← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2025:9929

RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: C/03/340989 / HA ZA 25-162 Vonnis van 15 oktober 2025 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , te [woonplaats] (gemeente Horst aan de Maas ) ,

  1. [eiser sub 2], te [woonplaats] (gemeente Horst aan de Maas ) , eisende partijen, hierna samen te noemen in het mannelijk enkelvoud: [eisers] , advocaat: mr. H.E.C.A. Vlasman, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] (gemeente Venlo ) , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. E.M.A. Baetsen. 1De zaak in het kort 1.
  2. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] twee geldbedragen van bij elkaar € 30.000,-heeft geleend van [eisers] en dat [gedaagde] daarover rente verschuldigd is. [eisers] vordert terugbetaling van de leningen en de daarover verschuldigde rente. Volgens [gedaagde] heeft hij de leningen en de rente al afgelost door zijn auto over te dragen aan [eisers] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] zijn schuld met rente aan [eisers] in natura afgelost door de auto in eigendom over te dragen. 2De procedure 2.
  3. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding zijdens [eisers] - het tegen [gedaagde] verleende verstek - zuivering van het tegen [gedaagde] verleende verstek- de conclusie van antwoord zijdens [gedaagde] - de akte overlegging producties van [eisers]- de mondelinge behandeling van 25 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door [gedaagde] spreekaantekeningen zijn overgelegd. 2.
  4. Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.
  5. Partijen hebben twee overeenkomsten van geldlening gesloten. De eerste overeenkomst is gesloten op 8 januari 2023, waarbij [eisers] een bedrag van € 20.000,- heeft geleend aan [gedaagde] . De tweede overeenkomst is gesloten op11 februari 2023, waarbij [eisers] een bedrag van € 10.000,- heeft geleend aan [gedaagde] . 3.
  6. In beide overeenkomsten van geldlening staat dat er een contractuele rente van 8% per jaar verschuldigd is en dat zowel de leningen als de rente binnen een jaar afgelost moeten worden. In de overeenkomst van 8 januari 2023 staat dat de rente over een jaar € 1.776,98 bedraagt en dat [gedaagde] deze rente op 8 februari 2023 aan [eisers] moet betalen. In de overeenkomst van 11 februari 2023 staat dat [gedaagde] maandelijks een bedrag van € 896,88 aan [eisers] moet betalen ter aflossing. 3.
  7. [gedaagde] heeft geen bedragen betaald ter aflossing op beide leningen. Wel is zijn auto op 23 maart 2023 op naam van [eisers] overgeschreven 4Het geschil 4.
  8. [eisers] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 30.000,- vermeerderd met de overeengekomen rente van 8% per jaar, buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 4.
  9. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. 4.
  10. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling 5.
  11. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] twee geldbedragen van bij elkaar € 30.000,-heeft geleend van [eisers] en dat [gedaagde] daarover rente verschuldigd is. [eisers] vordert terugbetaling van de leningen en de daarover verschuldigde rente. Volgens [gedaagde] heeft hij de leningen en de rente al afgelost door zijn auto over te dragen aan [eisers] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] zijn schuld met rente aan [eisers] in natura afgelost door de auto in eigendom over te dragen. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dat oordeel komt. 5.
  12. [eisers] vordert betaling van de geleende bedragen van € 30.000,- en de daarover verschuldigde contractuele rente van 8%. Partijen zijn voor beide overeenkomsten van geldlening 8% rente over het eerste jaar overeengekomen. In de overeenkomst waarbij € 20.000,- wordt geleend, wordt gesteld dat 8% rente over het eerste jaar € 1.776,98 bedraagt. Dit zou € 1.600,- moeten zijn, maar [gedaagde] heeft hier geen verweer op gevoerd zodat de rechtbank van € 1.776,98 aan rente uitgaat. In de overeenkomst waarbij € 10.000,-- wordt geleend, wordt gesteld dat 8 % rente over het eerste jaar inhoudt dat er € 896,88 per maand moet worden afgelost, terwijl 8% over het geleende bedrag van € 10.000,- een bedrag van € 800,- aan rente per jaar oplevert. Ook hier heeft [gedaagde] geen verweer op gevoerd, maar dit levert een dermate hoge rente op die zo ver afwijkt van 8% per jaar, dat de rechtbank er daarom van uit gaat dat de rente over 2023 over de lening van € 10.000,- € 800,- bedraagt. De rechtbank constateert dan ook dat over het eerste jaar

(2023)een rente verschuldigd was van in totaal € 2.576,98 over beide geldleningen. Samen met het geleende bedrag levert dit in totaal een bedrag van € 32.576,98 op. 5.
  1. [gedaagde] betwist niet dat hij de geleende bedragen moest terugbetalen en ook niet dat hij daarover rente verschuldigd was, maar volgens [gedaagde] heeft hij de geleende bedragen en de rente al in natura betaald door de eigendom van zijn auto over te dragen aan [eisers] . [gedaagde] stelt met [eisers] te zijn overeengekomen dat zijn auto met [kenteken] tot zekerheid voor terugbetaling van de leningen en de rente zou dienen. Dit blijkt volgens hem uit onderdeel 4 van de overeenkomst van 11 februari
  2. [gedaagde] stelt verder dat hij op 19 maart 2023 in voorlopige hechtenis is genomen, niet kon aflossen en daarom terwijl hij in voorlopige hechtenis zat aan [naam X] de opdracht heeft gegeven om de auto in eigendom over te dragen aan [eisers] . Het doel hiervan was om daarmee de leningen met rente terug te betalen. De waarde van de auto zou daarvoor toereikend zijn geweest. [gedaagde] heeft ervoor gezorgd dat zijn vriendin het kentekenbewijs van de auto aan [naam X] ter hand heeft gesteld en de auto is vervolgens op 23 maart 2023 op naam van [eisers] overgeschreven. [gedaagde] stelt dat de auto in 2024 op Facebook te koop is aangeboden en dat de auto toen een waarde had van ongeveer € 40.000,-. Dit blijkt volgens hem uit verschillende advertenties van vergelijkbare voertuigen. De waarde van de auto moet dus een jaar ervoor nog hoger zijn geweest en ruim voldoende om de leningen met rente af te lossen, aldus [gedaagde] . 5.
  3. Ter zitting heeft [eisers] erkend dat hij samen met [naam X] naar het postkantoor is gegaan om de auto van [gedaagde] op zijn naam te laten zetten. Ook heeft hij erkend dat de auto van 23 maart 2023 tot medio 2024 op zijn naam heeft gestaan, waarna de auto is verkocht aan derden. [eisers] heeft het volledige rapport van de auto (Kentekencheck) in het geding gebracht. Volgens [eisers] heeft [gedaagde] hem echter niet betaald door het overschrijven van de auto op zijn naam. De auto is volgens [eisers] slechts op zijn naam gezet om te voorkomen dat het Openbaar Ministerie de auto in beslag zou nemen in het kader van de ‘pluk ze’-wetgeving. Volgens [eisers] heeft [gedaagde] de auto nooit onder zich gehad. [naam X] zou de auto altijd hebben gebruikt en onder zich hebben gehouden, en dat bleef ook zo nadat de auto op naam van [eisers] werd gezet. Toen [eisers] de auto vervolgens wilde uitwinnen door deze te verkopen, stond [naam X] dat niet toe. [naam X] heeft hem en zijn gezin met het leven bedreigd, aldus [eisers] , en tegen deze dreiging was hij niet bestand. Omdat de auto niet allrisk verzekerd kon worden, wilde [eisers] na enige tijd de auto van zijn naam hebben. Toen heeft hij met [naam X] afgesproken dat [naam X] de auto mocht houden en de lening zou aflossen. In dat kader heeft [naam X] aan hem op 21 mei 2024 € 1.000,- betaald, maar daarna bleef iedere betaling uit. De leningen zijn dus nog steeds niet afgelost en [gedaagde] moet de leningen met rente daarom terugbetalen, aldus [eisers] . Bovendien heeft de auto volgens [eisers] onvoldoende waarde om de leningen met rente te dekken. 5.
  4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] voldoende gemotiveerd gesteld dat hij geen geld verschuldigd is aan [eisers] door te stellen dat hij de leningen met rente heeft afgelost door de auto in eigendom over te dragen aan [eisers] en op die manier in natura te betalen. Het had op de weg van [eisers] gelegen om daarop voldoende gemotiveerd te reageren. Dat heeft [eisers] echter niet gedaan. 5.
  5. Uit de overeenkomsten van geldlening blijkt dat het altijd de bedoeling van partijen was dat [eisers] de auto mocht uitwinnen als de leningen niet werden terugbetaald. In artikel 4 van de overeenkomst van 11 februari 2023 staat namelijk het volgende: “Als zekerheid en borg is de lener zowel persoonlijk als zakelijk (alle BV’s en auto [kenteken] ) aansprakelijk voor de geldlening. Geld ook voor overeenkomst van datum 08-01-2023.” Hoewel de tekst juridisch gezien niet tot het vestigen van een zekerheidsrecht heeft kunnen leiden, blijkt hieruit duidelijk de bedoeling van partijen was dat [eisers] de auto van [gedaagde] zou mogen uitwinnen als hij de leningen niet terug zou betalen. Aan die bedoeling is vervolgens ook daadwerkelijk uitvoering gegeven. Toen [gedaagde] niet kon betalen, is de auto namelijk met medewerking van [eisers] op naam van [eisers] gezet en is daarmee de auto aan [eisers] geleverd met als titel betaling in natura. Daarmee is aan alle vereisten voor eigendomsoverdracht voldaan en is de eigendom van de auto op [eisers] overgegaan. Daarna heeft [eisers] de auto meer dan een jaar op zijn naam laten staan. Pas in maart 2025 heeft hij [gedaagde] gesommeerd om te betalen. Uit dit alles blijkt dat partijen hebben beoogd om de auto in eigendom over te dragen door deze op naam van [eisers] te zetten en daarmee de schuld van [gedaagde] te betalen. Dat [eisers] stelt dat hij de auto niet kon uitwinnen omdat [naam X] [eisers] en zijn familie met het leven heeft bedreigd om de auto te kunnen houden, is iets waar [gedaagde] buiten staat. Ook als [eisers] daarna, zoals hij stelt, een overeenkomst met [naam X] heeft gesloten die inhoudt dat [naam X] de auto mocht houden en zelf de leningen van [gedaagde] zou gaan aflossen, staat [gedaagde] daarbuiten. Dat doet immers niet af aan het gegeven dat [gedaagde] de auto aan [eisers] in eigendom heeft overgedragen. 5.
  6. De stelling van [eisers] dat de auto onvoldoende waard was om de leningen en de rente af te kunnen lossen, verwerpt de rechtbank als onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] was voor het aflossen van de leningen, inclusief de rentes (op zijn hoogst) een bedrag van € 32.576,98 aan [eisers] verschuldigd toen de auto op 23 maart 2023 in eigendom is overgedragen aan [eisers] . Uit de door [eisers] zelf overgelegde Kentekencheck, blijkt dat de auto medio 2024, ruim een jaar later dus, te koop stond voor € 32.950,-. Een jaar ervoor moet de auto een aanzienlijk hogere waarde hebben gehad. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de auto voldoende waard was bij de eigendomsoverdracht aan [eisers] om de leningen en de rente af te lossen. 5.
  7. Omdat [gedaagde] de leningen met rente door betaling in natura heeft afgelost, zal rechtbank de vordering van [eisers] tot betaling van € 30.000,- vermeerderd met de overeengekomen rente afwijzen. Omdat de hoofdvordering wordt afgewezen, wordt de vergoeding tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en de vordering tot vermeerdering met de wettelijke rente ook afgewezen. 5.
  8. [eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 90,00 - salaris advocaat € 1.572,00 (2 punten × € 786,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.840,00 6De beslissing De rechtbank 6.
  9. wijst de vorderingen van [eisers] af, 6.
  10. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 1.840,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober
  11. JF

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.