Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2025:9049
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 22 / 2521, ROE 22 / 2522 en ROE 22 / 2524 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 september 2025 in de zaken tussen [eiseres 1] , [eiseres 2] en [eiser], uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. M.M.M. Rooijen), en het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, verweerder (gemachtigden: mr. M. Buitenhuis, [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] , [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] ).
Procesverloop 1. Verweerder heeft bij besluiten van 24 december 2021 (primaire besluiten) lasten onder bestuursdwang opgelegd aan eisers.
1.1.
Met de besluiten van 13 september 2022 (bestreden besluiten) op de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten is verweerder bij die besluiten gebleven. Eisers hebben beroepen ingediend tegen de bestreden besluiten.
1.2.
Bij besluiten van 18 juli 2023 (kostenverhaalsbeschikkingen) heeft verweerder besloten de kosten van de bestuursdwang ten bedrage van € 208.327,95 op alle eisers te verhalen. Op grond van artikel 5:31c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben de beroepen tegen de bestreden besluiten mede betrekking op de kostenverhaalsbeschikkingen. Eisers hebben tegen de kostenverhaalsbeschikkingen op 14 september 2023 nadere gronden van beroep ingediend.
1.3.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. R.A. Stoks, kantoorgenoot van de gemachtigde van eisers, en de gemachtigden van verweerder. (Totstandkoming van de) besluiten 2. De rechtbank stelt vast dat ten tijde hier van belang [eiseres 2] eigenaar was van de varkenshouderij aan de [adres 1] in [plaats] (hierna ook: het bedrijf van [eiser] ). [eiseres 1] is de algemeen directeur van [eiseres 2] en [eiser] is bestuurder van [eiseres 2] Aan de overkant van de Veldweverstraat ligt het oppervlaktewaterlichaam de Rakerlossing. De Rakerlossing stroomt in op het oppervlaktewaterlichaam de Rosveldlossing en mondt stroomafwaarts uit in de Sterkselsche Aa. Op 18 november 2020 heeft het waterschap de Dommel een melding ontvangen van vissterfte in de Sterkselsche Aa in Noord-Brabant. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 18, 22 en 26 november 2020 (ecologisch) onderzoek (rapport van 26 mei 2021) laten uitvoeren in het stroomgebied van de Rosveldlossing en de zijbeken. Tijdens de controles zijn verschillende metingen verricht waaruit bleek dat het oppervlaktewater hoge concentraties sulfide, ammonium en ammoniak bevatte, die tot vissterfte leidden. Tijdens het onderzoek is volgens verweerder geconstateerd dat deze verontreiniging afkomstig en te herleiden is naar het bedrijf van eisers, omdat vanaf het bedrijf van eisers illegaal meststoffen zijn geloosd in de Rakerlossing.
3.1.
In de primaire besluiten zijn de volgende lasten onder bestuursdwang opgelegd:
De overtreding van artikel 6.2, eerste lid van de Waterwet te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kunt u doen door de reeds aanwezige meststoffen uit het oppervlaktewaterlichaam genaamd de Rosveldlossing te verwijderen en geen nieuwe (mest)stoffen in het oppervlaktelichaam te lozen. U kunt de meststoffen uit de Rosveldlossing verwijderen door de ophoping van meststoffen ter hoogte van de retentiebekken en de stuw op 1 kilometer stroomafwaarts in de Rosveldlossing te verwijderen. Het gaat specifiek over het onderdeel Rosveldlossing vanaf de instroming met Rakerlossing tot aan de stuw, waar de verontreiniging niet verholpen is. Het betreft een traject van ongeveer één kilometer en in totaal circa 965 m³ slib dat verwijderd moet worden;
De overtreding van artikel 6.8 van de Waterwet te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kunt u doen door geen handelingen te verrichten of na te laten waardoor u weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat hierdoor de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kan worden verontreinigd of aangetast en de gevolgen van de verontreiniging of aantasting te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. U kunt de gevolgen van de verontreiniging ongedaan maken door de ophoping van de meststoffen ter hoogte van de retentiebekken en de stuw op 1 kilometer stroomafwaarts in de Rosveldlossing te verwijderen. Het gaat specifiek over het onderdeel Rosveldlossing vanaf de instroming met Rakerlossing tot aan de stuw, waar de verontreiniging niet verholpen is. Het betreft een traject van ongeveer één kilometer en in totaal circa 965 m³ slib dat verwijderd moet worden.
3.2.
Als reactie op de zienswijze van eisers tegen het voornemen van verweerder tot het opleggen van de lasten onder bestuursdwang, dat het ‘causaal verband’ tussen de lozing en de verontreiniging ontbreekt, merkt verweerder in de primaire besluiten onder andere op dat er geen reden is om aan de bevindingen van de toezichthouder van 27 november 2020 te twijfelen en dat dit des te meer geldt volgens verweerder nu het waterschap bekend is met eerdere mestlozingen vanaf het perceel van eisers en voldoende aannemelijk is dat deze verontreiniging door eisers is veroorzaakt.
Bij de bestreden besluiten heeft verweerder tevens besloten ‘bij het te zijner tijd te nemen invorderingsbesluit rekening te houden met alle van toepassing zijnde omstandigheden die van belang kunnen zijn in het kader van een evenredige toerekening aan overtreder van de kosten van de uitvoering van de lasten’.
Deze kosten zijn € 208.327,95. Verweerder heeft in deze kostenverhaalsbeschikkingen het advies van de bezwarencommissie (ten aanzien van de bestreden besluiten), om de kosten voor het verwijderen van de sliblaag niet geheel ten laste van de overtreders te laten komen en om bij het te zijner tijd invorderen terdege rekening te houden met alle van toepassing zijnde omstandigheden die van belang kunnen zijn in het kader van een evenredige toerekening aan overtreders van de kosten van de uitvoering van de lasten, in zijn overweging betrokken. Daarbij heeft verweerder aangeven dat als de mestlozing niet had plaatsgevonden er niet gebaggerd zou zijn en een kostenverdeling dus niet is te maken. Verweerder heeft dan ook besloten om de kosten volledig op eisers als overtreders te verhalen.
Van andere redenen waarom de kosten te hoog / onevenredig zijn is verweerder niet gebleken. Verweerder vermeldt daarbij dat als de overtreders niet (volledig en tijdig) betalen de door verweerder gemaakte saneringskosten bij dwangbevel worden ingevorderd.
Beoordeling door de rechtbank 6. De rechtbank beoordeelt de lasten onder bestuursdwang en de kostenverhaalsbeschikkingen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 8. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die bestuurlijke sanctie het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd. De bij de primaire besluiten opgelegde lasten onder bestuursdwang dateren van vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Ww, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Faillissement 9. Verweerder stelt in het aanvullend verweer van 15 april 2024 dat [eiser] per 28 september 2022 als natuurlijke persoon failliet is verklaard. Volgens verweerder heeft de gemachtigde van eisers geen toestemming van de curator gekregen om namens hem het beroep van [eiser] in te stellen, hetgeen artikel 8:22 van de Awb in samenhang met artikel 25 van de Faillisementswet (Fw) vereist. Verweerder verzoekt de rechtbank om op grond van genoemde artikelen de curator van [eiser] op te roepen tot overneming van het geding. Nu [eiseres 1] en [eiseres 2] tot de boedel behoren, verzoekt verweerder de rechtbank om de curator tevens te verzoeken om zich uit te laten over de procedures van deze vennootschappen. Verweerder betwijfelt of de procedures bevoegdelijk geëntameerd zijn.
In artikel 25, eerste lid, van de Fw is bepaald dat rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, zowel tegen als door de curator worden ingesteld.
Is sprake van een overtreding?
In artikel 6.8 van de Ww is bepaald dat ieder die handelingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen of het nalaten daarvan de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.
Het talud was ter plaatse reeds opgeschoond en voorzien van nieuwe teelaarde. Blijkens de reactie van de toezichthouder op het in bezwaar namens eisers overgelegde onderzoek van Hengeveld Research, Chemistry and Odor (hierna: Hengeveld) van 14 februari 2022, is door de toezichthouder geconstateerd dat er in het talud bij het perceel van [eiser] kuiltjes aanwezig waren waarin water aanwezig was dat overduidelijk naar mest rook. Het water in de kuiltjes is ook onderzocht met behulp van de geleidbaarheidsmeter. Geconstateerd werd dat dit mestwater betrof. Uit metingen en visuele waarneming is gebleken dat er bovenstrooms van het bedrijf van [eiser] geen sprake was van verontreiniging van de Rakerlossing.
Verder is uit metingen en visuele waarneming gebleken dat de verontreiniging niet afkomstig kon zijn van het stroomafwaarts van het bedrijf van [eiser] gelegen varkensbedrijf aan de [adres 2] . Voorts is in het ecologisch onderzoek van 26 mei 2021 onder meer het volgende vermeld: “Naar aanleiding van vissterfte Sterkselse Aa (Waterschap de Dommel) is er door Waterschap Limburg op 18 november, zondag 22 november en donderdag 26 november onderzoek verricht in het stroomgebied van de Rosveldlossing en Rakerlossing. Uit onderzoek bleek dat vooral het lage zuurstofgehalte (0-2 mg/l) en ammonium gehalte (26 mg/l) maar ook andere voor de waterkwaliteit belastende parameters zoals waterstofsulfide vorming verantwoordelijk waren voor de vissterfte. Een lozing met varkensmest in de Rakerlossing bleek uiteindelijk hiervan de oorzaak. Bij de lozing is waarschijnlijk een grote hoeveelheid varkensmest, waarbij ammonium, fosfaat nitraat en organische stof via de Rakerlossing en de Rosveldlossing in de Sterkschelse Aa terecht is gekomen. Het merendeel van deze organische verontreiniging is benedenstrooms van het lozingspunt als zuurstofloos slib afgezet op de bodem, vooral op die trajecten in de Rosveldlossing waar stroming gering is.
Half maart is de waterbodem bemonsterd. Er was nog steeds een mestlucht waarneembaar. Er zijn vooral hoge fosfor-waarden en veel organisch materiaal aangetroffen. Het slib is van dien kwaliteit dat het geschikt is om te verspreiden over aangrenzende grond of op landbodem. Het gaat om een traject van ongeveer één kilometer en in totaal om 965 m3 slib dat verwijderd moet worden.”
18.1.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt en deugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers de artikelen 6.2, eerste lid, en 6.8 van de Ww hebben geschonden, door mest te lozen in de Rakerlossing. Voor de vraag of sprake is van een overtreding maakt de hoeveelheid mest die geloosd is niet uit. Onbetwist is dat eisers geen vergunning hebben voor het lozen van meststoffen. Verweerder was dus bevoegd handhavend op te treden. Dit betoog slaagt niet.
Zijn eisers overtreders?
De meststoflozing vond plaats binnen de normale bedrijfsvoering en [eiseres 2] kon erover beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en door niet in te grijpen heeft zij deze gedraging aanvaard. [eiseres 2] is daarom aan te merken als functioneel dader. Ook is de gedraging ten bate gekomen van de bedrijfsvoering van [eiseres 2] , nu er geen kosten hoeven te worden gemaakt om de mest op een andere manier kwijt te raken en de meststoffenboekhouding op deze manier kan worden omzeild. [eiseres 1] functioneert als algemeen directeur van [eiseres 2] en geeft daar derhalve leiding aan. Daarmee kon [eiseres 1] erover beschikken of de gedraging door [eiser] zou plaatsvinden. Door de gedraging niet te voorkomen en door geen maatregelen te nemen heeft zij aanvaard dat deze zou plaatsvinden.
Ook bij [eiseres 1] vond de gedraging plaats binnen de normale bedrijfsvoering en is deze ten dienste gekomen aan de bedrijfsvoering, nu deze onderneming in de Kamer van Koophandel (KvK) geregistreerd staat als actief in de akker- en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren, aldus verweerder.
21.1.
Wat betreft de strafrechtelijke criteria voor het daderschap van rechtspersonen wijst de Afdeling op de criteria die zijn geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2003, zoals verduidelijkt in het arrest van 26 april 2016. Daarin is overwogen: "In zijn arrest van 21 oktober 2003 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: a. a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
Uit de hiervoor vermelde rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet vereist is dat zich alle of meerdere van de onder a tot en met d vermelde omstandigheden voordoen.
Is sprake van causaliteit tussen de overtreding en de hoeveelheid slib?
De sliblaag kan al jaren aanwezig zijn door van agrarisch land afvloeiend hemelwater. Om de gestelde verontreinigde sliblaag van 965 m³ te krijgen stellen eisers dat zij 35-40 opleggers met elk circa 30 m3 mest geloosd moeten hebben op de Rakerlossing enkele kilometers vóór het punt waar de sliblaag is. Dat is onmogelijk volgens eisers en bovendien blijkt uit het rapport van 2 juni 2022 dat de aanvoer van schoonwater in de periode van de gestelde lozing ontbrak vanwege de droogte.
24.1.
In het verweerschrift heeft verweerder opgenomen dat uit de verklaring van de ecoloog van 26 mei 2021, rapport ‘Inspecties saneren Rosveldlossing’ van 21 september 2022 en het rapport ‘Verificatie baggerwerk Rosveldlossing Nederweert’ van [bedrijfsnaam] van 8 november 2022 blijkt dat in de Rosveldlossing een verontreiniging in de vorm van een sliblaag aanwezig is. Bekend is dat er vanaf het perceel van eisers meerdere lozingen hebben plaatsgevonden (in ieder geval op 17 december 2019, 3 januari 2020, 4 februari 2020, 18 en 28 november 2020 en 6 en 17 december 2020). Aannemelijk is volgens verweerder dat al de door eisers geloosde mest zich in de loop der tijd in de Rosveldlossing heeft opgehoopt.
25.1.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank voorts af dat uit de bestreden besluiten - zie onder 24 - volgt dat de aan de lasten onder bestuursdwang ten grondslag gelegde overtreding (lozing met meststoffen) op of omstreeks 25 november 2020 vanaf het erf van eisers heeft plaatsgevonden.
25.2.
Uit de besluitvorming blijkt niet dat de lasten onder bestuursdwang zijn opgelegd voor eventuele andere overtredingen, zoals de in het verweerschrift gestelde lozingen van 17 december 2019, 3 januari 2020, 4 februari 2020 en 6 en 17 december 2020, dan wel andere vóór die periode door verweerder gestelde lozingen door eisers en eventuele andere aanschrijvingen, zie bij voorbeeld de in de primaire besluiten genoemde aanschrijving van 21 januari 2021. Verweerder heeft het steeds over ‘een lozing’. De rechtbank verwijst ook naar 3.2.
25.3.
Daargelaten of voldoende aannemelijk is gemaakt dat de sliblaag met meststoffen is verontreinigd heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat, zoals volgt uit de bestreden besluiten (zie de conclusie van het advies van de bezwaren-commissie) de verontreiniging van de sliblaag enkel het gevolg is van een mestlozing van eisers op of omstreeks 25 november 2020. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat de lasten onder bestuursdwang, het verwijderen van het slib, ziet op het ongedaan maken van die (ene) mestlozing. De rechtbank vindt namelijk dat verweerder de causaliteit tussen die overtreding van de artikelen 6.2, eerste lid, en 6.8 van de Ww en de hoeveelheid mest/slib - saneringsplicht voor een groot gedeelte van de sliblaag - van ongeveer 20 centimeter over een afstand van ongeveer één kilometer van in totaal 965 m³ slib, één kilometer stroomafwaarts in de Rosveldlossing- niet heeft aangetoond.
Hiertoe overweegt de rechtbank - zie onder 25.2 - dat de door verweerder gestelde andere lozingen/ overtredingen van eisers niet ten grondslag zijn gelegd aan de lasten onder bestuursdwang, zodat deze mogelijke lozingen en de als gevolg daarvan ontstane (met mest vervuilde en te saneren) sliblaag niet (zonder meer) aan elkaar te koppelen zijn. Tevens is komen vast te staan dat de Rosveldlossing nog nooit gebaggerd is in de afgelopen 40 jaar, waardoor allerminst uitgesloten kan worden dat er eerdere lozingen (van andere bedrijven) dan wel mest afkomstig van andere percelen in de loop der jaren in dit oppervlakte-waterlichaam zijn terecht gekomen en deel uitmaken van de (te saneren) sliblaag.
Ook acht de rechtbank het niet waarschijnlijk dat eisers op de door verweerder genoemde dag / in de korte periode (op of omstreeks 25 november 2020) zo’n grote hoeveelheid mest geloosd zouden hebben op de Rakerlossing zo’n twee kilometer vóór het punt waar de sliblaag zich bevindt (in een periode van droogte) waardoor er weinig water stond in de Rakerlossing. Dit is ook duidelijk naar voren gekomen ter zitting waar (via google maps/street view) het hele traject vanaf de plek van de overtreding tot de te saneren lossing is gevolgd en mede op basis waarvan (voldoende) twijfel is gerezen over de causaliteit tussen de overtreding op of omstreeks 25 november 2020 en de door eisers te saneren hoeveelheid mest/slib.
25.4.
Gelet hierop zijn de lasten (veel) te verstrekkend. Verweerder heeft niet voldoende gemotiveerd en onderzocht of het verwijderen van de door hem in de lasten onder bestuursdwang vermelde sliblaag het gevolg is van/nodig is in het licht van het ongedaan maken van de gevolgen van die ene overtreding. De rechtbank is hiervan niet overtuigd geraakt. Verweerder had dan ook moeten aantonen welke andere overtredingen er zijn geweest om deze grote hoeveelheid (te verwijderen) slib te hebben opgeleverd en deze aan de lasten ten grondslag moeten leggen, dan wel had hij tot een aanzienlijke beperking van het kostenverhaal moeten komen. In dit verband is van belang dat verweerder niets heeft gedaan met de opmerking van de bezwarencommissie - zie ook onder 4 en 24 - ten aanzien van de kostenverhaalsbeschikkingen. Wat dat laatste betreft merkt de rechtbank nog op dat naar aanleiding van de behandeling ter zitting geprobeerd is partijen tot een minnelijk akkoord te laten komen. Verweerder heeft bij brief van 5 juni 2025 aan de rechtbank laten weten dat er geen bereidheid bestaat een schikking te treffen met eisers. Het betoog slaagt.
Kostenverhaalsbeschikkingen 27. De rechtbank overweegt dat nu de bestreden besluiten vernietigd dienen te worden de grondslag komt te ontvallen aan de kostenverhaalsbeschikkingen - zie hierover onder 5 - in verband met de door verweerder toegepaste bestuursdwang. Deze komen derhalve ook voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overweging aan het einde van 25.4.
Samenvatting/conclusie en gevolgen 28. Zoals onder 14 aangegeven is het beroep van [eiser] ontvankelijk. De rechtbank vindt dat de mestlozing op of omstreeks 25 november 2020 een overtreding is van wettelijke voorschriften en dat alle eisers als overtreder zijn aan te maken (zie onder 18.1 en 22). De beroepen van hen slagen op dat punt niet. Die beroepen zijn gegrond omdat de lasten onder bestuursdwang en de kostenverhaalsbeschikkingen in strijd zijn met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zoals aangegeven onder 25.4 zijn de lasten (veel) te verstrekkend. Verweerder heeft niet voldoende gemotiveerd en onderzocht of het verwijderen van de door hem in de lasten vermelde sliblaag het gevolg is van/nodig is in het licht van het ongedaan maken van de gevolgen van die ene aan die lasten ten grondslag gelegde overtreding. Van een beperking van het kostenverhaal is (eveneens) geen sprake. De rechtbank vernietigt daarom de beschikkingen daarover (zie onder 27). De rechtbank ziet geen reden om zelf een beslissing over de handhaving te nemen. Verweerder is eerst aan zet. Hij zal, in het licht van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, opnieuw moeten besluiten op de bezwaren van eisers en daarbij een keuze moeten maken of en hoe hij het door de rechtbank geconstateerde gebrek gaat herstellen.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, en mrs. A. Snijders en H.H.B. Lamers, leden, in aanwezigheid van mr. P.M. van den Brekel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2025. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 17 september 2025.
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De term ‘invorderingsbesluit’ is van verweerder (in navolging van de bezwarencommissie). Hierna wordt niet meer gesproken van invorderingsbesluit maar van kostenverhaalsbeschikkingen.
Het gaat hierbij blijkens de gedingstukken om ongeveer 70% van al het aanwezig slib in de Rosveldlossing.
ECLI:NL:HR:1999:AD3053 en ECLI:NL:GHARL:2015:3910.
ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071.
Zie de uitspraken van de Hoge Raad van 23 februari 1954, ECLI:HR:1954:3 (IJzerdraad-arrest) en van 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3487.
ECLI:NL:RVS:2023:2071.
ECLI:NL:RVS:2023:2067.
ECLI:NL:HR:2003:AF7938 (Drijfmest-arrest) en ECLI:NL:HR:2016:733.
Zie voetnoot 1.
De gedingsstukken bevatten geen nadere informatie, zoals inspectierapporten, hierover.
De rechtbank laat hierbij de door eisers onder 23 genoemde rekensom in het midden.