← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2026:1051

RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11800946 \ CV EXPL 25-3196 Vonnis van 11 februari 2026 in de zaak van [eisende partij] , te [plaats ] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: AGIN Pranger Gerechtsdeurwaarders Juristen Incassospecialisten, tegen [gedaagde partij] B.V., te [plaats ] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , gemachtigde: mr. D. van Gelderen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Partijen hebben een overeenkomst gesloten voor de renovatie van de dakkapel van [eisende partij] op basis van de door [gedaagde partij] verstrekte offerte van 8 februari 2023. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [gedaagde partij] van toepassing. 2.2. De werkzaamheden zijn uitgevoerd op 23 februari 2023. [eisende partij] heeft de voor de werkzaamheden gestuurde factuur betaald. 2.3. Begin juni 2024 heeft [eisende partij] contact opgenomen met haar opstalverzekering via Interpolis in verband met een lekkage. De verzekering heeft een bouwbedrijf ingeschakeld om de schade te beoordelen. Het bouwbedrijf heeft dit op 5 juni 2024 gedaan. In een kort verslag noteert dit bouwbedrijf dat het zinkwerk/loodindekking bij het dakraam/dakkapel/garderobekamer de oorzaak van de lekkage is. 2.4. Op 6 maart 2025 heeft er een nader deskundigenonderzoek plaatsgevonden in opdracht van [eisende partij] . Kort samengevat volgt uit dit rapport dat [gedaagde partij] volgens de deskundige een waarschuwingsplicht had en dat er in het onder de door [gedaagde partij] aangebrachte trespabeplating gebreken zichtbaar waren in de constructie die [gedaagde partij] had moeten melden. Het gaat dan om ingeknipte verholen goten en onjuiste loodaansluitingen. Daarnaast zouden er in de door [gedaagde partij] verrichte werkzaamheden gebreken zitten, bestaande uit het scheef en niet aangesloten monteren van de beplating en het te dicht op die beplating aanbrengen van de dakpannen. De totale schade wordt geraamd op € 9.740,50. 2.5. [eisende partij] stuurt op 29 april 2025 een aansprakelijkheidsstelling waarin zij vergoeding van de herstelkosten en de onderzoekskosten vordert. 2.6. De verzekeraar van [gedaagde partij] heeft ook een deskundige ingeschakeld. De deskundige begroot de schade op € 752,10. 3Het geschil 3.1. [eisende partij] vordert - samengevat – het volgende: Primair: 1. [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van € 9.740,50, bestaande uit:  € 7.740,50 aan vervangende schadevergoeding;  € 2.000,00 aan gevolgschade; Subsidiair: 2. [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag; Meer subsidiair: 3. [gedaagde partij] te veroordelen tot herstel van de dakkapel en betaling van de gevolgschade ad € 2.000,00 dan wel in een goede justitie te bepalen bedrag, zulks voor het geval geen verzuim wordt aangenomen; Zowel primair als subsidiair: 4. [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van de incassokosten ad € 993,58; 5. [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van de deskundigenkosten ad € 2.117,50; 6. [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het sub 1 gevorderde vanaf 11 oktober 2024 7. [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met rente. 3.2. [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling De hoofdvordering 4.1. Tussen partijen is in geschil of er gebreken kleven aan de door [gedaagde partij] verrichte werkzaamheden. [eisende partij] baseert zich daarbij op de rapportage van Top Expertise voor wat betreft de wijze van aanbrengen van de beplating. Voorts stelt [eisende partij] dat [gedaagde partij] een waarschuwingsplicht heeft geschonden. 4.2. Als onvoldoende onderbouwd gesteld en betwist staat vast dat de lekkage niet het gevolg is van werkzaamheden van [gedaagde partij] . Uit het verslag van het bouwbedrijf dat in juni 2024 aanwezig was én uit de rapportage van Top Expertise volgt wel dat de lekkage het gevolg is van gebreken aan het loodwerk en/of de verholen goot. Dit is door [gedaagde partij] niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken dus gaat de kantonrechter daar ook vanuit. Dat dit door [gedaagde partij] is veroorzaakt is onvoldoende onderbouwd. In geschil is wel of [gedaagde partij] ter zake een waarschuwingsplicht had. 4.3. [gedaagde partij] doet een beroep op artikel 6:89 BW. Dit beroep gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. [gedaagde partij] laat de klachttermijn beginnen bij de eerste lekkage. Uit het vorenstaande volgt echter dat er geen tekortkoming in de nakoming zit wat de oorzaak van de lekkage betreft. De tekortkoming in de nakoming zit in het niet conform de eisen aanbrengen van de beplating. Dit is onderdeel van gesprek tussen partijen geworden na de beoordeling en vaststelling door [gedaagde partij] zelf in juli 2024 en reeds om die reden niet te laat medegedeeld. 4.4. Uit het voorgaande volgt dat de kosten gemoeid met het herstel daarvan (platen correct aanleggen én het op juiste afstand van de dakpannen leggen) voor rekening van [gedaagde partij] komen. Als dan naar de daarmee gemoeide werkzaamheden en kosten -zoals gevorderd- wordt gekeken dan is toewijsbaar op dit onderdeel:

  1. a)verwijderen en vervangen van trespabekleding;
  2. b)steigerwerk;
  3. c)afvoerkosten; 4.5. De kantonrechter kan niet zonder meer uitgaan van de kostenraming die [eisende partij] gebruikt nu de onder (
  4. a)bedoelde werkzaamheden tezamen zijn genomen met het verwijderen en herstellen van de verholen goten, die buiten de kaders van de overeenkomst vielen. De overige hierbij genoemde werkzaamheden (mogelijk herstel van de achter constructie en loodaansluitingen) vallen eveneens buiten dat kader. 4.6. Wordt dat anders door de mogelijke schending van de waarschuwingsplicht? De kantonrechter beantwoordt deze vraag negatief. Immers, bij wél waarschuwen zouden al deze mogelijke herstelwerkzaamheden niet binnen de bestaande overeenkomst en afgesproken prijs verricht gaan worden. [eisende partij] had dan eveneens aanvullende kosten daarvoor moeten maken zodat deze kosten niet als schade gevorderd kunnen worden. Dit is enkel voor de kosten die bij tijdige waarschuwing bespaard hadden kunnen worden. Dat zou bijvoorbeeld kunnen gelden voor steigerkosten, omdat er immers als een steiger stond. Dit kan overigens in het midden blijven nu de mogelijke steigerkosten nu reeds toewijsbaar zijn in verband met de noodzakelijke werkzaamheden aan de beplating. 4.7. Is dit dan anders voor de gevorderde gevolgschade? Door [eisende partij] is onvoldoende onderbouwd aangevoerd dat het voldoen aan de waarschuwingsplicht geleid zou hebben tot daadwerkelijk en tijdig herstel en voorkoming van de lekkages. Dit staat in een te ver verwijderd verband. 4.8. Uit het vorenstaande volgt dat de vraag óf er door [gedaagde partij] een op haar rustende waarschuwingsplicht is geschonden niet beantwoord hoeft te worden. In debat is vervolgens of [eisende partij] aan [gedaagde partij] een redelijke kans tot herstel heeft geboden. Op 18 juli 2024 is door [gedaagde partij] aangeboden herstelwerkzaamheden uit te voeren, waarbij [gedaagde partij] onderscheid maakt tussen herstellen van de beplating en het overige (lood)werk. [eisende partij] heeft dit niet geaccepteerd en ingestoken op herstel door een derde. Dit dient voor rekening en risico van [eisende partij] te blijven. Dat partijen zich later niet meer hebben gevonden vindt zijn oorzaak in het door [eisende partij] ook herstel dan wel vergoeding vorderen van de oorzaak en gevolgen van de lekkage. Zoals uit het vorenstaande volgt vordert [eisende partij] dit ten onrechte. 4.9. Kort samengevat heeft [eisende partij] recht op herstel (en betaling van) door [gedaagde partij] van de onder (a), (
  5. b)en (
  6. c)genoemde werkzaamheden. Nu hiertoe nog geen redelijke kans aan [gedaagde partij] is geboden is er geen grond voor een schadevordering ter zake. Het onder meer subsidiair gevorderde wordt daarom toegewezen in die zin dat [gedaagde partij] zal worden veroordeeld tot herstel (en betaling van) van de in rechtsoverweging 4.4. genoemde werkzaamheden. De buitengerechtelijke kosten ad € 993,58 4.10. [eisende partij] vordert betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 993,58. De kantonrechter is van oordeel dat deze als onvoldoende onderbouwd moeten worden afgewezen. In de dagvaarding noemt [eisende partij] een aantal algemene werkzaamheden en ook na het bij antwoord door [gedaagde partij] gevoerde verweer komt [eisende partij] niet met een opsomming van de concrete werkzaamheden zijn verricht en een motivering waarom zij recht heeft op betaling van buitengerechtelijke kosten. De expertisekosten ad € 2.117,50 4.11. [eisende partij] vordert betaling van de expertisekosten van Top Expertise. De kantonrechter is van oordeel dat deze kosten gelet op het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 BW kunnen worden toegewezen. Nadat [gedaagde partij] deze kosten in haar conclusie van antwoord heeft betwist, en [eisende partij] vervolgens haar stellingen heeft toegelicht, heeft [gedaagde partij] haar verweer niet verder toegelicht. Om de aansprakelijkheid van [gedaagde partij] te kunnen vaststellen heeft [eisende partij] op goede gronden een deskundige ingeschakeld. De kantonrechter acht deze kosten ook redelijk. De proceskosten 4.12. [gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 147,42 - griffierecht € 732,00 - salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten × € 217,00) - nakosten € 108,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.421,92 5De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde partij] tot herstel van de trespabekleding, daartoe behorende het verwijderen en vervangen daarvan alsmede het steigerwerk en de afvoer (kosten), 5.2. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.421,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.4. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.