Rechtbank Limburg Familie en jeugd Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: C/03/332358 / FA RK 24-2215 Beschikking van 7 oktober 2025 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden in de zaak van: [vader] , wonende te [plaatsnaam] , hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. P. Winkens; tegen: [moeder] , wonende te [plaatsnaam] , hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. G.A.P. Avontuur; betreffende de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] 2016, [minderjarige 2] , geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum]
- In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bij deze zaak betrokken: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Roermond, hierna te noemen: de Raad. Tevens is ter zitting uitgenodigd: de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, hierna te noemen de GI, gevestigd te Roermond. 1Het verdere verloop van de procedure 1.
- Het verdere procesverloop blijkt uit het volgende: - de tussen partijen gegeven beschikking van 30 januari 2025 waarbij een voorlopige omgangsregeling is bepaald tussen de vader en de kinderen en de Raad is verzocht rapport en advies uit te brengen; - het op 10 september 2025 ingekomen rapport en advies van de Raad met tevens de reacties van de ouders op het conceptrapport; - het standpunt van de moeder met bijlagen, ingekomen op 17 september 2025; 1.
- De nadere mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2025, waarbij het verzoek van de Raad om de kinderen onder toezicht te stellen (C/03/345216 / JE RK 25-1540) eveneens is behandeld. Bij aparte, wel gelijktijdige, beschikking zal hier op worden beslist. Verschenen zijn: - de vader, bijgestaan door mr. Winkens; - de moeder, bijgestaan door mr. Avontuur; - twee vertegenwoordigsters van de Raad; - twee vertegenwoordigsters van de GI, waaronder één gedragswetenschapper. 1.
- De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt. 2Het advies van de Raad 2.
- De Raad adviseert om de beslissing op het verzoek van de vader, om de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten, aan te houden voor de duur van twaalf maanden in afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling. Daarnaast adviseert de Raad om een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen onder regie van de GI. 2.
- De Raad maakt zich ernstige zorgen over het emotioneel veilig opgroeien van de kinderen. In het onderzoek zijn er weinig zaken naar voren gekomen waar de ouders overeenstemming c.q. een gelijkluidende visie over hebben. Waar zij het wel over eens zijn, is dat hun gezinsgeschiedenis vanaf de geboorte van de kinderen bewogen en onrustig is geweest. De moeder is er stellig van overtuigd dat zij en de kinderen getraumatiseerd zijn als gevolg van intieme terreur / dwingende controle gepleegd door de vader, onder andere in de vorm van woede-uitbarstingen naar de moeder en de kinderen. Volgens de vader werd na de geboorte van de kinderen duidelijk dat de opvoedingsstijl van de ouders zó verschillend was, dat dit zorgde voor toenemende stress, onrust en ruzies tussen de ouders. In ieder geval zijn de kinderen van kleins af aan opgegroeid in een gezinssituatie waar regelmatig veel spanning en stress aanwezig was en hun gevoel van veiligheid heeft daar ongetwijfeld onder geleden. De Raad kan dan ook goed plaatsen dat sprake zou kunnen zijn van hechtingsproblematiek. Bij beide kinderen is volgens de Raad sprake van een ontwikkelingsbedreiging. Bij de moeder laten de kinderen fors gedrag zien en momenteel is er geen fysieke omgang met de vader. Bij [minderjarige 1] is de schoolgang ook gestagneerd en zij gaat enkel nog een keer per week naar een plusklasje. 2.
- Tijdens het onderzoek heeft de Raad twee ouders gezien die op hun eigen manier betrokken zijn bij het welzijn van de kinderen. De moeder is op zoek naar hoe ze de kinderen het beste kan helpen en ze laat hierbij veel inzet zien. Ze doet dit door zelf informatie te vergaren, theorieën op te doen en hulpverlening te zoeken. In haar zoektocht doet de moeder tips en adviezen op die ze toepast binnen haar benadering en opvoeding van de kinderen. Met momenten doet dit echter erg theoretisch aan en hierdoor bestaat het risico dat dit ten koste gaat van de natuurlijke responsiviteit en sensitiviteit naar de kinderen. Bepaald gedrag wordt door de moeder wellicht te veel geproblematiseerd en zij kijkt en handelt dan te veel door de bril van trauma naar haar kinderen. De moeder doet haar best om op de juiste manier bij de kinderen aan te sluiten en om alle ballen hoog te houden. Ze staat er echter grotendeels alleen voor en haar draaglast en draagkracht zijn op dit moment niet in evenwicht. De moeder is ervan overtuigd dat sprake is geweest van intieme terreur / dwingende controle in de relatie en dat dit een grote weerslag heeft op de kinderen. De moeder heeft tijdens het onderzoek diverse spraakopnames aan de Raad gestuurd. De Raad wil echter benadrukken dat dit momentopnames zijn en dat onduidelijk is in welke context de berichten zijn opgenomen. De Raad vindt de uitspraken die de kinderen doen zorgelijk, maar hij vindt het ook zorgelijk dat de moeder telkens opnames maakt. De moeder heeft een grote bewijslast opgebouwd om aan te tonen bij de hulpverlening dat sprake was / is van intieme terreur / dwingende controle, maar hier voelt zij zich onvoldoende in gehoord, gezien en serieus genomen. Dit resulteert erin dat de moeder nog harder strijdt om mensen te overtuigen dat sprake was van intieme terreur / dwingende controle en zij is wantrouwend richting hulpverleners. De nadruk lijkt nu te liggen op de dynamiek tussen de moeder en de hulpverleners in plaats van de focus op de problematiek waarvoor de hulpverlening is benaderd. 2.
- De Raad ziet een vader die graag het contact met de kinderen wil herstellen, ook wanneer hier hulpverlening voor nodig is. De vader erkent dat hij het momenteel niet alleen voor elkaar krijgt om dit op een goede manier te doen, maar hij weigert mee te werken aan een Begeleide Omgangs Regeling (BOR). Voor zijn gevoel erkent de vader dan dat hij onveilig zou zijn voor de kinderen en dat ontkent hij juist pertinent. Eerdere begeleide omgangsmomenten zijn goed verlopen en verdere begeleiding werd niet nodig gevonden. De Raad ziet bij de vader veel frustratie over hoe zaken lopen en met name over de beschuldigingen die de moeder uit en die volgens de vader ongefundeerd zijn. Voor de vader voelt het alsof hij zich continu moet verweren tegen wat de moeder zegt en doet. De vader heeft gedurende het onderzoek een grens getrokken en aangegeven niet langer mee te willen werken aan dergelijke zaken. Dit heeft ertoe geleid dat de vader niet heeft meegewerkt aan een afname van de MASIC. De Raad vindt dit zeer spijtig, omdat dit instrument er mede voor kan zorgen dat er meer concreet zicht komt op signalen van geweld en onveiligheid, om vervolgens te bepalen hoe verder kan worden gegaan. De houding van de vader werkt met momenten contraproductief. 2.
- De Raad heeft in zijn onderzoek niet kunnen vaststellen of sprake is (geweest) van intieme terreur / dwingende controle en kan daarom geen gedegen advies geven over de mogelijkheden voor gezamenlijk gezag. Hoewel het wettelijk uitgangspunt gezamenlijk gezag is, is dit een middel voor de vader om controle te blijven uitoefenen als er wel sprake is (geweest) van intieme terreur. De Raad heeft tevens om een ondertoezichtstelling verzocht en de GI dient de vader te motiveren alsnog mee te werken aan een objectief en specialistisch onderzoek, bijvoorbeeld de MASIC, naar intieme terreur / dwingende controle. De GI dient meer zicht te krijgen op de onderlinge dynamieken van de ouders en de ouders dienen een andere modus van communicatie aan te leren, waardoor gezamenlijk gezag in de toekomst wellicht wel mogelijk kan zijn. Voor wat betreft de omgangsregeling dient sprake te zijn van contact tussen de vader en de kinderen onder regie van de GI, waarbij er, mits veilig en haalbaar, toegewerkt wordt naar een weekend per veertien dagen en een verdeling van vakanties en feestdagen bij helfte. De Raad acht het van belang om te benoemen dat er verschil kan zijn in wat de kinderen, afzonderlijk van elkaar, aan kunnen. Hun tempo dient leidend te zijn, maar het kan wel zijn dat de kinderen hierin een ander tempo hebben. 3De nadere standpunten De moeder 3.
- De moeder vraagt om de verzoeken van de vader af te wijzen. De vraag die voorligt is of sprake is van dwingende controle van de vader uit naar de moeder en/of de kinderen. Dat is van belang voor het antwoord op de vraag hoe het contact tussen de vader en de kinderen op een veilige, positieve en duurzame manier gestalte kan krijgen. De Raad heeft de onderzoeksvraag niet kunnen beantwoorden en schuift het nu door naar de GI. De GI doet echter geen eigen onderzoek en werkt altijd volgens de Methodiek Complexe Scheidingen. De GI heeft geen enkele kennis van dwingende controle. Deze zaak wordt dan behandeld als een vechtscheiding, maar de problemen worden alleen maar groter vanwege ondeskundige interventies. 3.
- De moeder heeft een uitgebreide reactie gegeven op het raadsrapport en zij is inhoudelijk ingegaan op de tekortkomingen daarin. Zij is van mening dat wel degelijk de conclusie kan worden getrokken, op grond van alle in deze procedure voorliggende stukken, dat sprake is van dwingende controle van de vader gericht op de kinderen en de moeder. De essentie van dwingende controle is dat de eigenheid van de ander miskend, beperkt en uiteindelijk vaak zelfs vernietigd wordt. Uit door de moeder overgelegde artikelen blijkt dat niets zo schadelijk is voor kinderen als emotioneel misbruik door de ouders. Dat heeft rampzalige effecten en leidt tot ernstige symptomen van PTSS. Bij geweld gaat het namelijk steeds om de vraag: wie doet wat bij wie, binnen welke context en met welk effect? In het rapport van de Raad ontbreekt het aan deze toets. 3.
- De vraag is of de moeder aan de op haar rustende stelplicht en bewijslast heeft voldaan, maar daarbij hoeft geen sluitend bewijs te worden geleverd. Zij moet haar stellingen voldoende aannemelijk maken. De moeder heeft het nodige bewijs ingebracht van het door haar ervaren dwingend controlerende gedrag van de vader. De moeder heeft de manier beschreven waarop zij volledig is uitgeput door de vader en dat sprake was van financieel misbruik door hem. De vader had onvoorspelbare woede-uitbarstingen, ook in interactie met de kinderen. Daarnaast heeft de moeder ook geluidsopnames aan de Raad laten horen. Dit wordt haar kwalijk genomen. Moeders kunnen het echter nooit goed doen. Als ze hun stellingen niet onderbouwen wordt het hen kwalijk genomen, maar als ze het onderbouwen wordt de bewijsgaring als probleem gezien. De Raad geeft aan dat de context onduidelijk is en dat is, ongemotiveerd, overgenomen van de vader. Het had echter op de weg van de vader gelegen om aan te geven binnen welke context het dan is gebeurd. De school van [minderjarige 1] geeft ook aan dat duidelijk merkbaar was als [minderjarige 1] bij de vader was geweest. Als kinderen op school geen signalen afgeven wordt er geconcludeerd dat er geen problemen zijn. Als kinderen wel signalen afgeven dan wordt het door de Raad genegeerd of gebagatelliseerd. De Raad toont zich ontvankelijk voor het beeld dat de vader schetst van de moeder, namelijk dat de moeder overal problemen heeft en dat zij er maar één agenda op nahoudt: de kinderen bij de vader weghouden. De vader impliceert hiermee dat hij zelf wel coöperatief is. Dat is echter niet waar; al vanaf de geboorte van de kinderen niet. De vader geeft geen openheid van zaken over door hem gevolgde en (voortijdig) afgebroken hulpverleningstrajecten verband houdend met zijn boosheid. Er is een patroon zichtbaar waarbij de vader al jarenlang allerlei, in het belang van de kinderen, noodzakelijke onderzoeken of hulpverlening van de hand wijst. Ook dit is een kenmerk van dwingende controle. 3.
- De hulp die de moeder heeft gezocht sloot meestal onvoldoende aan. Bij kinderen van gescheiden ouders wordt er, zonder dit nader te onderzoeken, vanuit gegaan dat problemen zijn terug te voeren op geschillen tussen de ouders. De geslotenheid en het gebrek aan medewerking van de vader wordt door de Raad grotendeels bedekt met de mantel der liefde, terwijl de openheid van de moeder leidt tot een afrekening. De moeder voedt de kinderen traumasensitief op en het ontgaat haar waarom dit afkeuring verdient. De vader toont zich nauwelijks of niet responsief naar de kinderen en hij weigert aan te sluiten bij hun behoeften. De vader wil enkel contact op zijn voorwaarden en hij negeert de kinderen als dit niet kan. Samengevat valt de boosheid van de vader op, alsmede de afwijzing van de kinderen. Dit is al een patroon dat zich over jaren uitstrekt en waarmee een beeld ontstaat van emotioneel misbruik. De Raad heeft het over verschillende opvoedstijlen van de ouders waar de kinderen last van zouden hebben. Dit is een drogredenering die niets meer beoogt dan het bagatelliseren van de onaanvaardbare dwingende controle van de vader jegens de kinderen. De moeder is van mening dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van dwingende controle vanuit de vader, naar zowel de moeder als de kinderen. 3.
- Het verzoek van de vader voor gezamenlijk gezag moet worden afgewezen, omdat dwingende controle hiervoor een contra-indicatie is. De vader frustreert de hulpverlening al jarenlang door geen medewerking te verlenen of zelfs maar openheid van zaken te verschaffen over zijn boosheid en daarvoor gevolgde behandelingen. Het verzoek met betrekking tot de omgang dient ook te worden afgewezen. Niet omdat de moeder tegen contact is tussen de vader en de kinderen, maar omdat het niet haalbaar is om een omgangsregeling met vaste begin- en eindtijden vast te stellen. Door het verzoek af te wijzen ontstaat er een situatie waarbij de vader zich flexibeler zal moeten opstellen in het contact met de kinderen. Dat is nodig om de huidige impasse in het contact te doorbreken. De door de moeder ingeschakelde Intensieve Gezinsbegeleiding (IGB) kan hierbij ondersteuning bieden en bij voorkeur gaat de vader alsnog deelnemen aan het IGB-traject. Het zou ook de voorkeur verdienen als de vader gaat werken aan zijn boosheid. De vader 3.
- De vader is van mening dat de omgangsregeling zo snel mogelijk weer moet worden opgestart zoals die eerder is bepaald. Een weekend per twee weken van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur. De verdeling van de vakanties en feestdagen dient onder regie van de GI te gebeuren. De beslissing omtrent het gezag moet niet worden aangehouden. Toewijzing van zijn verzoek is geenszins in strijd met de belangen van de kinderen; het is juist in hun belang. 4Wat ter zitting is besproken De moeder 4.
- Door de moeder is gesteld dat er, sinds het wijzen van de tussenbeschikking, vele stappen achteruit zijn gezet. De moeder uitte toen al haar zorgen, maar er zouden toen geen signalen van zorgen over de kinderen zijn. Die signalen zijn er nu wel en de moeder heeft IGB ingeschakeld. De IGB start echter niet voordat er een positie is ingenomen over de vraag of sprake is (geweest) van dwingende controle. Bekeken is wat een goede behandeltechniek zou zijn en als sprake is van dwingende controle, dan vereist dat een andere aanpak dan een complexe scheiding. De moeder wil de vader hierbij betrekken, maar zelfs ter zitting kan de vader hier nog geen volmondig ‘ja’ op zeggen. De vader ontkent nu ter zitting dat hij hulp heeft gezocht voor zijn onvoorspelbare boosheid, maar hij heeft daar wel hulp voor gezocht. Alleen zijn de trajecten nooit afgerond. 4.
- Volgens de moeder is wel degelijk sprake van dwingende controle vanuit de vader richting de kinderen. Ze benoemt diverse voorbeelden en heeft ook geluidsopnames. Gelet op hoe de vader omgaat met (het gedrag van) de kinderen, is sprake van kindermishandeling. Er wordt nu gedaan alsof de hypothese dat sprake is van dwingende controle vanuit de moeder zelf komt. Dit is niet zo. De moeder heeft veel begeleiding gehad van professionals en die hebben gezegd dat hiervan sprake is. Die begeleiding is wel gevoed door informatie van de moeder, maar het wordt ook op een forensische manier bekeken. Als een ouder het gevoel zou hebben dat de ander voor hem/haar bepaalt, zou je daar als volwassene over in gesprek moeten gaan. De vader ging dat gesprek niet aan en ging boven zitten. Dat is ‘stiltestraf’ toepassen. Daarnaar gevraagd geeft de moeder aan de vader wel nog te informeren. Sinds de vader een nieuwe partner heeft, informeert de moeder hem per e-mail. Toen zijn ook alle leugens begonnen. De moeder kan dat allemaal weerleggen. De moeder probeert de vader eenmaal per maand of na een gesprek (bijvoorbeeld op school) te informeren. De moeder blijft ook steeds hulp zoeken. Ze vraagt zich af of ze iets anders had kunnen doen. De moeder krijgt begeleiding en ze neemt deel aan een traject tot solo-parallel ouderschap, terwijl dat een contra-indicatie is als sprake is van dwingende controle. De moeder wil echter leren omgaan met het gedrag van de kinderen. Ze heeft het gevoel dat als ze zich kwetsbaar opstelt, dat er dan naar haar gewezen wordt. De moeder is heel kritisch op zichzelf. Dat was ze in het verleden al. Als de vader dan boven ging zitten, ging de moeder documentaires kijken om te leren hoe ze kan groeien als ouder. 4.
- Ter zitting wordt gesuggereerd dat er een verschil is tussen dwingende controle en pedagogische onmacht, maar dat verschil is er eigenlijk niet. Wat gelezen wordt als pedagogische onmacht is eigenlijk dwingende controle. Kinderen kunnen zich beklagen over de boosheid van een ouder, maar daar wordt eigenlijk nooit op doorgevraagd. Als dat uiteindelijk wel gebeurt, dan blijkt dat ze dat zeggen omdat ze de boosheid ervaren als onvoorspelbaar en het niet in verhouding staat tot hetgeen daadwerkelijk is voorgevallen. De vader heeft zeker goede kanten, maar zijn onvoorspelbare boosheid heeft een grote impact op de kinderen. De moeder heeft in haar verweer al nader geconcretiseerd waaruit de dwingende controle blijkt. Het is niet zo dat de vader ooit tegen de moeder heeft gezegd dat zij iets niet mocht doen. De vader zette hiervoor lichaamstaal en emoties in. De moeder denkt dat de vader in staat is tot positief contact met de kinderen. Niets is echter zo onveilig als onvoorspelbaarheid. Daar moet de vader iets aan doen; hij moet eerst zijn eigen emoties reguleren. De vader 4.
- Er wordt nu door de moeder heel erg ingestoken op formaliteiten en procedurele dingen die niet goed zijn gegaan, maar dat leidt af van hetgeen waarmee het begonnen is. De aanleiding was de melding door CECL bij Veilig Thuis. De zorgen over de kinderen zijn er en het zijn grote zorgen. De moeder stelt dat de Raad zich moet positioneren, maar andere instanties zeggen dat geen sprake is van dwingende controle. Dat is niet voldoende voor de moeder; zij moet haar gelijk krijgen. Er wordt nu gedaan alsof de vader nergens aan meewerkt, maar dat is onjuist. Eerder zijn partijen bij de Mutsaersstichting in Weert geweest en de vader heeft meegewerkt bij CECL. Als dan echter blijkt dat er ook zorgen liggen aan moederszijde, dan wordt door de moeder alles stop gezet en worden conclusies van instanties betwist. Door de moeder is nu een traject gestart bij de Mutsaersstichting. De vader is hier (nog) niet in mee gegaan, omdat het raadsonderzoek nog liep. De vader wilde de uitkomst hiervan afwachten. De vader heeft geen trajecten gevolgd voor (onvoorspelbare) boosheid, die volgens de moeder aan de orde zou zijn. De vader heeft hulp gehad vanwege de problemen waar hij in de relatie tegenaan liep. Er zaten heel veel verschillen tussen de ouders, in bijna alles. Het kan zeker een wisselwerking zijn geweest dat de ouders over en weer dachten dat zaken voor ze bepaald werden, omdat er geen verbinding (meer) was tussen de ouders en er niet gecommuniceerd werd. De vader vindt het echter niets dat de moeder alles helemaal uitkristalliseert en analyseert. De vader begrijpt dat er een verschil in visie zit over hoe je kinderen opvoedt. De vader kan zich echter niet voorstellen dat bij de moeder heeft geleefd dat hij onvoorspelbaar boos kon worden. Hij kan wel met stemverheffing spreken. Dat kan wellicht vervelend overkomen. Van fysiek geweld is in de relatie nooit sprake geweest. De vader zijn grens voor wat betreft de beschuldiging van intieme terreur / dwingende controle is bereikt. Als er toch een MASIC komt, dan doet de vader niet mee. Als daar namelijk niets uit komt, zal de moeder daar niet door overtuigd worden en komt er wel weer een ander onderzoek. Zou er een ondertoezichtstelling komen en de GI wil hulpverlening voor de kinderen inzetten, dan werkt de vader daar zeker aan mee. Nu wordt echter door de moeder alles opgehangen aan dwingende controle en de vader weigert daar nog langer aan mee te werken. 4.
- De contacten tussen de vader en de kinderen waren in het begin positief. Nu is sprake van een andere situatie. Met [minderjarige 2] is er wel contact, maar [minderjarige 1] laat heel veel weerstand zien. Volgens de vader moet het omgedraaid worden. Het gaat niet goed met kinderen door de situatie die nu is ontstaan. Misschien had de vader geen rechtszaak moeten beginnen. Dat heeft voor veel escalaties en problemen gezorgd. De vader doet nu alles fout, althans heeft het gevoel niets meer goed te kunnen doen. De moeder zegt dat de vader geen initiatief toont, maar als de vader wel iets zegt dan is de vader bepalend. De vader weet niet meer wat hij moet doen. Hij is bang dat alles wat hij doet geanalyseerd wordt en het is de vraag hoe het geïnterpreteerd wordt. Dit is ook lastig in het contact met [minderjarige 2] , want alles wat [minderjarige 2] tegen de moeder vertelt wordt nu onder een vergrootglas gelegd door de moeder. Zo is de vader bijvoorbeeld met [minderjarige 2] in het bos gaan wandelen en begon [minderjarige 2] met stokken te gooien. De vader wilde daar na de derde keer iets van zeggen, maar hij is bang voor wat er dan gezegd gaat worden door de moeder. Voor wat betreft [minderjarige 1] had de vader misschien wel moeten proberen om de laatste twee maanden toch met haar in contact te komen. Misschien had hij moeten denken ‘wat maakt het uit als er door de moeder opnames worden gemaakt’. De vader heeft ook geen contact met de school van de kinderen. Hij wordt verder nergens in meegenomen en ziet de noodzaak daarvan niet zozeer. De vader heeft geen gezag en ziet de meerwaarde niet om betrokken te worden bij school. Misschien is de vader daar ‘fout’ in, maar hij is bang dat als hij naar de school gaat voor een gesprek dat dit ook weer ‘fout’ wordt geïnterpreteerd. Zou de vader gezag krijgen, dan zal hij zeker contact opnemen met de school. 4.
- In ieder geval dient er weer omgang te komen, waarbij wel een onderscheid in snelheid gemaakt kan worden tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Er moet wel duidelijkheid zijn. Voor wat betreft het gezag dient dit niet te worden aangehouden. Er is geen grond voor afwijzing van het verzoek. Sterker nog, het is juist goed voor de kinderen als de ouders een gelijkwaardige positie krijgen en de vader kan meebeslissen. Zonder gezag bij de vader kan de moeder het nu draaien zoals zij wil. Het is ook niet duidelijk wat er niet goed zou lopen als de vader gezag zou hebben. De Raad 4.
- De Raad heeft aangegeven dat hij al sinds april 2025 met deze zaak bezig is. Het is een heel intensieve zaak. De Raad heeft het rapport zo zorgvuldig mogelijk proberen te maken. Duidelijk is in ieder geval dat er hulpverlening nodig is. De moeder zoekt weliswaar hulp, maar de kinderen krijgen nu de hulp niet die zo hard nodig is. Een ondertoezichtstelling is nodig, zodat er iemand komt die kijkt wat echt nodig is voor de kinderen, zodat trajecten worden gestart en ook door lopen. Het klopt dat er heel veel hypotheses zijn en niet alles wat er speelt kan getest en getoetst worden. Dat heeft niet alleen te maken met het contact tussen de ouders en het contact tussen de vader en de kinderen, maar ook met alles wat er omheen speelt. De kinderen worden op veel gebieden overvraagd. 5Het oordeel van de rechtbank 5.
- Voor wat betreft het juridisch kader verwijst de rechtbank naar haar beschikking van 29 juli
- Voor zover relevant zal hier bij de beoordeling nader op worden ingegaan.Daarnaast is relevant dat de rechtbank, bij gelijktijdige beschikking, de kinderen onder toezicht heeft gesteld van de GI. 5.
- In deze zaak kan voorop gesteld worden dat het met de kinderen niet goed gaat. Zij hebben last van de situatie en beide ouders lijken op dit moment onmachtig om daar iets in te veranderen. Die onmacht komt voort uit de tegenstrijdige stellingen die de ouders hebben ingenomen en de situatie nu alleen maar verergerd lijken te hebben. De moeder lijkt er niet (meer) voor open te staan dat er iets anders aan de hand kan zijn dan enkel dwingende controle vanuit de vader. De vader op zijn beurt lijkt niet in te zien wat voor impact zijn gedrag heeft (gehad) op in ieder geval de moeder en misschien ook de kinderen. In de beschikking inzake de ondertoezichtstelling is het navolgende overwogen, hetgeen de rechtbank ook van belang acht in deze zaak: (…) De moeder is ervan overtuigd dat er sprake is (geweest) van dwingende controle en dat vanuit die optiek hulpverlening moet worden ingezet. De rechtbank kan, net als de Raad, niet vaststellen of hiervan wel of geen sprake is geweest. De opvattingen van de ouders hierover liggen ver uit elkaar. Dat de moeder dit zo heeft ervaren is duidelijk. De rechtbank kan enerzijds geen oordeel geven over hoe iemand iets ervaren heeft en wat iemands waarheid is. Anderzijds heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat de vader heeft geprobeerd de moeder te overheersen, dat sprake was van dwingende controle en dat daar nog steeds sprake van is. De stellingen en stukken die de moeder daarvoor heeft ingediend zijn, gelet ook op de gemotiveerde betwisting van de vader, onvoldoende om tot die verstrekkende conclusie te komen. De moeder heeft wel allerlei onderzoeken en artikelen overgelegd, maar de rechtbank mist waar dit, zowel tijdens de relatie als nu in het heden, concreet van toepassing is. De moeder haalt weliswaar voorbeelden aan, maar de vader heeft hier een andere beleving bij, zodat niet concreet kan worden vastgesteld dat de kinderen dit ook zo hebben beleefd. De rechtbank onderschrijft ook niet de stelling van (de advocaat van) de moeder dat er eigenlijk weinig verschil zit tussen dwingende controle en pedagogische onmacht. In de optiek van de rechtbank zit hier wel degelijk een verschil in. Op basis van het dossier en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, heeft de rechtbank wel zorgen over de pedagogische vaardigheden van de vader, vooral als de spanningen oplopen. Dit maakt echter nog niet dat sprake is (geweest) van dwingende controle. Het feit dat de rechtbank dit niet kan vaststellen, maakt de situatie voor de kinderen niet minder ernstig. De moeder heeft een heel sterke opvatting over wat er aan de hand is, terwijl de vader een even sterke andere opvatting heeft. Beiden lijken daarbij echter het belang van de kinderen uit het oog te verliezen, juist omdat ze zo sterk blijven staan in hun eigen opvattingen. Hierdoor komt de benodigde hulpverlening in een vrijwillig kader niet op gang. De rechtbank acht het noodzakelijk dat er iemand komt die regie neemt en passende hulpverlening inzet voor de kinderen. Daarbij dient vooral gekeken te worden naar het heden en de toekomst van de relatie tussen de ouders onderling en in het bijzonder ieders relatie met de kinderen. Dat de problematiek bij de kinderen (enkel) zou voortkomen uit de (eventuele) dwingende controle vanuit de vader is onvoldoende gebleken. Er lijkt in ieder geval ook sprake te zijn van kindeigenproblematiek, zoals mogelijke hoogbegaafdheid bij beide kinderen en er is wellicht sprake van hechtingsproblematiek. Niet kan worden uitgesloten dat de kinderen last hebben van de situatie tussen de ouders; juist vanwege de verschillen van visie over opvoeden, waarbij de ouders elkaars visie niet lijken te respecteren. Dit heeft ook tijdens de relatie gespeeld. Van de spanningen die dit heeft opgeleverd zullen de kinderen ongetwijfeld het nodige hebben meegekregen. De ouders leven echter al jaren niet meer met de kinderen in het gezinsverband waarin die spanningen zich voordeden. Er zal naar ieders relatie met de kinderen gekeken moeten worden, vanuit hun huidige situatie. Dat de moeder in haar relatie met de vader een dwingende controle heeft gevoeld is duidelijk, maar dat wil nog niet zeggen dat de kinderen dit nu ook in hun eigen relatie met de vader zo moeten ervaren. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de moeder niet meer open staat voor een ander scenario dan de voor haar vaststaande dwingende controle en dat het aan de zijde van de vader ontbreekt aan inzicht over de impact van zijn pedagogische onmacht op de moeder en de kinderen. Er zal een modus gevonden moeten worden om toch de benodigde hulpverlening voor de kinderen op gang te krijgen. Vrijwillige hulpverlening acht de rechtbank, gelet op het visieverschil van de ouders, dan ook niet haalbaar. Het gezag 5.
- De rechtbank zal dit verzoek van de vader toewijzen en overweegt daartoe als volgt. De Raad heeft geadviseerd de beslissing op dit verzoek van de vader aan te houden, omdat niet kan worden vastgesteld of sprake is (geweest) van dwingende controle vanuit de vader. Zou dit zo zijn, dan is gezamenlijk gezag een middel voor de vader om controle te blijven uitoefenen. Hoewel de rechtbank het standpunt van de Raad onderschrijft dat niet kan worden vastgesteld of sprake is geweest van dwingende controle, komt de rechtbank tot de conclusie dat, voor zover de vader de moeder heeft proberen te overheersen, hier nu geen sprake meer van is. Gebleken is juist dat de vader zich eigenlijk meer heeft teruggetrokken, omdat hij het gevoel heeft dat alles wat hij zegt of doet geanalyseerd wordt en wellicht fout geïnterpreteerd wordt. Daar waar de moeder stelt dat de vader nergens aan meewerkt, stelt de vader zich juist op het standpunt dat als hij iets zegt of vindt, dit door de moeder wordt ervaren als dwingende controle. Dit heeft tot gevolg dat de vader vervolgens ook niets meer zegt of ergens aan meewerkt, omdat hij dit ervaart als bepalend vanuit de moeder. De vader heeft geen gezag en er is een ongelijkwaardige positie tussen de ouders. De rechtbank acht het van belang dat er wel een gelijkwaardige positie komt. Op die wijze rust op de vader de verantwoordelijkheid om mee te werken aan hetgeen noodzakelijk is voor de kinderen. Van de vader wordt verwacht dat hij zich dan meer betrokken en coöperatief opstelt en zich niet terugtrekt. De vader kan (en moet) zich dan tot de school van de kinderen wenden en zelf informatie opvragen, net zoals dat geldt voor de (in te zetten) hulpverlening. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader uitdrukkelijk toegezegd dit te gaan doen. In het kader van de ondertoezichtstelling kan de GI zich bij gezamenlijk gezag ook volwaardig richten tot beide ouders en van beide ouders verwachten dat ze meewerken aan de benodigde hulpverlening en daar, waar nodig, ook de bijbehorende (schriftelijke) aanwijzingen geven om beide ouders te bewegen mee te werken. Dat de kinderen klem of verloren raken bij toewijzing van het verzoek, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Enerzijds is het, zoals de moeder zelf ook heeft gesteld, de laatste tijd alleen maar achteruit gegaan met de kinderen. Dit terwijl de vader (nog) geen gezag heeft en dus geen beslissingen heeft kunnen frustreren of tegenhouden. Anderzijds kan de rechtbank zich ook niet geheel aan de indruk onttrekken dat de problemen waar de kinderen nu mee kampen, niets te maken hebben met het feit of de vader wel of geen gezag heeft. Zoals overwogen in de beschikking van de ondertoezichtstelling ziet de rechtbank de noodzaak niet om (eventueel) te laten vaststellen dat in het verleden wel sprake zou zijn geweest van dwingende controle, omdat dit niets afdoet aan de problemen waar de kinderen nu mee geconfronteerd worden. Het is belangrijk dat er naar het ‘nu’ en de toekomst wordt gekeken en beide ouders dienen daarvoor inspraak te hebben. Daar kan bij horen dat ieder een verschil in opvoedvisie heeft, maar daar kan vervolgens ook de benodigde hulpverlening voor worden ingezet, zoals bijvoorbeeld solo-parallel ouderschap. Dat het in het belang van de kinderen is dat de moeder alleen het gezag blijft uitoefenen, is ook niet gebleken. Voor de kinderen is juist belangrijk dat de ouders een gelijkwaardige positie hebben en de rechtbank wijst daarom het verzoek van de vader, om hem mede met het gezag te belasten, toe. De zorgregeling 5.
- Gelet op het feit dat de vader mede met het gezag zal worden belast – en de moeder geen verweer heeft gevoerd tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring – is het verzoek van de vader (en de moeder) gebaseerd op artikel 1:253a, lid 2 en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank kan op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten: a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben; 5.
- De Raad heeft geadviseerd om een omgangsregeling (zorgregeling) vast te stellen onder regie van de GI, waarbij toegewerkt wordt naar een weekend per veertien dagen en een verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte.De rechtbank zal de Raad volgen in zijn advies. De rechtbank stelt voorop dat zij het in het belang van de (identiteits)ontwikkeling van de kinderen acht dat zij contact hebben met hun vader. Hoewel het wenselijk zou zijn om een concretere regeling vast te stellen, realiseert de rechtbank zich dat dit nu niet mogelijk is. Op dit moment heeft [minderjarige 1] immers al lange tijd helemaal geen contact met de vader en hoewel de rechtbank begrijpt dat [minderjarige 2] de vader inmiddels weer enkele keren heeft gezien, heeft ook [minderjarige 2] al meerdere keren een lange tijd geen contact gehad met zijn vader. Daarbij laat met name [minderjarige 1] ook veel weerstand zien in het contact met de vader. Enerzijds zal er voor beide kinderen gewerkt moeten worden aan contactherstel en is er (waarschijnlijk) begeleiding nodig. Anderzijds zit er, zoals ook door de vader zelf is aangegeven, een wezenlijk verschil tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Het wordt niet waarschijnlijk geacht dat zij in hetzelfde tempo het contact met de vader kunnen opbouwen. Bij [minderjarige 1] zit immers meer weerstand dan bij [minderjarige 2] en daarbij speelt ook de (kindeigen)problematiek nog een rol. De rechtbank acht begeleiding in (de opbouw van) het contact dan ook noodzakelijk, waarbij er vooral succeservaringen opgedaan moeten worden. De GI dient hiervoor de regie te nemen en de noodzakelijke begeleiding in te zetten. Zoals eerder aangegeven ligt de focus niet op de vraag of er al dan niet dwingende controle (vanuit de vader) heeft plaatsgevonden, maar dient men zich te richten op het heden en de toekomst. De vraag dient te betreffen wat er ‘nu’ nodig is om contact te bewerkstelligen, zonder dat wordt teruggevallen op wat er in het verleden al dan niet is gebeurd. Nu niet te voorspellen valt wanneer en met wie tot welke zorgregeling gekomen wordt, zal de rechtbank de regie hiervoor bij de GI neerleggen, waarbij wel uitgangspunten zullen worden geformuleerd, zoals hierna in de beslissing wordt beschreven. 5.
- Tot slot heeft de vader verzocht om een dwangsom te koppelen aan zijn verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Daar waar dit begrijpelijk was vanuit de vader – omdat hij geen gezag had en de moeder kon bepalen of de omgang door ging – ligt dit nu anders. De vader heeft nu wel gezag en daarbij is de GI nu betrokken. De GI kan beslissingen nemen waaraan beide ouders zich dienen te houden. Als dit onverhoopt niet het geval is, kan de GI daarvoor de passende (ook juridische) maatregelen treffen / vragen, om ervoor te zorgen dat beide ouders meewerken aan de door haar voorgestelde zorgregeling die in het belang van de kinderen is. Daarnaast kan de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, (nog) geen concrete zorgregeling vaststellen. Dit houdt dan ook in dat het opleggen van een dwangsom alleen maar zou zorgen voor meer onduidelijkheid en daarmee (wellicht) ook strijdverhogend zou werken. Vooral dat laatste moet voorkomen worden. Het is belangrijk dat de kinderen weer contact krijgen met de vader en dat er een zorgregeling komt, maar dat moet wel gebeuren in hun eigen tempo waarbij gelet wordt op wat de kinderen aan kunnen. 6De beslissing De rechtbank: 6.
- bepaalt dat de ouders gezamenlijk met het gezag worden belast over de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] 2016,
- [minderjarige 2] , geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] 2019; 6.
- bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedtaken als volgt: - onder regie van de GI dient te worden toegewerkt naar een zorgregeling waarbij de kinderen bij de vader verblijven één weekend per twee weken van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen; 6.
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.
- bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het centrale gezagsregister, om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie; 6.
- wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. E.C.M. Minkenberg (voorzitter), mr. L.M.I.A. Bregonje en mr. S.J. Vogels, allen (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van L. Reijnders-Verlinden, griffier, op 7 oktober
- Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.