vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/336153 / HA ZA 24-507 Vonnis in incident van 12 maart 2025 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres in conventie in de hoofdzaak, verweerster in reconventie in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. L. Isenborghs, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde in conventie in de hoofdzaak, eiser in reconventie in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat mr. A. Carli. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 t/m 18, de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie tevens exceptie van onbevoegdheid met producties 1 t/m 57, de conclusie van antwoord in het incident, de e-mail van [gedaagde] van 7 februari 2025 inhoudende dat hij – gelet op de ingestelde eis in reconventie – de vordering in het incident handhaaft. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De feiten in het incident 2.
- [eiseres] heeft op 22 mei 2022 met [gedaagde] een overeenkomst van aanneming van werk gesloten ten behoeve van de verbouwing van het woonhuis van [gedaagde] . 3Het geschil in de hoofdzaak in conventie 3.
- [eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] een deel van de initiële aanneemsom, alsmede (de factuur van) het verrichtte meerwerk, onbetaald heeft gelaten. Om die reden vordert [eiseres] dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van € 36.900,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot de dag van volledige betaling, tot betaling aan [eiseres] van de buitengerechtelijke kosten van € 1.384,24, in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten, met bepaling dat indien deze (na)kosten niet binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn betaald, daarover de wettelijke rente is verschuldigd, vanaf dat moment tot aan de dag van volledige betaling. in de hoofdzaak in reconventie 3.
- Volgens [gedaagde] zijn de opgedragen werkzaamheden niet volledig en ondeugdelijk uitgevoerd. [eiseres] heeft, na daartoe in gebreke te zijn gesteld, geweigerd, althans verzuimd herstelwerkzaamheden uit te voeren. [gedaagde] heeft als gevolg van die tekortkomingen schade geleden. Om die reden vordert [gedaagde] in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] veroordeelt tot primair uitvoering van de (herstel)werkzaamheden genoemd onder stellingen 79 tot en met 95 binnen één maand gerekend vanaf de datum van het vonnis, met inachtneming van hetgeen is overeengekomen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dat dat hij nalaat aan de veroordeling te voldoen met een maximum van € 50.000,00, betaling van de proceskosten, subisidiair betaling van een bedrag van € 23.403,94 en de kosten van een deskundige (te bepalen na begroting), betaling van een bedrag van € 2.041,00 ter zake schade uitval zonnepanelen, betaling van vertragingsschade ter grootte van € 8.560,00, betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 2.775,00 exclusief btw, betaling van de wettelijke rente vanaf 15 januari 2025 tot de dag van volledige betaling, betaling van de proceskosten, in het incident 3.
- [gedaagde] stelt zich primair, de rechtbank begrijpt: voor alle weren, op het standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is om van de vorderingen van [eiseres] kennis te nemen omdat in de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst wordt verwezen naar de van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden (AVA 2013) waarin in artikel 17 een arbitrageregeling is opgenomen. [eiseres] had derhalve het geschil moeten voorleggen aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw. [gedaagde] vordert daarom dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. 3.
- [eiseres] voert verweer. Zij stelt – samengevat weergegeven – dat, omdat [eiseres] voorafgaand noch ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, de algemene voorwaarden aan [gedaagde] heeft verstrekt en de verwijzing slechts een algemene standaardverwijzing betreft die in alle offertes van [eiseres] is opgenomen, de algemene voorwaarden geen onderdeel uitmaken van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Partijen zijn daarom niet aan de voorwaarden verbonden. Verder is volgens [eiseres] sprake van een eenvoudige (incasso)vordering en niet, zoals [gedaagde] stelt, een bouwtechnisch complex geschil, zodat er geen reden bestaat het geschil bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw voor te leggen. Dat [gedaagde] een eis in reconventie zou instellen, waarvoor volgens [gedaagde] een bouwtechnisch inhoudelijke beoordeling vereist zou zijn, had [eiseres] bovendien niet kunnen voorzien. Hij behoefde daar ook niet op bedacht te zijn. Tenslotte heeft [gedaagde] zelf voorafgaand aan deze procedure meermaals gewezen op een procedure bij de rechtbank en nimmer naar de Raad van Arbitrage. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4De beoordeling In het incident 4.
- Bij de beantwoording van de vraag of op de overeenkomst de algemene voorwaarden van toepassing zijn, dienen de maatstaven te worden aangelegd die in het algemeen gelden bij de totstandkoming van overeenkomsten. De toepasselijkheid van algemene voorwaarden kan worden aangenomen indien zij door [eiseres] is voorgesteld en door [gedaagde] is aanvaard. Hierbij is het niet noodzakelijk dat [gedaagde] de inhoud van de algemene voorwaarden kent (artikel 6:232 BW). Vast staat dat in de aanneemovereenkomst tussen partijen de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard. Partijen hebben door ondertekening van die overeenkomst de toepasselijkheid van die algemene voorwaarden aanvaard. 4.
- Het al dan niet ter hand stellen van de algemene voorwaarden door de gebruiker daarvan aan de wederpartij, zoals neergelegd in artikel 6:234 lid 1 BW, zegt iets over de vraag of aan de wederpartij een redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen en of sprake is van een vernietigingsgrond (artikel 6:233 aanhef en onder b BW). De in deze bepalingen neergelegde verplichtingen strekken derhalve ter bescherming van de wederpartij en zien niet op de toepasselijkheid van de voorwaarden. [eiseres] kan daaraan derhalve geen grond ontlenen voor zijn stelling dat de voorwaarden niet van toepassing zijn. 4.
- Gelet op het voorgaande is de conclusie dat [gedaagde] zich met succes kan beroepen op het arbitragebeding zoals opgenomen in artikel 17 van de algemene voorwaarden. Ook uit hetgeen [eiseres] voor het overige stelt volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat aan het arbitragebeding geen toepassing gegeven kan worden, dan wel dat de behandeling van het geschil door de Raad van Arbitrage voor de Bouw in de gegeven omstandigheden onredelijk bezwarend zou zijn. Een tussen partijen overeengekomen beding, en dus ook een arbitragebeding, kan buiten toepassing blijven als toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De stelling van [eiseres] dat het geschil niet dermate technisch van aard is dat de zaak per se beter af is bij de Raad van Arbitrage, kan echter niet leiden tot die conclusie. 4.
- [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit incident. De rechtbank begroot deze kosten aan de zijde van [gedaagde] op € 614,00 aan salaris advocaat (1 punt van liquidatietarief II). In de hoofdzaak 4.
- De rechtbank zal zich in de hoofdzaak (in conventie en in reconventie) onbevoegd verklaren met veroordeling van [eiseres] in de kosten van [gedaagde] , die begroot worden op € 1.325,00 aan griffierecht. 5De beslissing De rechtbank in het incident 5.
- wijst het gevorderde toe, 5.
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 614,00, in de hoofdzaak in conventie en in reconventie 5.
- verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen, 5.
- veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, tot heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.250,00 aan griffierecht, in het incident en in de hoofdzaak 5.
- verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 12 maart
- type: RJ coll: