erfgenamen van erflater. [eiser] was ten tijde van het overlijden van erflater diens partner. Erflater was ten tijde van zijn overlijden eigenaar van het landgoed “ [landgoed] ” in [plaatsnaam] . [gedaagde sub 1] is op dit moment op grond van het testament van erflater en een met [gedaagde sub 2] gesloten overeenkomst enig eigenaar van (de percelen die onderdeel uitmaken van) het landgoed. Erflater heeft in zijn testament aan [eiser] een legaat toegekend dat onder andere het recht van bewoning en gebruik van het landgoed inhoudt. [eiser] en [gedaagde sub 1] wonen momenteel beiden op het landgoed. Partijen hebben al meerdere procedures met elkaar gevoerd omtrent de afwikkeling van de nalatenschap en de rechten die zij met betrekking tot het landgoed hebben. Partijen hebben in deze procedure over en weer diverse geschilpunten aan de rechtbank voorgelegd die allen direct dan wel indirect verband houden met de rechten en verplichtingen die partijen uit hoofde van erfopvolging hebben met betrekking tot het landgoed. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 8 januari 2025 waarin een plaatsopneming en bezichtiging ter plaatse met aansluitend een mondelinge behandeling is bevolen, - de akte overlegging producties van [eiser] , - de akte overlegging producties van [gedaagden] , - het proces-verbaal van descente met aansluitend gehouden mondelinge behandeling van 11 maart 2025 en de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] en [gedaagden] , - de brief van 14 april 2025 van [gedaagden] , - de akte uitlating na mondelinge behandeling van [eiser] , - de akte uitlating van [gedaagden] . 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten Landgoed “ [landgoed] ” te [plaatsnaam] 3.1. Het landgoed “ [landgoed] ” te [plaatsnaam] (hierna: het landgoed) bestaat uit meerdere kadastrale percelen, waaronder de percelen kadastraal bekend als [plaatsnaam] [perceelnummer 5] , [perceelnummer 4] , [perceelnummer 7] en [perceelnummer 3] . Erflater was op het moment van zijn overlijden op [overlijdensdatum] 2017 eigenaar van het landgoed, met uitzondering van het [perceelnummer 3] . Dit laatste perceel was ten tijde van het overlijden van erflater eigendom van [gedaagde sub 1] . 3.2. [eiser] was ten tijde van het overlijden van erflater diens partner. 3.3. [eiser] en [gedaagde sub 1] wonen beiden op het landgoed. Zij wonen in tegenover elkaar gelegen woningen. [eiser] bewoont het hoofdgebouw van het landgoed dat is gelegen op [perceelnummer 4] (voorheen [perceelnummer 8] ), plaatselijk bekend als [adres 1] . [gedaagde sub 1] bewoont de hoeve die is gelegen op [perceelnummer 3] , plaatselijk bekend als [adres 2] . Tussen de woningen ligt een binnenplaats die via een gezamenlijke poort kan worden bereikt. De binnenplaats ligt gedeeltelijk op [perceelnummer 3] en gedeeltelijk op [perceelnummer 4] . Achter zijn hoeve heeft [gedaagde sub 1] een privé-tuin, die is afgescheiden van de rest van het landgoed. Een deel van deze afgescheiden tuin bevindt zich op [perceelnummer 4] . 3.4. Vanaf de [straatnaam 1] loopt de oprijlaan naar het hoofdgebouw en de hoeve eerst in noordelijke richting, waarna deze na een paar honderd meter met een haakse bocht in westelijke richting afbuigt richting het hoofdgebouw en de hoeve. Waar de oprijlaan naar het westen afbuigt, loopt een pad rechtdoor in het verlengde van de oprijlaan. Dit pad is na een aantal meters afgesloten door een ijzeren hek (proces-verbaal, foto 12). Dit hek zal hierna worden aangeduid als: ‘het Hek’. 3.5. Het hoofdgebouw en de hoeve zijn aan de westelijke zijde door stallen dan wel schuren met elkaar verbonden. De begane grond van de schuur aan de westelijke zijde die direct grenst aan de hoeve van [gedaagde sub 1] werd in de jaren voorafgaande aan het overlijden van erflater door [gedaagde sub 1] gebruikt als opslag- en verkoopruimte voor fruit. Deze ruimte heeft een eigen kadastraal nummer, te weten [perceelnummer 7] . Boven deze ruimte bevindt zich nog een opslagruimte die thans slechts bereikbaar is met een trap vanuit de ruimte die [gedaagde sub 1] in gebruik heeft. Deze ruimte op de eerste verdieping zal hierna worden aangeduid als: ‘de Bovenruimte’. Het testament van erflater 3.6. Erflater heeft op 5 april 2006 via een uiterste wilsbeschikking (hierna: het testament) over zijn nalatenschap beschikt. In het testament heeft erflater onder de last van de in het testament opgenomen legaten de wettelijke erfopvolging geregeld. [gedaagden] zijn tot enige erfgenamen benoemd. - legaat “A” 3.6.1. In het testament is aan [eiser] in artikel IV onder A een legaat toegekend dat onder meer inhoudt de beperkte rechten van gebruik en bewoning van de woning plus gronden van het landgoed (hierna: Legaat A). - legaat “B” 3.6.2. Aan [gedaagde sub 1] is in artikel IV onder B in het testament een legaat toegekend dat onder meer inhoudt af te geven aan [gedaagde sub 1] het registergoed voor zover het bestaat uit: - opslagruimte voor fruit; - verkoopruimte (aan erfgenamen genoegzaam bekend) en zoals schetsmatig is aangegeven met enkelvoudige arcering op de aan het testament te hechten situatietekening (hierna: Legaat B). - beheer 3.6.3. In het testament is in bepaling IV, sub A onder 6 het volgende opgenomen: “
- d)gebruikster is bevoegd tot alle handelingen die tot een goed beheer van de woning dienstig kunnen zijn; tot alle overige handelingen zijn gebruikster en de eigenaren slechts tezamen bevoegd;” Procedures over de omvang van Legaat A 3.7. Over de omvang van Legaat A hebben partijen procedures gevoerd, eerst bij deze rechtbank en later in hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof). [eiser] stelde zich in die procedures op het standpunt dat het gelegateerde recht van gebruik en bewoning betrekking heeft op (vrijwel) alle tot het landgoed behorende gronden. [gedaagden] betoogde dat het uitsluitend betrof de op het landgoed gelegen woning met gronden gelegen binnen de grachten alsmede de grachten zelf. - het eindvonnis van de rechtbank van 21 juli 2021 3.7.1. Bij eindvonnis van 21 juli 2021 heeft deze rechtbank geoordeeld dat het gebruik en bewoning uitsluitend ziet op de op het landgoed gelegen woning met gronden die zijn gelegen binnen de grachten en de grachten zelf. Daarbij is [eiser] veroordeeld het gebruik van de overige delen van het landgoed te staken. - het eindarrest van het hof van 25 april 2023 met zaaknummer 200.300.655/01 3.7.2. Bij eindarrest van 25 april 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:1302; hierna te noemen: arrest I) heeft het hof geoordeeld dat het aan [eiser] gelegateerde recht van gebruik en bewoning ziet op alle tot het landgoed behorende gronden met bebouwing. Het gerechtshof heeft [gedaagden] in dat arrest veroordeeld: “tot ongedaanmaking van hetgeen naar aanleiding van het eindvonnis door [gedaagden] c.s. is ondernomen, inhoudende het na het eindvonnis van 21 juli 2021 in gebruik genomen gedeelte van het landgoed in de staat per 1 september 2021 wederom ter vrije beschikking van [eiser] te stellen.” 3.7.3. In dit verband had het hof in nummer 3.20 van het arrest overwogen: “Het gedeelte van het landgoed dat [gedaagden] c.s. na het eindvonnis in gebruik heeft genomen zal zodoende weer aan [eiser] vrijelijk ter beschikking moeten worden gesteld in de staat waarin zich dat op 21 september 2021 bevond, dus zonder de aangebrachte sloten op de poorten, zoals onweersproken door [eiser] is aangevoerd.” - het eindarrest van het hof van 25 april 2023 met zaaknummer 200.301.080/01 3.8. Op 25 april 2023 heeft het hof ook een eindarrest gewezen in een andere procedure tussen partijen met zaaknummer 200.301.080/01 (ECLI:NL:GHSHE:2023:1303; hierna aan te duiden als: arrest II). In r.o. 3.62 van dit arrest heeft het hof geoordeeld dat op grond van onderdeel A6 sub e van het testament onder meer de kosten voor herstel van de cv-ketel in het door [eiser] bewoonde hoofdgebouw voor rekening van [gedaagden] komen. Sommatiebrief van 25 mei 2023 3.9. Bij brief van 25 mei 2023 heeft [eiser] [gedaagden] gesommeerd tot: herstel van het landgoed in de staat per 1 september 2021; vergoeding van de kosten voor het herstel van de cv-ketel; het ontruimen van de Bovenruimte. Verdelingsakte [gedaagden] 3.10. hebben als erfgenamen onderling (verdelings)afspraken gemaakt. [gedaagde sub 2] heeft zijn aandeel in de nalatenschap overgedragen aan [gedaagde sub 1] . Op 12 januari 2024 is de verdelingsakte verleden. 4Het geschil in conventie 4.1. [eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagden] althans [gedaagde sub 1] , gebiedt het landgoed terug te brengen in de staat per 1 september 2021 en wederom ter vrije beschikking van [eiser] te stellen, meer specifiek door [gedaagden] , althans [gedaagde sub 1] te gebieden op de op de als productie 20 bij dagvaarding overgelegde kadastrale kaart bij benadering weergegeven locaties (waarbij telkens het begin van de oprijlaan als referentiepunt wordt gehanteerd): i. binnen drie maanden na dagtekening van het vonnis terug te (laten) planten de volgende, volwassen bomen: a. 208 ‘Fagus sylvatica’ (beuken), links van de oprijlaan, bezien vanaf de ingang van de oprijlaan ( [perceelnummer 4] ); b. 8 ‘Querus Robur’ (eiken), aan de linkerkant van de [straatnaam 2] , bezien vanaf de ingang van de oprijlaan ( [perceelnummer 4] ); c. 86 ‘Cupressocyparis leylandii’ (coniferen), rechts van de oprijlaan, bezien vanaf de ingang van de oprijlaan ( [perceelnummer 5] ), en links aan het begin van de oprijlaan ( [perceelnummer 4] ); d. 84 ‘Prunus laurocerasus ‘Caucasica’ (laurierbomen), rechts van de oprijlaan, bezien vanaf de ingang van de oprijlaan ( [perceelnummer 5] ), en links van de oprijlaan, bezien vanaf de ingang van de oprijlaan ( [perceelnummer 4] ); e. 5 ‘Ulmus Columella’ (iepen), rechts in de hoek van [perceelnummer 4] , bezien vanaf de ingang van de oprijlaan; f. 5 ‘Alnus glutinosa’ (elzen), rechts in de hoek van [perceelnummer 4] , bezien vanaf de ingang van de oprijlaan; g. 8 ‘Pseudotsuga’ (sparren), rechts van de [straatnaam 1] , bezien vanaf de ingang van de oprijlaan ( [perceelnummer 6] ); ii. binnen vier weken na dagtekening van het vonnis terug te (laten) plaatsen: h. 2 zwerfkeien, rechts van de oprijlaan, bezien vanaf de ingang van de oprijlaan ( [perceelnummer 4] ); i. 6 varkensruggen, rechts van de [straatnaam 1] , bezien vanaf de ingang van de oprijlaan ( [perceelnummer 6] ); j. een reclamebord, tegenover de afrit van de N280 ( [perceelnummer 6] ), met alleen de reclame van Stox; zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag voor iedere dag, of een gedeelte daarvan, dat [gedaagden] , althans [gedaagde sub 1] in gebreke blijft aan dit gebod te voldoen; II. a. verklaart voor recht dat de Bovenruimte onderdeel uitmaakt van [perceelnummer 4] en derhalve valt onder Legaat A; II. b. [gedaagde sub 1] op straffe van een dwangsom veroordeelt de Bovenruimte binnen vier weken na dagtekening van het vonnis te (doen) verlaten, te ontruimen en ontruimd te houden, en leeg en in goede en de oorspronkelijke staat op te leveren en ter vrije beschikking te stellen van [eiser] op zodanige wijze dat alleen [eiser] via de belendende ruimte toegang heeft tot de Bovenruimte; III. a. [gedaagde sub 1] op straffe van een dwangsom verbiedt door [eiser] op het Hek aangebrachte sloten en kettingen te verwijderen; III. b. [gedaagde sub 1] op straffe van een dwangsom veroordeelt tot teruggave aan [eiser] van tien sloten, zoals weergegeven op de bij dagvaarding als productie 29 tot en met 31 overgelegde foto’s; IV. [gedaagde sub 1] op straffe van een dwangsom veroordeelt om de Tuin te ontruimen en ontruimd te houden, en leeg en in goede staat op te leveren en ter vrije beschikking te stellen van [eiser] ; V. verklaart voor recht dat [eiser] ingevolge haar recht van gebruik en recht van bewoning gerechtigd is naar eigen inzicht en oordeel zieke en dode bomen te (laten) kappen, en gerechtigd is tot de vruchten van deze kap; VI. [gedaagden] hoofdelijk althans [gedaagde sub 1] veroordeelt tot betaling van de cv-onderhoudskosten ad € 574,98, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de betaaldata van de vijf bedragen; VII. [gedaagden] hoofdelijk, althans [gedaagde sub 1] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 925,- te vermeerderen met wettelijke rente; VIII. [gedaagden] hoofdelijk althans [gedaagde sub 1] veroordeelt in de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente. in reconventie 4.2. [gedaagde sub 1] vordert in reconventie dat de rechtbank voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: [eiser] op straffe van een dwangsom verbiedt om sloten aan te brengen op poorten en hekken op het landgoed, in ieder geval de poort op de laan, dan wel [gedaagde sub 1] op enige andere wijze de toegang tot delen van het landgoed (anders dan de woning van [eiser] ) te belemmeren; [eiser] op straffe van een dwangsom gebiedt om binnen twee maanden na betekening van het vonnis op deugdelijke wijze schilderwerk uit te (laten) voeren aan haar woning ( [adres 3] te [plaatsnaam] ) specifiek aan alle houten delen van de woning, zowel binnen als buiten, die sinds het overlijden van erflater op [overlijdensdatum] 2017 niet zijn geschilderd, waaronder in ieder geval alle houten kozijnen, houten ramen, raamvleugels en houten gevelluiken; verklaart voor recht dat [eiser] , bij helfte náást [gedaagde sub 1] , is gehouden om bij te dragen in (de kosten van) het reguliere onderhoud van alle bij haar in gebruik zijnde percelen van het landgoed, waaronder het bosbeheer, veldbeheer en onderhoud van bomen, struiken en onderhoudspaden van het Waterschap; [eiser] op straffe van een dwangsom gebiedt tot verwijdering van alle door haar c.q. in haar opdracht aan/bij de woning aangebrachte overkapping en hondenren(nen); [eiser] op straffe van een dwangsom gebiedt tot verwijdering van primair het door haar c.q. in haar opdracht bij de woning aangebrachte hekwerk en subsidiair de op het hekwerk aangebrachte plastic stroken en begroeiing; [eiser] op straffe van een dwangsom verbiedt om op het landgoed en bij haar woning een hondenkennel te exploiteren, honden te fokken en hondentrainingen te organiseren c.q. toe te laten; [eiser] op straffe van een dwangsom gebiedt om alle door haar in of rondom de woning geplaatste camera’s, waaronder als onderdeel van een deurbel, binnen één week na betekening van het vonnis te verwijderen en verwijderd te houden voor zover deze, al dan niet deels, zijn gericht op de woning van [gedaagde sub 1] , de bestrating binnen een straal van 20 meter vanaf de woning (waaronder de binnenplaats) en op de toegangslaan; [eiser] op straffe van een dwangsom verbiedt om beeld- en geluidsopnames van [gedaagde sub 1] , zijn gezin en zijn woning en erf te maken of laten maken; [eiser] op straffe van een dwangsom gebiedt om binnen 48 uren na betekening van het vonnis al het door haar rondom haar woning gemaakte beeldmateriaal (foto’s en video’
- s)waarop [gedaagde sub 1] , zijn gezinsleden, zijn gasten en zijn woning zijn te zien te verwijderen en verwijderd te houden; [eiser] veroordeelt in de proceskosten in reconventie. in conventie en in reconventie 4.3. Partijen voeren over en weer verweer. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling In conventie 5.1. [gedaagden] hebben gesteld dat in verband met de overdracht door [gedaagde sub 2] van zijn aandeel in de nalatenschap aan [gedaagde sub 1] per 12 januari 2024, vanaf dat moment alle baten en lasten van het landgoed voor rekening van [gedaagde sub 1] zijn. [gedaagde sub 1] heeft [gedaagde sub 2] gevrijwaard voor alle aanspraken van derden ten aanzien van het landgoed. [gedaagden] hebben aan deze stelling geen procesrechtelijke gevolgen verbonden. Voor de beoordeling van tegen [gedaagde sub 2] ingestelde vorderingen betekent dit het volgende. 5.2. Van de door [eiser] ingestelde vorderingen zijn alleen de vorderingen onder I, VI, VII en VIII tegen [gedaagden] , en dus mede tegen [gedaagde sub 2] , ingesteld. De vordering onder I kan alleen worden nagekomen door degene die thans het (mede-)eigendomsrecht ten aanzien van het landgoed heeft. Nu [gedaagde sub 2] niet langer mede-eigenaar is en deze vordering niet kan nakomen, dient deze vordering ten aanzien van [gedaagde sub 2] reeds om die reden te worden afgewezen. Ten aanzien van de vorderingen onder VI tot en met VIII geldt dat deze ook na de overdracht van diens aandeel door [gedaagde sub 2] aan [gedaagde sub 1] door [gedaagde sub 2] kunnen worden nagekomen. Dat [gedaagde sub 1] in hun onderlinge verhouding [gedaagde sub 2] heeft gevrijwaard voor deze vorderingen, doet daaraan niet af. De beoordeling van die vorderingen betreft dus ook [gedaagde sub 2] . In conventie en in reconventie 5.1. Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie allen betrekking hebben op het gebruik van het landgoed, zal de rechtbank deze vorderingen hierna gezamenlijk bespreken. Daarbij bestaat er aanleiding om, alvorens de vorderingen te bespreken, eerst een aantal algemene overwegingen op te nemen die relevant zijn voor de beoordeling van meerdere onderdelen van het geschil. Algemene overwegingen A. Beheer van het landgoed in de zin van het testament 5.2. Partijen verschillen van mening omtrent de vraag welke bevoegdheden zij ieder hebben ten aanzien van het beheer van het landgoed. In het testament - onderdeel IV onder A, lid 6 sub d - is omtrent het beheer bepaald dat [eiser] bevoegd is tot “alle handelingen die tot een goed beheer van de woning (onderstreping rechtbank) dienstig kunnen zijn”. Voorts is in de bepaling geregeld dat de eigenaren van het landgoed (thans uitsluitend [gedaagde sub 1] ) en gebruikster “slechts tezamen bevoegd” zijn “tot alle overige handelingen”. 5.3. Door partijen is niet gesteld (en evenmin is de rechtbank gebleken) dat het hof in één van de eerdere procedures een beslissing heeft genomen (die inmiddels gezag van gewijsde tussen partijen zou hebben verkregen) omtrent de uitleg van de hier aan de orde zijnde bepaling uit het testament. De beslissing van het hof (arrest II, nummer 3.52) omtrent de bevoegdheid tot het snoeien van een esdoorn door [eiser] is in dit verband niet van belang, omdat die gezien de motivering niet is gegrond op een uitleg van de hier aan de orde zijnde bepaling uit het testament. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat een dergelijke beslissing (met gezag van gewijsde) niet is genomen. 5.4. Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van de uiterste wil bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. 5.5. De rechtbank is van oordeel dat uitleg van het testament op dit punt allereerst meebrengt dat voornoemde bepaling op grond waarvan [eiser] bevoegd is tot alle handelingen die tot een goed beheer van de woning dienstig kunnen zijn, óók betrekking heeft op de tot die woning behorende afgebakende (privé)tuin van [eiser] . 5.6. Waar het bij de uitleg van de bepaling om gaat is of met de toevoeging dat gebruikster en de eigenaren slechts tezamen bevoegd zijn tot alle overige handelingen, wordt bedoeld: - alle overige handelingen met betrekking tot de woning (met de bijbehorende privétuin) die verder strekken dan een goed beheer dan wel, - alle overige handelingen met betrekking tot het gehele landgoed. 5.7. Bij die uitleg is allereerst van belang dat het hof in r.o. 3.11 in arrest I heeft geoordeeld dat het ten behoeve van [eiser] gemaakte legaat tot het recht van gebruik en bewoning het gehele landgoed omvat. Aan dat oordeel heeft het hof onder meer in r.o. 3.9.4. ten grondslag gelegd dat tussen partijen vaststaat dat de gronden buiten de grachten door erflater en [eiser] gezamenlijk werden beheerd en gebruikt. Volgens het hof heeft erflater in het testament voortzetting van deze verhouding willen regelen. Blijkens deze uitleg wilde erflater met toekenning van het recht van gebruik en bewoning van woning met gronden mede regelen dat [eiser] een rol zou behouden bij het beheer van het landgoed. Nu in het testament nergens anders is bepaald op welke wijze het beheer door [eiser] als gebruikster enerzijds en de erfgenamen als eigenaren anderzijds moet worden uitgeoefend en welke bevoegdheden zij ieder in dit opzicht hebben, is de rechtbank van oordeel dat erflater met de toevoeging dat de eigenaren van het landgoed en gebruikster slechts tezamen bevoegd zijn tot alle overige handelingen, mede de rechtsverhouding tussen gebruikster en eigenaar ten aanzien van het beheer van de het gehele landgoed heeft beoogd te regelen. 5.8. Dat betekent dus dat uit het testament volgt dat [eiser] als gebruikster en [gedaagde sub 1] als eigenaar van het landgoed samen het beheer moeten voeren, voor zover die gronden niet behoren tot de bij de woning van [eiser] gelegen privétuin. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] en erflater het beheer van die overige gronden - die voornamelijk bestaan uit bos - in het verleden nimmer hebben uitbesteed aan derden, maar altijd zelf hebben verricht, met eventueel inschakeling van derden die onder hun toezicht meehielpen bij de werkzaamheden. Daaruit volgt dat [gedaagde sub 1] , als erfopvolger van erflater, ook het recht heeft om dat beheer zelf (in overleg met [eiser] ) uit te voeren. Om dat beheer te kunnen uitvoeren, is naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat [gedaagde sub 1] onbelemmerd toegang heeft tot de overige gronden behorend bij het landgoed (niet zijnde de privétuin van [eiser] ). B. De vraag of het gebruiksrecht van [eiser] betreffende het landgoed exclusief van aard is 5.9. Het gerechtshof heeft in arrest I (r.o. 3.6.1. – 3.12.) geoordeeld dat het recht van gebruik en bewoning als bedoeld in Legaat A ziet op alle tot het landgoed behorende gronden met bebouwing. Tussen partijen is in geschil of dat recht van gebruik exclusief van aard is en dus alleen aan [eiser] toekomt. [gedaagde sub 1] stelt dat hij naast [eiser] recht heeft op gebruik van de bij het landgoed behorende gronden omdat het gebruiksrecht dat [eiser] toekomt uit hoofde van Legaat A niet exclusief is (bedoeld). [eiser] stelt dat het aan haar bij legaat toegekende recht van gebruik wél exclusief is. 5.10. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt. Tussen partijen staat blijkens het partijdebat vast dat [gedaagde sub 1] en zijn gezin vóór het overlijden van erflater altijd - zonder beperking - toegang hebben gehad tot de gronden behorend tot het landgoed en ook altijd feitelijk gebruik hebben gemaakt van die gronden. Erflater heeft in die zin een door [gedaagde sub 1] gemaakte inbreuk op zijn eigendomsrechten altijd getolereerd. In die periode woonde [eiser] ook al (samen met erflater) op het landgoed. Ook [eiser] heeft dat gebruik door [gedaagde sub 1] en zijn gezin in die tijd geduld, althans moeten dulden. Uit het testament van erflater blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat erflater heeft beoogd om ten behoeve van [eiser] een exclusief gebruiksrecht te vestigen, waardoor aan het feitelijk gebruik van de gronden door [gedaagde sub 1] en zijn gezin een einde zou worden gemaakt in weerwil van het feit dat [gedaagde sub 1] door het testament eigenaar van het landgoed is geworden. Uitleg van het testament brengt daarom mee dat [gedaagde sub 1] en zijn gezin, naast [eiser] , recht hebben op gebruik van de tot het landgoed behorende gronden. De rechtbank overweegt dat overigens niet in geschil is dat dit voorgaande niet geldt voor de woning met de eigen afgebakende tuin van [eiser] , waarvan [eiser] (wel) het exclusieve gebruiksrecht toekomt. C. Draagplicht betreffende de kosten in de zin van het testament 5.11. Tussen partijen is in geschil wie de kosten moet dragen voor het beheer en onderhoud van enerzijds de woning en anderzijds de overige gronden die deel uitmaken van het landgoed. De rechtbank stelt vast dat de bepaling IV onder A, lid 6, sub e in het testament de enige bepaling is die betrekking heeft op de draagplicht van kosten. Deze bepaling luidt als volgt: “voor de duur van de uitoefening van de rechten van gebruik en bewoning zijn alle zakelijke lasten welke van de woning geheven worden, benevens alle voor die woning verschuldigde verzekeringspremiën, geen uitgezonderd, en verder alle onderhouds- en reparatiekosten, waarmede wordt bedoeld de grove onderhouds- en reparatiekosten, eveneens geen uitgezonderd, geheel en uitsluitend ten laste en voor rekening van de eigenaren;” 5.12. Hieruit volgt dat onder meer de grove onderhouds- en reparatiekosten ten behoeve van de woning voor rekening van de eigenaren komen (thans [gedaagde sub 1] ). [eiser] hoeft hierin niet bij te dragen. De kosten van regulier onderhoud van de woning komen voor rekening van [eiser] . 5.13. Volgens [gedaagde sub 1] heeft de zinsnede dat ‘verder alle onderhouds- en reparatiekosten’ ook voor de eigenaar zijn, slechts betrekking op kosten ten behoeve van de woning. Hiermee is niet bedoeld dat [gedaagde sub 1] als eigenaar de kosten voor het beheer en onderhoud van de overige gronden volledig moet dragen. Volgens [eiser] komen laatstbedoelde kosten uitsluitend voor rekening van [gedaagde sub 1] als eigenaar. 5.14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft voornoemde bepaling in zijn geheel slechts betrekking op kosten die verband houden met de woning en niet ook op de bij het landgoed behorende gronden. De term “reparatiekosten” - welke kosten in het testament in één term worden genoemd samen met “onderhoudskosten” - kan naar haar aard geen betrekking hebben op de gronden behorend bij het landgoed omdat zich daarop geen voor reparatie vatbare goederen bevinden. 5.15. Het testament bepaalt dus dat de grove onderhouds- en reparatiekosten betreffende de woning exclusief door ( [gedaagde sub 1] als) de eigenaar worden gedragen. Het testament bepaalt daarmee niet expliciet wie ten aanzien van de overige gronden de kosten van beheer en onderhoud moet dragen. Partijen twisten daarover. Volgens [gedaagden] moet [eiser] 50% betalen van de onderhoudskosten met betrekking tot de overige tot het landgoed behorende gronden waarvan [eiser] het gebruiksrecht heeft. [eiser] voert aan dat [gedaagden] die kosten als eigenaar moet dragen. Nu partijen hierover twisten en het testament hierover geen eenduidige bepaling bevat, is uitleg van het testament op dit punt nodig. 5.16. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat partijen ieder bevoegd zijn tot het gebruik van het landgoed en dat zij samen het beheer hierover moeten uitvoeren. Anders dan met betrekking tot de woning is in het testament niet expliciet bepaald dat de eigenaar van het landgoed die kosten alleen moet dragen. Naar het oordeel van de rechtbank brengt uitleg van het testament in dit geval mee dat de bepalingen dat (
- i)het recht van gebruik en bewoning het gehele landgoed betreft en dat (
- ii)het beheer van het landgoed gezamenlijk dient te worden verricht, impliceren dat ook de kosten van dit beheer (waarbij er door de erflater vanuit is gegaan dat dit beheer conform het vroegere gebruik door partijen zelf wordt verricht) door beide partijen gezamenlijk worden gedragen. De vorderingen in conventie en in reconventie 5.17. De rechtbank zal hieronder overgaan tot een bespreking van de vorderingen in conventie en in reconventie. Omdat de vordering onder III in conventie en de vordering onder 1 in reconventie (deels) beiden betrekking hebben op het Hek, worden deze gezamenlijk beoordeeld. Voor de overige vorderingen geldt dat eerst puntsgewijs de vorderingen in conventie worden beoordeeld en daarna puntsgewijs de vorderingen in reconventie. Vorderingen onder I in conventie: herstel landgoed in de staat per 1 september 2021 5.18. Onder I vordert [eiser] , samengevat, herstel van het landgoed in de staat waarin zich dat volgens [eiser] per 1 september 2021 bevond door: 404 volwassen bomen (terug) te laten planten (vordering I, onder i sub a t/m g): - het terug laten plaatsen van: * 2 zwerfkeien (vordering I, onder ii, sub
- h)* 6 varkensruggen (vordering I, onder ii, sub
- i)* een reclamebord van “Stox” (vordering I, onder ii, sub j). - het standpunt van [eiser] 5.19. Ter onderbouwing van deze vorderingen voert [eiser] kort samengevat het volgende aan. Na het eindvonnis van de rechtbank van 21 juli 2021 heeft [gedaagden] diverse activiteiten ondernomen die op grond van arrest I ongedaan gemaakt moeten worden. Zo heeft [gedaagden] onder meer 404 volwassen bomen gekapt, zwerfkeien, varkensruggen en een reclamebord verwijderd. Bij onder meer brief van 28 maart 2024 is [gedaagden] gesommeerd het landgoed terug te brengen in de staat per 1 september 2021. Aan die sommatie is geen gehoor gegeven. - het standpunt van [gedaagden] 5.20. voert aan dat deze vorderingen (enkel) zijn gegrond op de veroordeling tot ongedaanmaking in arrest I. De veroordeling tot ‘ongedaanmaking’ behelst niet de aanplant van nieuwe bomen en planten. Het dictum van het arrest moet worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot die beslissing hebben geleid. Volgens [gedaagden] kan die ongedaanmakingsverplichting niet breder worden uitgelegd dan (enkel) de ter beschikkingstelling van (delen van) het landgoed aan [eiser] , zonder dat sloten zijn aangebracht op de poorten. Van het verwijderen van bomen naar aanleiding van het vonnis is bovendien geen sprake geweest, zodat ook om die reden de vorderingen moeten worden afgewezen. Hierbij komt dat het ongedaan maken van de kap van bomen onmogelijk is. - oordeel van de rechtbank 5.21. Bij de beoordeling van dit onderdeel van de vordering staat voorop dat [eiser] haar vordering uitsluitend baseert op arrest I en daar geen andere rechtsgronden dan wel feiten en omstandigheden aan ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank hoeft dus slechts te beoordelen of de vernietiging van het vonnis in arrest I dan wel de in dat arrest uitgesproken veroordeling meebrengt dat [gedaagden] door [gedaagde sub 1] aan de vordering tot herplanting dan wel terugplaatsing van de diverse zaken moeten voldoen. Op dit punt geldt het volgende. - terugplanten van 404 volwassen bomen (vordering I onder i sub a t/m
- g)5.22. Het hof heeft in arrest I het vonnis van 21 juli 2021 vernietigd en heeft [gedaagden] in het dictum veroordeeld tot “ongedaanmaking van hetgeen naar aanleiding van het eindvonnis door [gedaagden] c.s. is ondernomen, inhoudende het na het eindvonnis van 21 juli 2021 in gebruik genomen gedeelte van het landgoed in de staat per 1 september 2021 wederom ter vrije beschikking van [eiser] te stellen.” 5.23. In geval van vernietiging in hoger beroep van een vonnis ontvalt de rechtsgrond aan datgene dat door de in eerste aanleg veroordeelde partij al ter uitvoering van dit vonnis is verricht. Op de voet van art. 6:203 BW ontstaat dan ten behoeve van die partij een vordering tot ongedaanmaking van deze prestatie. Indien dit is gevorderd, kan het hof in zijn arrest de partij die in hoger beroep verliest, veroordelen om de prestatie die op grond van het vernietigde vonnis ten onrechte is afgedwongen, ongedaan te maken. Dit is in onderhavig geval echter niet aan de orde, nu de kap van bomen niet een prestatie is die door [eiser] in het kader van de executie van het vonnis jegens [gedaagden] is verricht. De kap van bomen is door [gedaagde sub 1] verricht, omdat hij zich daartoe op basis van het voor hem gunstige vonnis in eerste aanleg bevoegd achtte. Voor zover [eiser] aan haar vordering ten grondslag heeft willen leggen dat de vernietiging van het vonnis zonder meer meebrengt dat zij op grond van artikel 6:203 BW een vordering tot ongedaanmaking heeft van deze feitelijke handeling, kan dat niet tot toewijzing van de vordering leiden. 5.24. De vraag is dan of uit de veroordeling in het dictum van arrest I tot ongedaanmaking van hetgeen naar aanleiding van het eindvonnis door [gedaagden] c.s. is ondernomen en om het landgoed in de staat per 1 september 2021 wederom ter vrije beschikking van [eiser] te stellen, voor [gedaagden] een verplichting volgt om over te gaan tot de heraanplant van bomen en struiken. Zoals door [gedaagden] terecht is gesteld, moet dit dictum worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot die beslissing hebben geleid (HR 10 juni 2022; ECLI:NL:HR: 2022:854, r.o. 4.1.2.). De veroordeling van het hof bouwt voort op rechtsoverweging 3.20 in het arrest. Hierin heeft het hof geoordeeld dat het landgoed aan [eiser] ter beschikking moet worden gesteld in de staat waarin zich dit bevond op 21 september 2021, dus zonder de aangebrachte sloten op de poorten. In deze overweging, noch in enige andere overweging in het arrest, wordt gesproken over de verwijdering van bomen en struiken na het wijzen van het vernietigde vonnis dan wel over een verplichting tot heraanplant. In dit licht moet worden geoordeeld dat in de veroordeling om het landgoed ter beschikking te stellen in de staat waarin zich dit bevond op 21 september 2021, niet ligt besloten dat [gedaagde sub 1] moet overgaan tot heraanplant van de na het vonnis verwijderde bomen en struiken. Daar komt bij dat naar het oordeel van de rechtbank de kap van bomen naar haar aard niet ongedaan gemaakt kan worden. Met herplanting, zoals gevorderd, wordt immers de kap zelf niet ongedaan gemaakt, maar wordt hooguit het perceel zoveel mogelijk teruggebracht in de toestand waarin het zich voor de kap bevond. [gedaagden] stelt terecht dat, indien de ongedaanmaking onmogelijk is geworden, de daartoe strekkende vordering niet kan worden toegewezen (HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017: 1263). Ook om die reden kan de veroordeling van het hof niet aldus worden uitgelegd dat daarin ligt besloten dat [gedaagde sub 1] moet overgaan tot heraanplant. Ook op deze grond kan de vordering tot heraanplant dus niet worden toegewezen. 5.25. Dit alles leidt ertoe dat de vordering I onder i, sub a t/m g wordt afgewezen. - terugplaatsen van 2 zwerfkeien (vordering I, onder ii sub
- h)5.26. Tijdens de descente is nader toegelicht dat deze vordering de zwerfkeien betreft die liggen aan de rechterzijde van de oprijlaan (gezien in de richting van het hoofdgebouw) langs de erfgrens tussen de [perceelnummer 1] en (het niet tot het landgoed behorende perceel) [perceelnummer 2] (proces-verbaal pagina 10). De keien zijn daar volgens [eiser] neergelegd om te voorkomen dat bezoekers van [perceelnummer 2] dit perceel verlaten via de oprijlaan van het landgoed. De rechtbank is van oordeel dat de vordering die betrekking heeft op het laten terugplaatsen van twee zwerfkeien moet worden afgewezen. [gedaagde sub 1] betwist dat hij na en naar aanleiding van het eindvonnis van de rechtbank zwerfkeien heeft verplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] in het licht van dat verweer onvoldoende onderbouwd gesteld dat [gedaagden] wel pas na het vonnis van 21 juli 2021 twee keien heeft verplaatst, zodat hij op grond van de ongedaanmakingsverplichting c.q. het dictum uit arrest I gehouden zou zijn om twee zwerfkeien terug te (laten) plaatsen. Deze vordering wordt daarom afgewezen. - terugplaatsen van 6 varkensruggen en reclamebord (vordering I onder ii sub i en
- j)5.27. [gedaagde sub 1] voert als meest verstrekkende verweer dat [eiser] geen belang heeft bij deze vorderingen. Dit verweer slaagt, waartoe het volgende geldt. 5.28. Artikel 3:303 BW bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. [eiser] heeft haar belang bij (terug)plaatsing van varkensruggen en het reclamebord - voor zover die al verwijderd zijn naar aanleiding van het vonnis - onvoldoende toegelicht. [eiser] heeft ten aanzien van de varkensruggen slechts aangevoerd dat deze “dienen ter bescherming van het dassenraster” en “ter behoud van het groen aan de [straatnaam 1] ”. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe de aanwezigheid van varkensruggen kan bijdragen aan het behoud van het groen aan de [straatnaam 1] . Verder is de noodzaak ter bescherming van het dassenraster in het geheel niet onderbouwd. Voor wat betreft het reclamebord van Stox heeft [eiser] het belang bij terugplaatsing evenmin voldoende toegelicht. De vordering I onder ii, sub i en j wordt daarom bij gebrek aan belang afgewezen. Vorderingen onder II in conventie: de Bovenruimte 5.29. Boven de opslagruimte en de verkoopruimte die in legaat B aan [gedaagde sub 1] zijn vermaakt, bevindt zich de Bovenruimte. De Bovenruimte is slechts bereikbaar via de aan [gedaagde sub 1] gelegateerde verkoop- en opslagruimte. Met de vorderingen onder II vordert [eiser] , kort gezegd, ontruiming van de Bovenruimte. - het standpunt van [eiser] 5.30. stelt dat op grond van het testament de Bovenruimte behoort tot Legaat A en dat zij daarom recht heeft op gebruik daarvan. Ter onderbouwing van die stelling verwijst [eiser] naar een taxatierapport en naar de akte van levering waarmee Legaat A aan [eiser] is geleverd. Ook uit de kadastrale aanduiding en de vermelding van de grootte van de percelen in het kadaster kan worden opgemaakt dat de Bovenruimte tot Legaat A behoort. [gedaagde sub 1] maakt dan ook inbreuk op het recht van gebruik en bewoning van [eiser] door [eiser] te onthouden gebruik te maken van de Bovenruimte. [gedaagde sub 1] is gehouden de Bovenruimte te ontruimen en terug te brengen in de oorspronkelijke staat. Ondanks diverse (schriftelijke) verzoeken weigert [gedaagde sub 1] de Bovenruimte te ontruimen. - het standpunt van [gedaagden] [gedaagde sub 1] stelt dat de Bovenruimte onderdeel uitmaakt van de woning van [gedaagde sub 1] en al vele jaren in gebruik is door [gedaagde sub 1] (en zijn gezin), ook al voor het overlijden van erflater. De opslagruimte en verkoopruimte zijn onbetwist gelegateerd aan [gedaagde sub 1] (Legaat B). Het enkele feit dat de daarboven gelegen zolderverdieping niet expliciet in het testament is vermeld, doet er niet aan af dat erflater heeft bedoeld ook de zolderruimte aan [gedaagde sub 1] te legateren. Er is ten behoeve van [eiser] geen appartementsrecht gevestigd voor de Bovenruimte, die kadastraal behoort bij de ondergelegen verkoop- en opslagruimte. [eiser] heeft bovendien geen enkel belang bij de vorderingen. De Bovenruimte kan uitsluitend via de verkoopruimte worden bereikt. Daartoe heeft [eiser] geen toegang. Zij heeft ook geen vordering ingesteld om haar die toegang te verlenen. Niet valt in te zien waarom [eiser] die ruimte nodig heeft omdat zij ca. 900 m2 aan opslagruimtes die zij thans heeft, grotendeels ongebruikt laat. - het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de Bovenruimte 5.31. Voor de beantwoording van de vraag of [eiser] recht heeft op gebruik van de Bovenruimte, is beslissend of de Bovenruimte behoort tot Legaat A (stelling van [eiser] ) dan wel tot Legaat B (stelling van [gedaagden] ). Niet in geschil is dat met het aan [gedaagde sub 1] toegekende Legaat B aan hem is toebedeeld de eigendom (en niet slechts het gebruiksrecht) van de onder de Bovenruimte gelegen opslagruimte voor fruit en verkoopruimte. Vast staat dat de Bovenruimte is gelegen boven deze opslag- en verkoopruimte en dat zij uitsluitend bereikbaar is vanuit de opslag- en verkoopruimte. Er heeft geen kadastrale splitsing plaatsgevonden waarmee afzonderlijke appartementsrechten zijn gevestigd op enerzijds de opslag- en verkoopruimte beneden en anderzijds de Bovenruimte. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Bovenruimte onderdeel uitmaakt van Legaat B. 5.32. De rechtbank overweegt dat daarbij nog komt dat tussen partijen vaststaat dat er op enig moment een muur (tot aan de nok) is opgetrokken, waardoor de Bovenruimte feitelijk onderdeel is gaan uitmaken van het pand waarin [gedaagde sub 1] met zijn gezin woont. Weliswaar heeft het optrekken van die muur plaatsgevonden ná het opmaken van het testament door erflater, maar wel op een moment dat erflater nog in leven was. De Bovenruimte is daarmee feitelijk mét toestemming van erflater onderdeel gaan uitmaken van de ruimtes die erflater op dat moment al bij testament had gelegateerd aan [gedaagde sub 1] . Het optrekken van die muur heeft voor erflater kennelijk geen aanleiding gevormd om zijn testament aan te passen. 5.33. Dit betekent dat de vorderingen II onder a (verklaring voor recht) en b (ontruiming) worden afgewezen. Vorderingen onder III sub
- a)in conventie en vordering onder 1 in reconventie: het verbod tot afsluiten van het Hek respectievelijk tot het verwijderen van de sloten 5.34. [eiser] heeft het Hek in het verleden enkele keren voorzien van een slot, waardoor [gedaagde sub 1] geen toegang meer had tot het terrein achter het Hek. [gedaagde sub 1] heeft de door [eiser] aangebrachte sloten telkens verwijderd om zichzelf toegang te verschaffen. De vorderingen onder III in conventie en 1 in reconventie hebben kort gezegd betrekking op het al dan niet mogen afsluiten van het ijzeren hek alsmede op het retourneren van de door [gedaagde sub 1] verwijderde sloten. - het standpunt van [eiser] 5.35. stelt zich op het standpunt dat zij het recht heeft om het Hek met een slot af te sluiten uit oogpunt van privacy- en veiligheidsoverwegingen. [gedaagde sub 1] duldt geen slot op het Hek. Telkens als [eiser] een nieuw slot aanbrengt, verwijdert (en vernielt) [gedaagde sub 1] de aangebrachte sloten en kettingen. [gedaagde sub 1] hoeft het Hek niet te gebruiken om toegang te hebben tot zijn percelen. - het standpunt van [gedaagde sub 1] 5.36. stelt dat [eiser] geen recht heeft op exclusief gebruik van dit deel van het landgoed. De toegang via het Hek is voor hem noodzakelijk om zijn eigendomsrecht geldend te kunnen maken alsmede voor noodzakelijk onderhoud van het landgoed. Bovendien gebruikt [gedaagde sub 1] het pad om op dat deel van zijn eigen [perceelnummer 3] te komen dat grenst aan het pad. [eiser] weigert om aan [gedaagde sub 1] een sleutel te geven van de door haar aangebrachte sloten. [eiser] maakt hiermee inbreuk op het eigendomsrecht van [gedaagde sub 1] . - het oordeel van de rechtbank omtrent het al dan niet mogen afsluiten van het Hek 5.37. [gedaagde sub 1] is eigenaar van het landgoed. Verder volgt uit datgene dat hiervoor is overwogen ten aanzien van het gezamenlijk beheer en gebruik van het landgoed dat [gedaagde sub 1] , zowel in het kader van beheer als in het kader van gebruik, recht heeft op toegang tot het deel van het landgoed dat via het Hek kan worden bereikt. Daaruit volgt dat het [eiser] niet is toegestaan om de achterzijde van het (bos)terrein dan wel andere gedeeltes van het landgoed, anders dan haar woning met bijbehorende tuin, af te sluiten. 5.38. Hieruit volgt allereerst dat de vordering van [gedaagde sub 1] om [eiser] op straffe van een dwangsom te verbieden sloten aan te brengen op poorten en hekken dan wel [gedaagde sub 1] op enige andere wijze de toegang tot delen van het landgoed (anders dan de woning van [eiser] ) te belemmeren, (de vordering in reconventie onder 1), toewijsbaar is. De rechtbank zal deze hierna toewijzen met dien verstande dat dit verbod niet geldt voor de woning en de afgebakende privé-tuin van [eiser] . De rechtbank ziet aanleiding om aan de veroordeling zoals gevorderd een dwangsom te verbinden. De dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd zoals in het dictum is bepaald. 5.39. Indien [eiser] desondanks het Hek voorziet van sloten en/of kettingen, handelt zij zelf onrechtmatig jegens [gedaagde sub 1] . Niet alleen heeft [gedaagde sub 1] recht op toegang tot het achter het Hek gelegen pad en gronden, maar het Hek behoort hem ook in eigendom toe. In dat licht bezien is het verwijderen van door [eiser] aangebrachte sloten door [gedaagde sub 1] niet in strijd met een norm van geschreven of ongeschreven recht die ertoe strekt om zaaksbeschadiging te voorkomen en dus ook niet onrechtmatig (HR 12 januari 2024; ECLI:NL:HR:2024:17). Daaruit volgt dat de vordering onder III sub
- a)in conventie moet worden afgewezen. De vordering onder III sub b in conventie: het retourneren van de tien sloten 5.40. [eiser] vordert om [gedaagde sub 1] op straffe van een dwangsom te veroordelen tot teruggave aan [eiser] van tien sloten. Ter onderbouwing daarvan stelt [eiser] dat [gedaagde sub 1] achtereenvolgens in totaal tien sloten van het Hek heeft verwijderd, die hij aan haar dient te retourneren. [gedaagde sub 1] stelt dat er door hem slechts zes in plaats van tien sloten zijn verwijderd. 5.41. Uit de gevoerde Whatsapp-correspondentie volgt dat [eiser] zelf ook meende dat [gedaagde sub 1] nog slechts één slot moest teruggeven. [gedaagde sub 1] heeft zich ten aanzien van dat slot op het standpunt gesteld dat hij dat niet in zijn bezit heeft. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] in het licht van de genoemde Whatsapp-correspondentie en het verweer van [gedaagde sub 1] , haar stelling dat [gedaagde sub 1] op dit moment wel nog sloten onder zich houdt die aan [eiser] in eigendom toebehoren, onvoldoende heeft onderbouwd. De in conventie onder III sub
- b)ingestelde (op artikel 5:2 BW gebaseerde) vordering tot afgifte van tien sloten zal om die reden worden afgewezen. Vordering onder IV in conventie: onrechtmatig gebruik tuin 5.42. Achter de hoeve die hij bewoont, heeft [gedaagde sub 1] een afgesloten tuin. Deze bevindt zich voor een klein deel op [perceelnummer 4] , tot welk perceel het recht van gebruik van [eiser] zich uitstrekt. Dit deel van [perceelnummer 4] is voor [eiser] niet toegankelijk. Onder V vordert [eiser] dat [gedaagde sub 1] het volgens haar als onrechtmatig aan te merken gebruik van dat deel van de tuin (hierna: de Tuin) staakt. Het desbetreffende stuk van de Tuin is op productie 34 bij dagvaarding aangeduid met een zwart kruis en op de kadastrale kaart van productie 35 bij dagvaarding blauw gearceerd. - het standpunt van [eiser] 5.43. stelt dat [gedaagde sub 1] door het gebruik van de Tuin een gedeelte van [perceelnummer 4] - dat ontegenzeggelijk onderdeel uitmaakt van Legaat A - onrechtmatig in gebruik heeft. De aanwezige schutting moet worden verplaatst naar de locatie die met een lange zwarte streep is aangeduid op de als productie 31 bij dagvaarding overgelegde foto. [gedaagde sub 1] weigert de Tuin, ondanks diverse sommaties vrij te geven, te ontruimen en de schutting te verplaatsen. - het standpunt van [gedaagden] 5.44. [eiser] heeft volgens [gedaagde sub 1] geen enkel belang bij de vordering. De vordering is enkel ingesteld om [gedaagde sub 1] te sarren. [gedaagde sub 1] heeft het betreffende stuk tuin al sinds in ieder geval 1995 in bezit. Door verjaring is [gedaagde sub 1] al voor het overlijden van erflater eigenaar geworden van dit stuk grond. Uitgaande van een ruime reikwijdte van het legaat is kennelijk sprake van een omissie in het testament. Erflater heeft zonder twijfel niet beoogd om de Tuin in gebruik te geven aan [eiser] . - [gedaagde sub 1] beroept zich terecht op verjaring 5.45. Tussen partijen is niet in geschil dat het betreffende stuk tuin formeel onderdeel uitmaakt van het kadastrale [perceelnummer 4] , over welk perceel het recht van gebruik van [eiser] zich uitstrekt. Niettemin moet de vordering worden afgewezen, omdat het beroep op verjaring door [gedaagde sub 1] slaagt. Daartoe wordt het volgende overwogen. 5.46. Uit artikel 3:105 lid 1 BW volgt dat degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De verjaringstermijn vangt aan op de dag, volgend op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt. De verjaringstermijn bedraagt in beginsel twintig jaar. 5.47. Voor de beantwoording van de vraag of iemand een goed in bezit heeft genomen, is bepalend of hij zich de feitelijke macht over dat goed heeft verschaft (art. 3:113 lid 1 BW). Voor inbezitneming van een goed dat in het bezit van een ander is, geldt dat enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen ontoereikend zijn (art. 3:113 lid 2 BW). Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter wordt tenietgedaan. Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, beoordeeld naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BW). De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat daarbij de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen (HR 8 november 2024; ECLI:NL:HR:2024:1606). 5.48. [gedaagde sub 1] heeft voldoende onderbouwd gesteld dat het betreffende stuk grond sinds 1995 met coniferenhagen is afgescheiden van het overige deel van het landgoed. Uit de door [gedaagden] overgelegde foto’s volgt dat het daarbij gaat om een duidelijk afgebakend stuk grond. Ook tijdens de descente is door de rechtbank geconstateerd dat het betreffende stuk grond is afgebakend door middel van een coniferenhaag en schutting, waardoor het feitelijk onderdeel is gaan uitmaken van de tuin van [gedaagde sub 1] en niet langer toegankelijk is vanuit en ook niet langer landschappelijk behoort tot de rest van het landgoed. Het gebruik van de Tuin door [gedaagde sub 1] moet dan ook als bezit worden gekwalificeerd. [eiser] heeft niet, althans onvoldoende, betwist dat [gedaagde sub 1] dit gedeelte van [perceelnummer 4] al meer dan twintig jaar in zijn bezit heeft. Dit leidt in beginsel tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] in ieder geval sinds 2015 (20 jaren gerekend vanaf 1995) en dus nog voor het overlijden van erflater door verjaring eigenaar is geworden van de Tuin. Dat brengt mee dat erflater de eigendom van dat deel van [perceelnummer 4] tegelijkertijd heeft verloren en dat dit ten tijde van zijn overlijden niet langer tot zijn deel van het landgoed behoorde. Legaat A strekt zich om die reden niet tot dit deel van [perceelnummer 4] uit. - het beroep van [eiser] op stuiting van de verjaring slaagt niet 5.49. [eiser] beroept zich nog op stuiting van de verjaring. Zij stelt dat [gedaagde sub 1] niet heeft geprotesteerd tegen het feit dat de Tuin aan [eiser] is gelegateerd. Daarmee heeft [gedaagde sub 1] erkend dat erflater eigenaar was van de Tuin. 5.50. Artikel 3:318 BW bepaalt dat een erkenning van het recht tot welks bescherming een rechtsvorming dient, de verjaring stuit van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent. Voornoemde erkenning hoeft niet uitdrukkelijk te gebeuren. Elke handeling of gedraging van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij de schuld erkent, stuit de verjaring. De enkele omstandigheid dat de bezitter van een deel van een kadastraal perceel niet protesteert tegen een eigendomsoverdracht onder bijzondere titel van dat kadastrale perceel aan een opvolgend eigenaar dan wel het op een andere wijze in gebruik geven van het perceel aan een derde, is geen erkenning door de bezitter dat het eigendomsrecht van de eigenaar zich ook uitstrekt over het perceelsgedeelte waarover de bezitter zijn macht uitoefent. Bovendien heeft de door [eiser] gestelde stuitingshandeling pas plaatsgevonden na het verstrijken van de verjaringstermijn, nu het legaat pas is verkregen ten gevolge van het overlijden van erflater in 2017. De vordering onder IV wordt daarom afgewezen. Vordering onder V in conventie: kap van bomen 5.51. De vordering onder V betreft een verklaring voor recht dat [eiser] gerechtigd is naar eigen inzicht en oordeel zieke en dode bomen te (laten) kappen en gerechtigd is tot de vruchten van deze kap. - het standpunt van [eiser] 5.52. Ter onderbouwing van deze vordering stelt [eiser] dat op een recht van gebruik en bewoning de regels betreffende vruchtgebruik overeenkomstige toepassing vinden. Een vruchtgebruiker is bevoegd tot alle handelingen die tot een goed beheer van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen dienstig kunnen zijn. Volgens [eiser] behoren tot voornoemde zogeheten beheerdaden ook het kappen en verwijderen van zieke en dode bomen. Dergelijke bomen vormen immers een gevaar voor [eiser] en haar omgeving. - het standpunt van [gedaagden] 5.53. Het hof heeft in r.o. 3.52 van arrest II geoordeeld dat partijen volgens het testament van erflater enkel gezamenlijk bevoegd zijn om handelingen met betrekking tot bomen te verrichten voor zover die verder strekken dan handelingen die tot een goed beheer dienstig zijn. Behoudens in geval van kap van bomen wegens (goed) beheer, mag [eiser] dus niet zelfstandig beslissen over de kap van bomen. Houtkap door vrienden van [eiser] valt niet onder goed beheer, temeer nu deze vrienden ook aantoonbare gezonde bomen kappen. Anders dan [eiser] stelt heeft zij niet onder de noemer vruchtgebruik recht op de opbrengst van de houtkap. In ieder geval hebben derden dit recht niet, zoals [eiser] wel voorstaat. Het recht van gebruik en bewoning zijn twee bijzondere vormen van het recht van vruchtgebruik. Houtopbrengst kwalificeert niet als vruchten waarop het vruchtgebruik van toepassing is, aldus [gedaagden] . - het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de kap van bomen 5.54. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar het hetgeen is overwogen in nummer 5.2. en volgende ten aanzien van het “Beheer van het landgoed in de zin van het testament”, dat beheer van de tot het landgoed behorende gronden (behoudens de woning en afgebakende tuin van [eiser] ) te alle tijden gezamenlijk moet plaatsvinden. De overweging in r.o. 3.52 in arrest II doet daaraan niet af. Daaruit volgt dat [eiser] niet het recht toekomt om zelf naar eigen inzicht zieke en dode bomen te (laten) kappen. De vordering onder V in conventie wordt daarom afgewezen. Vordering onder VI in conventie: onderhoudskosten cv-toestel 5.55. In arrest II heeft het hof in r.o. 3.62 geoordeeld dat kosten voor herstel van de cv-ketel voor rekening van [gedaagden] komen. Onder VI vordert [eiser] dat de rechtbank [gedaagden] hoofdelijk, althans [gedaagde sub 1] , veroordeelt tot betaling van de cv-onderhoudskosten van € 574,98. - het standpunt van [eiser] 5.56. stelt dat zij op grond van het oordeel van het hof recht heeft op vergoeding van de door haar betaalde kosten van het herstel van de cv-ketel, bestaande uit vijf facturen die in totaal een bedrag van € 574,98 (inclusief btw) belopen. Ondanks diverse sommaties weigert [gedaagden] dit bedrag te betalen. - het standpunt van [gedaagden] 5.57. In arrest II is geoordeeld dat [gedaagden] de kosten vanwege herstel van de cv-ketel moet betalen. Die kosten kwalificeren volgens het gerechtshof als “grove onderhouds- en reparatiekosten” zoals in het testament bedoeld (r.o. 3.62). Dit betekent echter niet dat alle kosten die verband houden met de cv-ketel en die [eiser] naar eigen inzicht heeft laten uitvoeren, kwalificeren als “grove onderhouds- en reparatiekosten” als bedoeld in het testament. Reguliere onderhoudskosten, zoals jaarlijkse inspectie, kwalificeren niet als “grove onderhoudskosten”. De vorderingen tot vergoeding van facturen uit 2018 en 2019 zijn bovendien verjaard, omdat deze meer dan vijf jaren na het ontstaan van de vorderingen zijn ingesteld. Voor het geval er enige vordering bestaat, doen [gedaagden] een beroep op verrekening. Op basis van arrest II hebben [gedaagden] een veel groter bedrag te vorderen van [eiser] dan dat [eiser] van [gedaagden] te vorderen heeft. [eiser] laat na, ondanks herhaalde incasso-inspanningen, om het verschuldigde bedrag te betalen. - het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de kosten met betrekking tot de cv-ketel 5.58. De rechtbank stelt vast dat dit onderdeel van de vordering van [eiser] ziet op betaling van vijf facturen, die werkzaamheden aan de cv-ketel betreffen. Het betreft: de factuur van 21 november 2023 ten bedrage van € 102,85 inclusief btw; de factuur van 10 mei 2022 ten bedrage van € 90,75 inclusief btw; de factuur van 28 mei 2021 ten bedrage van € 201,54 inclusief btw; de factuur van 17 april 2019 ten bedrage van € 87,73 inclusief btw; de factuur van 27 maart 2018 ten bedrage van € 92,11 inclusief btw. 5.59. De vordering van [eiser] tot vergoeding van de facturen zijn telkens opeisbaar vanaf de datum van iedere factuur. Deze regresvorderingen verjaren ieder na verloop van vijf jaar. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat bij brief van 25 mei 2023 (verzonden bij e-mail van die datum, prod. 12 bij dagvaarding) van haar advocaat aan [gedaagden] stuiting heeft plaatsgevonden van de verjaring van de regresvorderingen. Gezien de datum van deze brief, is hierdoor de verjaring gestuit van regresvorderingen die na 25 mei 2018 zijn ontstaan. Het beroep op verjaring ten aanzien van de factuur d.d. 17 april 2019 wordt om die reden verworpen. Ten aanzien van de factuur van 27 maart 2018 slaagt dit verweer, zodat de vordering betreffende deze factuur geen bespreking behoeft. 5.60. De vraag of de door [eiser] betaalde facturen voor vergoeding in aanmerking komen, moet worden beantwoord op grond van de uitleg die het hof in r.o. 3.62 van arrest II, dat inmiddels tussen partijen in kracht van gewijsde is gegaan, heeft gegeven aan het testament: “3.62. In onderdeel A6 sub e van het testament van erflater is opgenomen dat gedurende het recht van gebruik en bewoning door [eiser] alle onderhouds- en reparatiekosten, waarmede wordt bedoeld de grove onderhouds- en reparatiekosten, eveneens geen uitgezonderd, geheel en uitsluitend ten laste en voor rekening van de eigenaren komen. Het hof is van oordeel dat op basis hiervan de kosten van het herstel van de cv-ketel en de dakreparatie voor rekening van [gedaagden] c.s. komen.” 5.61. Op grond van deze overweging van het hof oordeelt de rechtbank dat de kosten van het vervangen van het expansievat voor € 91,56 excl. btw (factuur van 28 mei 2021) vallen onder de kosten die betrekking hebben op grof onderhoud als bedoeld in onderdeel A6, sub e van het testament. De overige in rekening gebrachte kosten betreffen blijkens de facturen regulier onderhoud van de cv-ketel, waarvoor geldt dat deze op grond van het testament voor eigen rekening van [eiser] komen. 5.62. Dit betekent dat van het gevorderde bedrag van € 574,98 in beginsel een bedrag van € 110,79 (€ 91,56 + € 19,23 btw) voor het vervangen van het expansievat kan worden toegewezen en dat de vordering voor het overige wordt afgewezen. - het beroep van [gedaagden] op verrekening 5.63. [gedaagden] beroept zich op verrekening ten aanzien van het door hen verschuldigde. [gedaagden] stellen echter dat zij uit hoofde van arrest II een bedrag te vorderen hebben van [eiser] . De rechtbank stelt vast dat [eiser] niet heeft weersproken dat [gedaagden] op grond van arrest II een bedrag van haar te vorderen hebben dat het door [eiser] van [gedaagden] gevorderde bedrag ruimschoots overschrijdt. Evenmin heeft [eiser] betwist dat [gedaagden] dit bedrag (ex artikel 6:127 BW) kan en mag verrekenen met het bedrag dat [eiser] van [gedaagden] te vorderen heeft. De rechtbank stelt vast dat met het beroep op verrekening de vordering van [eiser] op [gedaagden] door die verrekening teniet is gegaan. De vordering van [eiser] wordt daarom afgewezen. Vordering onder VII in conventie: buitengerechtelijke incassokosten 5.64. [eiser] vordert tot slot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Omdat de vordering onder VI van [eiser] wordt afgewezen, wordt de daarop gebaseerde vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten ook afgewezen. Voor zover [eiser] enige aanspraak zou toekomen op grond van het door verrekening teniet gegane deel van haar vordering, geldt het volgende. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet is gesteld of gebleken dat er aan [gedaagden] een aanmaning is verstuurd waarin een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2704). Vorderingen onder 2 en 3 in reconventie: schilderwerk aan de woning en onderhoudskosten landgoed 5.65. Onder 2 en 3 vordert [gedaagde sub 1] , samengevat, om [eiser] te veroordelen om schilderwerk uit te (laten) voeren aan haar woning en om voor recht te verklaren dat [eiser] naast [gedaagde sub 1] gehouden is om bij helfte bij te dragen in de kosten van regulier onderhoud van de bij [eiser] in gebruik zijnde percelen van het landgoed. - het standpunt van [gedaagde sub 1] 5.66. [eiser] heeft het gebruik van de woning en van het grootste deel van het landgoed, maar laat na dit deugdelijk te onderhouden. [eiser] is zowel op grond van de wet (artikelen 3:226 BW jo. 3:220 BW), als op grond van het testament gehouden om regulier onderhoud uit te voeren. [eiser] heeft desalniettemin al sinds het overlijden van erflater geen schilderwerk aan de woning meer laten verrichten. Periodiek schilderwerk is noodzakelijk om de (houten onderdelen van
- de)woning te beschermen tegen weersinvloeden. Door gebrek aan onderhoud is de staat van de houten delen van de woning inmiddels erbarmelijk. [eiser] dient dan ook het schilderwerk alsnog uit te (laten) voeren. [eiser] verricht verder geen onderhoud aan de gronden behorend tot het landgoed. Nu het gerechtshof [eiser] heeft gevolgd met betrekking tot het gebruik van het landgoed, is een logisch gevolg daarvan dat ook de onderhoudsverplichting van [eiser] ruimer is: deze volgt het gebruiksrecht. Onder het noodzakelijk onderhoud valt in ieder geval het bos-, veld- en waterbeheer op alle percelen die onder het gebruiksrecht van [eiser] vallen, waaronder het onderhoud aan bomen langs de laan en onderhoud aan de gracht. - het standpunt van [eiser] 5.67. Op grond van het testament komen ‘alle grove onderhouds- en reparatiekosten’ voor rekening van [gedaagde sub 1] . Het hof heeft overwogen dat de kosten van herstel van de cv-ketel en de dakreparatie vallen onder ‘grove onderhouds- en reparatiekosten’ en derhalve voor rekening komen van [gedaagden] . Dat geldt dan zeker voor het buiten schilderwerk. De foto’s tonen overigens geen (begin van bewijs) van vermeend achterstallig onderhoud. Voor wat betreft het reguliere onderhoud aan het landgoed geldt dat het testament geen draagplicht kent waarbij de kosten worden gedeeld. De vordering is bovendien te onbepaald om te kunnen worden toegewezen. De voorbeelden die [gedaagde sub 1] aanhaalt zijn te beschouwen als ‘grove onderhouds- en reparatiekosten’ en komen voor rekening van [gedaagde sub 1] . - het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het schilderwerk aan de woning 5.68. De rechtbank oordeelt ten aanzien van het schilderwerk aan de woning als volgt. Zoals overwogen in nummer 5.11. en volgende onder ten aanzien van de “Draagplicht kosten in de zin van het testament” komen de grove onderhouds- en reparatiekosten van de woning op grond van het testament voor rekening van [gedaagde sub 1] als (thans enig) eigenaar. Erflater heeft hiermee in het testament een van de wet afwijkende term gebruikt, aangezien op grond van de wettelijke regeling (artikel 3:220 BW) “buitengewone herstellingen” voor rekening van de eigenaar komen. Uit het feit dat in het testament wordt afgeweken van de wettelijke terminologie leidt de rechtbank af dat erflater daarmee kennelijk een andere verdeling heeft gewenst dan op grond van de wet. Erflater heeft daarbij in het testament niet (expliciet dan wel impliciet) tot uitdrukking gebracht of de term “grove onderhoudskosten” in gradatie zwaarder is bedoeld dan de term “buitengewone herstellingen” als bedoeld in de wet. 5.69. De rechtbank oordeelt, mede in lijn met hetgeen het hof heeft overwogen ten aanzien van de kosten van herstel van de cv-ketel en dakreparatie (arrest II, r.o. 3.62), dat ook het schilderwerk aan de buitenzijde van het hoofdgebouw valt onder grove onderhoudskosten als bedoeld in bepaling IV onder A, lid 6 sub e van het testament. Dit betekent dat de kosten daarvan niet voor rekening van [eiser] , maar voor rekening van [gedaagde sub 1] als eigenaar komen. Voor zover de vordering van [gedaagde sub 1] hierop betrekking heeft, wordt zij afgewezen. 5.70. Ten aanzien van het schilderwerk aan de binnenzijde van de woning staat tussen partijen niet ter discussie dat die kosten voor rekening van [eiser] zelf komen. Van een noodzaak op basis waarvan [eiser] kan worden veroordeeld tot het (laten) uitvoeren van het schilderwerk aan de binnenzijde is naar het oordeel van de rechtbank alleen dan sprake wanneer er door de verslechterde staat van het verfwerk constructieve schade aan (onderdelen van) het gebouw ontstaat dan wel kan ontstaan. Daaromtrent heeft [gedaagde sub 1] niets gesteld. Het deel van de vordering die betrekking heeft op het schilderwerk aan de binnenzijde van de woning wordt daarom ook afgewezen. 5.71. De conclusie hiervan is dat de vordering in reconventie onder 2 wordt afgewezen. - het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onderhoudskosten landgoed 5.72. In reconventie onder 3 vordert [gedaagde sub 1] een verklaring voor recht dat [eiser] bij helfte naast [gedaagde sub 1] gehouden is om bij te dragen in (de kosten van) het reguliere onderhoud van alle bij [eiser] in gebruik zijnde percelen van het landgoed. De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagde sub 1] aldus dat hij stelt dat gezamenlijk gebruik en beheer inhoudt het eveneens gezamenlijk dragen van de kosten (in de verhouding 50/50%). 5.73. Zoals overwogen in nummer 5.11. en volgende onder ten aanzien van de “Draagplicht kosten in de zin van het testament” is de rechtbank van oordeel dat de kosten van beheer van de gronden waarvan [eiser] mede het gebruik heeft, door [eiser] en [gedaagde sub 1] samen moeten worden gedragen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat partijen het onderhoud van het landgoed in eigen beheer uitvoeren, zoals dat altijd pleegde te worden gedaan. Voor zover er kosten worden gemaakt, zullen zij daarover samen moeten beslissen. Als samen wordt besloten tot het maken van kosten, dan moeten partijen die kosten ieder bij helfte dragen. Vordering onder 4 en 5 in reconventie: verwijdering van wijzigingen aan en rondom de woning 5.74. Op het terras naast het hoofdgebouw is een overkapping geplaatst. Tevens is er naast het hoofdgebouw een kennel aangebracht. [eiser] heeft voorts haar privé-tuin van de binnenplaats afgescheiden door middel van een hekwerk dat is voorzien van groene kunststof stroken. De vorderingen onder 4 en 5 zien, kort gezegd, op het verwijderen van de overkapping, de kennel en het hekwerk. - het standpunt van [gedaagde sub 1] 5.75. stelt dat [eiser] op grond van het testament slechts bevoegd is tot handelingen die tot een goed beheer van de woning dienstig kunnen zijn. Tot alle overige handelingen is [eiser] slechts gezamenlijk met [gedaagde sub 1] als eigenaar bevoegd (artikel IV onder A, lid 6 sub d). Dit strookt met het wettelijke uitgangspunt dat is opgenomen in artikel 3:207 lid 2 BW dat via artikel 3:226 BW toepasselijk is op het recht van gebruik en bewoning. [eiser] heeft door het aanbrengen van werken aan en bij de woning in strijd met haar bevoegdheden gehandeld. De door haar geplaatste overkapping is aan de woning bevestigd en doet afbreuk aan het monumentale karakter ervan. Hetzelfde geldt voor de door haar geplaatste hondenrennen. Ook het hekwerk dat zij heeft geplaatst past qua uitstraling niet bij een gebouw met de status van monument, temeer nu [eiser] het hekwerk heeft voorzien van plastic stroken en niet op zichzelf staande beplanting. - het standpunt van [eiser] 5.76. voert kort samengevat het volgende verweer: overkapping: het ‘storend’ en ‘optisch niet mooi’ vinden van de overkapping is geen grondslag voor toewijzing van de vordering. De overkapping is niet aan de woning bevestigd. Het betreft een verrijdbare ‘carport’. hondenrennen: het enkel storend vinden is geen reden voor toewijzing van de vordering. [gedaagde sub 1] heeft geen zicht op de hondenrennen. De hondenrennen staan er al sinds 1981 en zijn door erflater geplaatst. De hondenrennen zijn ook niet aan de woning of grond bevestigd. De vordering tot verwijdering is bovendien al lang verjaard dan wel is sprake van rechtsverwerking. hekwerk volgens [eiser] ontbreekt iedere grondslag voor de vordering tot verwijdering. Het hekwerk strekt tot afsluiting en markering van het woongedeelte van [eiser] en waarborgt (mede) de veiligheid en de privacy. Er is geen sprake van handelen in strijd met de vergunningsvoorwaarden. - het oordeel van de rechtbank 5.77. De rechtbank is van oordeel dat deze vorderingen moeten worden afgewezen, waartoe het volgende geldt. 5.78. Ten aanzien van de overkapping is tijdens de descente geconstateerd dat dit een losstaande, verrijdbare overkapping betreft, die niet is bevestigd aan de woning. De overkapping wijzigt daarmee niet de woning als zodanig. Dit brengt mee dat er geen sprake is van (handelen
- in)strijd met artikel IV onder A, lid 6 sub d van het testament dan wel de wettelijke regeling omtrent gebruik en bewoning, zodat deze vordering om die reden wordt afgewezen. 5.79. Met betrekking tot de hondenrennen is door [gedaagde sub 1] niet weersproken dat er al sinds jaar en dag een hondenren op het betreffende perceel aanwezig is en dat deze er ook al stond toen erflater nog leefde. De rechtbank is van oordeel dat daaruit volgt dat het recht van gebruik van de woning en tuin mede bevat het mogen hebben en gebruiken van de hondenren. Omdat ook op dit punt geen sprake is van handelen in strijd met het testament dan wel de wettelijke regeling, wordt ook deze vordering afgewezen. 5.80. Met betrekking tot het hek met de stroken heeft [eiser] haar belang bij plaatsing daarvan toegelicht. Het is voor haar veiligheid en privacy, dit laatste mede gelet op de verstoorde verhouding tussen partijen. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] daarmee voldoende heeft gesteld dat plaatsing van het hek bijdraagt aan goed beheer van de woning in de zin van het testament. Het enkele feit dat [gedaagde sub 1] (de stroken
- in)het hekwerk onesthetisch vindt is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te oordelen dat er sprake is van strijd met artikel IV onder A, lid 6, sub d van het testament dan wel in strijd met de wettelijke regeling. Dit brengt mee dat ook deze vordering wordt afgewezen. Vordering onder 6 in reconventie: verbod tot exploiteren hondenkennel en het fokken en trainen van honden 5.81. Onder 6 in reconventie vordert [gedaagde sub 1] kort gezegd een verbod tot het exploiteren van een hondenkennel door [eiser] op het landgoed alsmede een verbod tot het fokken en trainen van honden. - het standpunt van [gedaagden] 5.82. [eiser] fokt en verkoopt de door haar gefokte honden op een bedrijfsmatige wijze. De fok van honden leidt voor [gedaagde sub 1] tot geluidsoverlast. Ook de trainingen die [eiser] organiseert op het landgoed gaan gepaard met lawaai. Volgens het testament mag [eiser] de woning als goed gebruikster bewonen (artikel IV onder A, lid 6 sub b). Daarmee strookt niet dat [eiser] de woning gebruikt om een hondenkennel te exploiteren, honden te fokken ten behoeve van de verkoop en honden te trainen dan wel laten trainen op het landgoed. Bovendien maakt [eiser] met die activiteiten met honden ook inbreuk op het ter plaatse van toepassing zijnde bestemmingsplan. [gedaagde sub 1] stelt dat hij als eigenaar recht en belang heeft om dit met het bestemmingsplan strijdige gebruik te beëindigen. - het standpunt van [eiser] 5.83. Erflater en [eiser] fokten en trainden samen ter plaatse honden, zoals ook is overwogen door het hof (r.o. 3.7.1. in arrest I). [gedaagde sub 1] heeft op grond van het testament niet het recht om het fokken en trainen van honden te verbieden. Zoals overwogen door het hof (r.o. 3.8.1. in arrest I) wilde erflater regelen dat [eiser] het gebruik van de woning en de gronden zou kunnen voortzetten Het trainen van honden is niet in strijd met het gebruik van het landgoed als ‘goed gebruikster’. Van fokken op bedrijfsmatige wijze is geen sprake; het fokken van honden was ruim 35 jaar een gezamenlijke hobby van erflater en [eiser] . Na het overlijden van erflater is dat nog steeds het geval. Dat sprake is van ontoelaatbare geluidsoverlast wordt betwist. Er is ook is geen sprake van inbreuk op het bestemmingsplan. - het oordeel van de rechtbank 5.84. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde sub 1] niet heeft weersproken dat [eiser] al sinds jaar en dag - oorspronkelijk samen met erflater en thans alleen - honden fokt en trainingen verzorgt. [gedaagde sub 1] heeft verder niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat de mate waarin dit gebeurt, zou zijn geïntensiveerd ten opzichte van periode toen erflater nog leefde. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake is van handelen in strijd met het testament. Dat deze bezigheden strijdig zijn met het bestemmingsplan, is evenmin voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering daarom af. Vordering onder 7, 8 en 9 in reconventie: camera’s en beeld- en geluidopnames 5.85. Onder 7, 8 en 9 vordert [gedaagde sub 1] kort samengevat om [eiser] : te gebieden de rondom haar woning geplaatste camera’s te verwijderen voor zover deels gericht op de woning van [gedaagde sub 1] , op de bestrating en een straal van 20 meter vanaf de woning en toegangslaan; te verbieden om beeld- en geluidsopnames van [gedaagde sub 1] , zijn gezin, woning en erf te maken of laten maken; te gebieden om gemaakt beeldmateriaal van [gedaagde sub 1] , gezin en gasten te verwijderen. - het standpunt van [gedaagde sub 1] 5.86. [eiser] heeft haar woning voorzien van (in ieder geval) negen camera’s waarvan een groot deel is gericht op de woning van [gedaagde sub 1] en op de door hem (structureel) gebruikte delen van het landgoed, waaronder de oprijlaan en de binnenplaats tussen de beide woningen. [eiser] maakt met de door haar geplaatste camera’s een ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [gedaagde sub 1] en zijn gezin. [eiser] maakt ook bijna dagelijks beeldopnames met haar mobiele telefoon van [gedaagde sub 1] en zijn gezin. De beelden worden gemaakt in de huiselijke omgeving van [gedaagde sub 1] en leveren een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer op. Bovendien is sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht. De privacy- en eigendomsinbreuk door [eiser] is stelstelmatig. Dit is onrechtmatig. Op grond van artikel 17 AVG heeft [gedaagde sub 1] recht op ‘het wissen’ van het beeldmateriaal voor zover die door [eiser] worden bewaard. - het standpunt van [eiser] 5.87. [eiser] betwist dat er camera’s op de woning van [gedaagde sub 1] zouden zijn gericht. [gedaagde sub 1] stelt en onderbouwt niet welke camera’s op zijn woning gericht zouden zijn. Het overgelegde ‘zichtveld’ van de camera’s wordt betwist. [eiser] voert aan dat zij het volste recht heeft om camera’s op te hangen om haar eigen woning te beveiligen en haar eigendommen te beschermen, zeker gelet op de afgelegen ligging van de woning. [gedaagde sub 1] houdt zelf ook cameratoezicht op de toegangslaan. Voor wat betreft het beeldmateriaal geldt dat er slechts foto’s worden gemaakt met een goede reden en niet zomaar zonder enig doel. Er is geen sprake van door [eiser] onrechtmatig gemaakte foto- of videobeelden. De beelden zijn ook niet bewaard. [gedaagde sub 1] moet stellen en bewijzen dat [eiser] wel beelden zou hebben bewaard. De vordering is te onbepaald en te algemeen en ligt voor afwijzing gereed. - het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de camera’s en het beeldmateriaal 5.88. De rechtbank zal de vordering onder 8 toewijzen en de vorderingen onder 7 en 9 afwijzen, waartoe zij als volgt overweegt. 5.89. De vordering onder 8 heeft betrekking op het verbod om beeld- en geluidsopnames van [gedaagde sub 1] , zijn gezin, woning en erf te maken of te laten maken. De tijdens de descente geconstateerde camera’s maken het, gezien de locatie en de richting ervan, deels mogelijk voor [eiser] om opnames te maken buiten het terrein rondom haar woning waarvan zij het exclusief gebruiksrecht heeft. Voor zover [eiser] beeld- en geluidsopnames maakt zoals hiervoor bedoeld, levert dit naar het oordeel van de rechtbank een ontoelaatbare inbreuk op op de persoonlijke levenssfeer van [gedaagde sub 1] en zijn gezin. Daarmee is sprake van onrechtmatig handelen. Deze vordering kan daarom worden toegewezen. De rechtbank zal aan de veroordeling zoals gevorderd een dwangsom koppelen. De dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd zoals in het dictum is bepaald. 5.90. De vordering onder 7, die betrekking heeft op het gebod om de geplaatste camera’s te verwijderen en verwijderd te houden, wordt afgewezen. [eiser] is in beginsel gerechtigd om camera’s te plaatsen op het perceel dat zij exclusief in gebruik heeft. In de toewijzing van de vordering onder 8 ligt besloten dat het [eiser] niet is toegestaan om met die camera’s buiten haar privé-tuin beeld- en geluidsopnames van [gedaagde sub 1] en zijn gezin, woning en erf te maken. Daarmee moet de persoonlijke levenssfeer van [gedaagde sub 1] en zijn gezin in voldoende mate geacht worden te zijn gewaarborgd. De vordering onder 7 wordt daarom afgewezen. 5.91. De vordering onder 9 ziet op het verwijderen van gemaakt beeldmateriaal waarop [gedaagde sub 1] , zijn gezinsleden, gasten en woning zijn te zien. [eiser] heeft betwist dat zij dergelijk beeldmateriaal heeft gemaakt en opgeslagen. [gedaagde sub 1] heeft vervolgens niet nader onderbouwd (waaruit blijkt) dat [eiser] wel degelijk over beeldmateriaal beschikt. Omdat er geen enkel concreet aanknopingspunt bestaat dat [eiser] beeldmateriaal heeft opgeslagen, wordt deze vordering afgewezen. Proceskosten in conventie en in reconventie 5.92. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 6De beslissing De rechtbank in conventie 6.1. wijst de vorderingen af, 6.2. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, in reconventie 6.3. verbiedt [eiser] om sloten aan te brengen op poorten en hekken op het landgoed, waaronder de poort op de laan, dan wel [gedaagde sub 1] op enige andere wijze de toegang tot delen van het landgoed (anders dan de woning en de bij de woning behorende tuin van [eiser] ) te belemmeren, 6.4. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagden] een dwangsom te betalen van € 150,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 6.3 voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt, 6.5. verklaart voor recht dat [eiser] , bij helfte náást [gedaagde sub 1] , is gehouden om bij te dragen in (de kosten van) het reguliere onderhoud van alle bij haar in gebruik zijnde percelen van het landgoed, waaronder het bosbeheer, veldbeheer en onderhoud van bomen, struiken en onderhoudspaden van het Waterschap, voor zover [eiser] en [gedaagde sub 1] in onderling overleg hebben besloten om die kosten te maken, 6.6. verbiedt [eiser] om beeld- en geluidsopnames van [gedaagde sub 1] , zijn gezin en zijn woning en erf te maken of laten maken, 6.7. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagden] een dwangsom te betalen van € 150,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 6.6 voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt, 6.8. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 6.9. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 6.10. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2025. type: KB