RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/329926 / HA ZA 24-195 Vonnis van 5 maart 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. J.G. van Ek, tegen [gedaagde] , te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M. Woisch. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 t/m 16,- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 4, - de brief van 18 september 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - het B8-formulier met één productie, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 januari
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Partijen hebben een overeenkomst van aanneming gesloten, waarbij [gedaagde] , in zijn hoedanigheid van de eenmanszaak [handelsnaam] , in opdracht van [eiser] een aanbouw zou bouwen tegen/aan de woning van [eiser] aan de [adres] te [woonplaats 1] , zulks tegen een aanneemsom van € 37.000,00 inclusief btw. De overeenkomst is tot stand gekomen door acceptatie van [eiser] van de offerte van [gedaagde] van 8 juli
- Op de offerte is onder het kopje ‘betalingscondities’ vermeld: *Bij akkoord direct ivm bestellingen 40% *Rest in overleg 2.
- Op 15 augustus 2022 heeft [gedaagde] de eerste factuur van € 14.800,00 inclusief btw gestuurd, die door [eiser] is voldaan. Op 1 januari 2023 verstuurt [gedaagde] de tweede factuur van € 7.500,00 inclusief btw. Ook deze is door [eiser] voldaan. [gedaagde] is diezelfde maand begonnen met het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden. De hierop volgende twee facturen, elk ten bedrage van € 4.700,00 inclusief btw, heeft [eiser] niet betaald. 2.
- Vanaf medio mei zijn de werkzaamheden van [gedaagde] stilgevallen. Bij schrijven van 3 augustus 2023 heeft (de advocaat van) [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld en hem gesommeerd het werk uiterlijk 3 november 2023 op te leveren. Bij e-mail van 21 augustus 2023 reageert [gedaagde] door onder meer het volgende te schrijven: “(…). Mijn voorstel is om te zeggen dat ik het oplever op 3 december! Ik wil mijn afspraak nakomen en dus ook nu even de mogelijkheid om het goed te plannen. Ik hoor graag van u. (…).” 2.
- Bij brief van 19 januari 2024 heeft (de advocaat van) [eiser] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Voorts is [gedaagde] hierin gesommeerd om binnen veertien dagen na dagtekening van de brief te voldoen aan de verbintenis tot ongedaanmaking, te weten restitutie van het volledige door [eiser] betaalde bedrag van € 22.300,00 in totaal, onder aanzegging van het voornemen schadevergoeding te vorderen die [eiser] als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] lijdt. [gedaagde] heeft hierop gereageerd bij e-mail van (onder meer) 22 februari 2024: “(…). Ik heb nu wel de mogelijkheid per direct om een metselaar te sturen dat is optie 1! (…).” 3Het geschil 3.
- [eiser] stelt dat op basis van een offerte van [naam bedrijf] herstel en afronding van het werk € 43.136,50 inclusief btw zal kosten, exclusief de kosten van de fundering die reeds is gerealiseerd door [gedaagde] . Nu de offerte van [gedaagde] € 37.000,00 inclusief btw is, is deze minus de fundering (ad € 7.500,00 inclusief btw) € 29.500,00 inclusief btw. Gelet op de offerte van [naam bedrijf] is de door [eiser] te betalen meerprijs derhalve (€ 43.136,50 – € 29.500,00 =) € 13.636,50 inclusief btw. De totale vordering van [eiser] is derhalve (€ 14.800,00 + € 13.636,50 =) € 28.436,
- 3.
- [eiser] vordert, gezien het voorgaande, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- te verklaren voor recht dat de tussen partijen bestaande overeenkomst tot aanneming van werk partieel dan wel geheel is ontbonden;
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 28.436,50 incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente sedert de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 1.059,37 aan [eiser] aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente sedert de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
- [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn betaald. 3.
- [gedaagde] voert verweer. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Het verweer van [gedaagde] bestaat er primair in dat hij zich op het standpunt stelt dat aan de zijde van [eiser] sprake is van schuldeisersverzuim, zodat deze niet bevoegd was om de aannemingsovereenkomst te ontbinden. Zo heeft [gedaagde] op 21 januari 2023 aan [eiser] een (derde) factuur gestuurd ter hoogte van € 4.700,00 inclusief btw, met als voorwaarde om per omgaande te betalen. [eiser] heeft die factuur echter niet betaald en was daartoe ook niet (meer) bereid. Gezien deze houding van [eiser] is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:83 aanhef en sub c BW, waardoor verzuim is ingetreden zonder dat een ingebrekestelling vereist was. 4.
- Dit standpunt onderschrijft de rechtbank niet, waartoe het volgende. Partijen zijn overeengekomen dat [eiser] 40% van de aanneemsom van € 37.000,00 inclusief btw zou voldoen bij het aanvaarden van de offerte (“bij akkoord”, zie hiervoor onder rov. 2.1). Dit bedrag, zijnde € 14.800,00, is door [eiser] voldaan. De overige betalingen zouden “in overleg” plaatsvinden, hetgeen impliceert dat partijen hierover nog (wils)overeenstemming moesten bereiken. Overeenstemming inzake de overige betalingen is echter nooit tot stand gekomen, nu [eiser] – na nog eens een tweede, strikt genomen onverplichte, betaling van € 7.500,00 inclusief btw – vond dat het werk niet vlotte. Dat op de (derde) factuur van € 4.700,00 inclusief btw stond vermeld dat betaling “per omgaande” diende plaats te vinden, doet daar niet aan af; overeenstemming hierover – het zij herhaald – ontbrak immers, zodat [gedaagde] dit niet eenzijdig van [eiser] kon verlangen door dit op de betreffende factuur te vermelden. Bij gebreke van overeenstemming, kan dan ook geen sprake zijn van een verbintenis zoals bedoeld in artikel 6:83 aanhef en sub c BW. 4.
- Ook aan [gedaagde] ’ beroep op het bepaalde in artikel 6:83 aanhef en onder a BW gaat de rechtbank voorbij. Anders dan [gedaagde] heeft bepleit hebben partijen wel degelijk (nader) afgesproken dat het werk uiterlijk 3 december 2023 zou worden opgeleverd. Immers, bij schrijven van 3 augustus 2023 heeft (de advocaat van) [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld en hem gesommeerd het werk uiterlijk 3 november 2023 op te leveren. [gedaagde] antwoordt hierop bij e-mail van 21 augustus 2023: “(…). Mijn voorstel is om te zeggen dat ik het oplever op 3 december! (…).”, Dat dit voorstel nooit door [eiser] geaccepteerd zou zijn, zoals [gedaagde] stelt, onderschrijft de rechtbank niet, nu uit latere correspondentie ondubbelzinnig is af te leiden dat van aanvaarding van genoemde opleverdatum van 3 december 2023 door [eiser] wel degelijk sprake was. Zo schrijft [eiser] in zijn e-mail van 16 oktober 2023 aan [gedaagde] in verband met het regelen van een metselploeg (onderstreping is van de rechtbank): “Ik wil van jou graag de reden horen waarom je dit hebt tegen gehouden, het is toch in jouw belang, gezien de afgesproken oplever datum van 3 dec. A.s. , dat er met de werkzaamheden zo snel mogelijk wordt begonnen.” 4.
- Ook de stelling van [gedaagde] dat 3 december 2023 geen fatale termijn, maar slechts een streefdatum zou zijn, moet naar het rijk der fabelen worden verwezen, temeer nu [eiser] in januari 2023 een aanvang had genomen met het verrichten van werkzaamheden en [gedaagde] dus zo goed als een jaar de tijd had om een relatief eenvoudig werk als een aanbouw te verwezenlijken. 4.
- In deze zelfde categorie dient het verweer van [gedaagde] te worden geschaard dat hem geen redelijke termijn in de zin van artikel 6:82 lid BW is gesteld om na te komen. 4.
- Gelet op al het voorgaande is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis jegens [eiser] , zodat [eiser] , gezien het bepaalde in artikel 6:265 lid 1 BW, de overeenkomst buitengerechtelijk mocht ontbinden. De onder 1 gevorderde verklaring voor recht is derhalve voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat, gezien het hierna volgende, sprake was van een partiële ontbinding in de zin van artikel 6:270 BW. 4.
- Zoals bepaald in artikel 6:271 BW bevrijdt een ontbinding partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. Artikel 6:272 BW bepaalt dat, indien de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, daarvoor een vergoeding in de plaats treedt. 4.
- Met inachtneming hiervan is de rechtbank met [eiser] van oordeel dat [gedaagde] een bedrag van € 14.800,00 aan [eiser] dient terug te betalen. Immers, [eiser] heeft reeds € 22.300,00 voldaan (van de totale aanneemsom van € 37.000,00), terwijl [gedaagde] slechts de fundering heeft uitgegraven, grond en puin heeft afgevoerd en materialen heeft aangeleverd, waarmee blijkens de (tweede) factuur van 1 januari 2023 slechts een bedrag van € 7.500,00 was gemoeid (€ 22.300,00 minus € 7.500,00 = € 14.800,00). Voor de hiertegen door [gedaagde] opgeworpen stelling dat een bedrag van € 16.100,00 aan “gemaakte materiaalkosten en andere externe kosten” voor rekening van [eiser] moet blijven, zijn geen aanknopingspunten. 4.
- Naast de bevoegdheid tot ontbinding heeft een partij ingevolge het bepaalde in artikel 6:74 lid 1 BW recht op vergoeding van de schade die is opgetreden door de tekortkoming van de wederpartij. 4.
- In het licht hiervan heeft [eiser] gesteld – zie ook rechtsoverweging 3.
- – dat op basis van een offerte van [naam bedrijf] herstel en afronding van het werk € 43.136,50 inclusief btw zal kosten, exclusief de kosten van de fundering die reeds is gerealiseerd door [gedaagde] . Nu de offerte van [gedaagde] € 37.000,00 inclusief btw is, is deze minus de fundering (ad € 7.500,00 inclusief btw) € 29.500,00 inclusief btw. Gelet op de offerte van [naam bedrijf] is de door [eiser] te betalen meerprijs derhalve (€ 43.136,50 – € 29.500,00 =) € 13.636,50 inclusief btw. Bij gebreke van een betwisting van deze schadepost acht de rechtbank (ook) dit onderdeel voor toewijzing vatbaar. 4.
- Uit al het voorgaande volgt dat het sub 2 gevorderde eveneens voor toewijzing vatbaar is. 4.
- De onder sub 3 gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.059,37 zijn eveneens voor toewijzing vatbaar, nu dit bedrag overeenkomt met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. 4.
- [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - griffierecht € 0,00 - salaris advocaat € 786,00 (1 punt × € 786,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 964,00 5De beslissing De rechtbank 5.
- verklaart voor recht dat de tussen partijen bestaande overeenkomst tot aanneming van werk (partieel) is ontbonden, 5.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 28.436,50 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding (2 april 2024) tot de dag der algehele voldoening, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 964,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de verklaring voor recht onder 5.
- Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.