← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2026:1115

vonnis RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11789289 CV 25-3075 vonnis van de kantonrechter van 11 februari 2026 in de zaak van 1 [lessee 1] ,

  1. [lessee 2] , wonende te [plaats] , eisende partij in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident, verwerende partij in de hoofdzaak en in het incident, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in de hoofdzaak en verwerende partij in het incident, eisende partij in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident, gemachtigde: USG Legal Professionals. Partijen worden hierna [lessees] (mannelijk enkelvoud) en Dexia genoemd. 1De procedure 1.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 2 juli 2025, tevens houdende een incidenteel verzoek; de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, tevens houdende conclusie van antwoord in het incident, tevens houdende een incidenteel verzoek; de conclusie van antwoord in het incident, tevens houdende conclusie repliek in conventie en van antwoord in reconventie; de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie; de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties. 1.
  3. De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren 1.
  4. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2
  5. De feiten 2.
  6. [lessees] heeft de volgende leaseovereenkomst(en) (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I. [contractnummer 1] 14-09-2000 Capital Effect II. [contractnummer 2] 14-09-2000 Capital Effect III. [contractnummer 3] 28-09-2000 Capital Effect IV. [contractnummer 4] 28-09-2000 Capital Effect 2.
  7. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 24-04-2006 - € 759,19 Nee II. 24-04-2006 - € 803,62 Nee III. 24-04-2006 - € 750,18 Nee IV. 24-04-2006 - € 718,24 € 90,46 is verrekend met dividendopbrengsten 2.
  8. Volgens opgave van Dexia heeft [lessees] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 10.914,77 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [lessees] € 1.701,42 aan dividenden ontvangen en € 867,29 aan fiscaal voordeel genoten. 2.
  9. De gemachtigde van [lessees] , Leaseproces, heeft bij brieven van 21 september 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren. 2.
  10. De overeenkomsten III. en IV. zijn rechtsgeldig vernietigd door [lessees] Dexia heeft ter zake haar ongedaanmakingsverplichting op 20 maart 2019 een bedrag van € 3.615,28 uitgekeerd (overeenkomst III.) en op 18 december 2018 een bedrag van € 3.593,09 (overeenkomst IV.). 3De vordering en het verweer in de hoofdzaak en de verzoeken in het incident 3.
  11. [lessees] vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident:  Dexia zal veroordelen de aanvraagformulieren en haar versie van de ondertekende overeenkomsten III. en IV. aan [lessees] te verstrekken, - in de hoofdzaak:  voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [lessees] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,  voor recht zal verklaren dat [lessees] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,  Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [lessees] van al datgene dat [lessees] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,  voor recht zal verklaren dat [lessees] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,  Dexia te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [lessees] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00,  Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [lessees] , met rente,  Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente. 3.
  12. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident:  [lessees] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [lessees] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, - in de hoofdzaak:  [lessees] zal veroordelen om aan Dexia te betalen de som van € 520,94, vermeerderd met wettelijke rente,  voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [lessees] gesloten overeenkomsten I., II., III. en IV. aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [lessees] verschuldigd is,  [lessees] zal veroordelen in de proceskosten. 3.
  13. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
  14. De beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en de verzoeken in het incident algemeen 4.
  15. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [lessees] 4.
  16. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 4.
  17. Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [lessees] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. overeenkomsten III. en IV. 4.
  18. Uit de gedingstukken blijkt dat de overeenkomsten III. en IV. zijn vernietigd. Dexia heeft op 18 december 2018 en 20 maart 2019 voldaan aan haar ongedaanmakingsverbintenissen en de door [lessees] aan Dexia betaalde bedragen met betrekking tot de overeenkomsten III. en IV. aan [lessees] terugbetaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van vernietiging. [lessees] voert aan dat hij een belang heeft bij een beoordeling op een andere grondslag (schending van artikel 41 NR 1999 versus vernietiging op grond van 1:88/1:89 BW), nu bij een vernietiging rente verschuldigd is vanaf het moment van vernietiging en bij schending van artikel 41 NR 1999 rente verschuldigd is vanaf de afzonderlijke betaaldata. 4.
  19. Overwogen wordt dat [lessees] onvoldoende heeft aangetoond dat hij op grond van een mogelijk onrechtmatig handelen van Dexia (door schending van artikel 41 NR 1999) meer schade heeft geleden dan dat hij reeds op grond van de vernietiging van de overeenkomsten heeft ontvangen. Bij vernietiging van de overeenkomst dient Dexia immers alle door de afnemer betaalde bedragen aan de afnemer terug te betalen (als had de overeenkomst nooit bestaan), zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met eventuele voordelen die de afnemer heeft genoten, buiten de overeenkomst tussen partijen om (bijvoorbeeld fiscaal voordeel). Bij de schadeberekening als gevolg van een onrechtmatig handelen dient wel rekening te worden gehouden met eventueel (extern) genoten voordelen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [lessees] niet, dan wel onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij meer schade heeft geleden dan reeds aan hem is vergoed. [lessees] heeft dan ook geen belang bij zijn vordering ten aanzien van de overeenkomsten III. en IV. De vorderingen van [lessees] ten aanzien van de overeenkomsten III. en IV. zullen daarom worden afgewezen en dienen buiten de beoordeling te blijven. overeenkomsten I. en II. tussenpersoon 4.
  20. [lessees] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [adviesbureau] (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 4.
  21. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [lessees] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [lessees] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [lessees] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [lessees] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [lessees] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 4.
  22. [lessees] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: “ [lessee 1] is in contact gekomen met de adviseur van [adviesbureau] , nadat de adviseur van [adviesbureau] bij een collega van [lessee 1] op huisbezoek was geweest. De collega van [lessee 1] heeft, omdat hij zelf via [adviesbureau] een effectenleasecontract afgesloten had, de adviseur van [adviesbureau] , de heer [adviseur] (…) aanbevolen en zodoende heeft [lessee 1] telefonisch contact opgenomen met de adviseur. De adviseur stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [lessees] door te nemen. [lessee 1] heeft hiermee ingestemd. De adviseur is vervolgens meerdere keren op huisbezoek geweest. Bij de huisbezoeken waren zowel [lessee 1] als [lessee 2] aanwezig. Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur, geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [lessees] Zo is met de adviseur gesproken over het inkomen en de gezinssituatie van [lessees] had namelijk twee kinderen. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [lessees] om vermogen op te bouwen om te kunnen sparen voor de kinderen. [lessees] had al eerder een jeugdspaarrekening geopend voor zijn kinderen, maar hij wilde graag nog meer sparen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier hét geschikte product voor wist. De adviseur adviseerde [lessee 1] om twee Capital Effect producten van Bank Labouchere af te sluiten. Omdat [lessees] twee kinderen had adviseerde de adviseur om voor elk kind één contract af te sluiten. [lessees] spaarde op dat moment een bedrag van NLG 100,- per maand per kind via een spaarregeling. De adviseur adviseerde [lessee 1] om een Capital Effect op zijn naam af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 100,-. De adviseur adviseerde [lessee 2] om ook een Capital Effect op haar naam af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 100,-. De spaarregeling diende [lessees] stop te zetten, zodat hij de inleg die hij normaal in de spaarrekening inlegde nu kon gebruiken voor de Capital Effect overeenkomsten. Aan de hand van grafieken met positieve rendementen heeft de adviseur zijn advies onderbouwd. Op deze wijze kon [lessees] voor beide kinderen meer vermogen opbouwen dan met de spaarregeling, aldus de adviseur. De adviseur heeft de grafieken alleen gepresenteerd, waardoor [lessees] de grafieken niet kan overleggen in de proce­dure. Twee weken later is de adviseur nogmaals op huisbezoek geweest bij [lessees] had nog een extra wens, namelijk vermogen opbouwen om een extra bedrag te kunnen sparen voor zijn eigen toekomst. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en adviseerde [lessee 1] en [lessee 2] om ieder op hun eigen naam nog een Capital Effect af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 100,-. Op deze wijze konden [lessee 1] en [lessee 2] allebei apart vermogen opbouwen voor hun toekomst. De adviseur heeft [lessees] nimmer geïnformeerd over de specifieke risico's. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als [lessees] op deze risico's gewezen was, had hij de Capital Effect overeenkomsten nooit afgesloten. [lessees] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [lessees] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de Capital Effect overeenkomsten is door de adviseur in orde gemaakt. De adviseur is vervolgens bij [lessees] thuis langs geweest om de aanvraagformulieren te laten ondertekenen. De uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend. [lessees] heeft twee Capital Effect overeenkomsten afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 97,91 en heeft twee Capital Effect overeenkomsten afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 101,13.” 4.
  23. [lessees] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie van het op 11 september 2000 te [plaats] ondertekende aanvraagformulier op naam van [lessee 1] , voorzien van [adviseursnummer] en faxregel waaruit blijkt dat het formulier door de tussenpersoon is verzonden, - een kopie van het op 11 september 2000 te [plaats] ondertekende aanvraagformulier op naam van [lessee 2] , voorzien van [adviseursnummer] en faxregel waaruit blijkt dat het formulier door de tussenpersoon is verzonden, - een kopie van de overeenkomsten van 14 september 2000 met contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] , voorzien van de tekst: “Adviseur [adviseursnummer] - [adviesbureau] ”. en een faxregel waaruit blijkt dat de tussenpersoon de overeenkomsten heeft verzonden. aanhoudingsverzoek 4.
  24. Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen. 4.
  25. Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen. (nieuwe) argumenten Dexia 4.
  26. Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer: dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd; dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon; dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs. 4.
  27. Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [lessees] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [lessees] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [lessees] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [lessees] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [lessees] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [lessees] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [lessees] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt. wetenschap Dexia 4.
  28. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [lessees] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [lessees] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [lessees] voor rekening van Dexia. aansprakelijkheid Dexia 4.
  29. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [lessees] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [lessees] ten aanzien van de overeenkomsten I. en II. onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [lessees] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade die [lessees] geleden heeft uit hoofde van de overeenkomsten I. en II. komt dan ook geheel voor rekening van Dexia. vorderingen van [lessees] 4.
  30. De door [lessees] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom ten aanzien van de overeenkomsten I. en II. worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia ten aanzien van die overeenkomsten onrechtmatig jegens [lessees] heeft gehandeld door [lessees] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [lessees] niet alleen als klant aanbracht maar [lessees] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal eveneens worden toegewezen. 4.
  31. De als gevolg hiervan door [lessees] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de [lessees] betaalde inleg voor de overeenkomsten I. en II. (termijnbetalingen en eventuele aflossingen). Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [lessees] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). 4.
  32. Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:
  33. 4.
  34. Gelet op het voorgaande behoeven eventuele andere door [lessees] aangevoerde gronden geen nadere bespreking. BKR-registratie 4.
  35. Dexia zal - voor het geval Dexia met betrekking tot [lessees] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven - worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [lessees] geen verplichtingen uit de overeenkomsten meer heeft. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,
  36. het incidentele verzoek van [lessees] 4.
  37. verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van de aanvraagformulieren van de overeenkomsten III. en IV. Geoordeeld is dat [lessees] geen belang heeft bij zijn vorderingen ten aanzien van de overeenkomsten III. en IV. Hij heeft dan ook geen belang bij deze stukken in deze procedure, zodat het verzoek zal worden afgewezen. 4.
  38. De proceskosten van dit incident komen voor rekening van [lessees] omdat hij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van Dexia worden begroot op € 87,
  39. het incidentele verzoek van Dexia 4.
  40. Dexia verzoekt dat [lessees] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend. 4.
  41. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [lessees] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen. 4.
  42. De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [lessees] worden begroot op € 87,
  43. vorderingen Dexia 4.
  44. Gelet op de beoordeling in conventie wordt de gevorderde verklaring voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten III. en IV. aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [lessees] verschuldigd is, toegewezen. De overige vorderingen van Dexia worden, eveneens gelet op de beoordeling in conventie, afgewezen. proceskosten 4.
  45. Omdat [lessees] in overwegende mate gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [lessees] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [lessees] worden begroot op: - dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00) - nakosten € 144,00 Totaal € 954,
  46. 4.
  47. De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen. 5De beslissing De kantonrechter in het incident van [lessees] 5.
  48. wijst het verzoek af, 5.
  49. veroordeelt [lessees] in proceskosten van Dexia, tot op heden begroot op € 87,00, in het incident van Dexia 5.
  50. wijst het verzoek af, 5.
  51. veroordeelt Dexia in proceskosten van [lessees] , tot op heden begroot op € 87,00, in conventie 5.
  52. verklaart voor recht dat Dexia ten aanzien van de overeenkomsten met nummer [contractnummer 1] en [contractnummer 2] onrechtmatig jegens [lessees] heeft gehandeld door [lessees] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [lessees] niet alleen als klant aanbracht maar [lessees] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, 5.
  53. verklaart voor recht dat [lessees] uit hoofde van de overeenkomsten met nummer [contractnummer 1] en [contractnummer 2] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, 5.
  54. verklaart voor recht dat [lessees] de door Dexia gevorderde restschuld uit hoofde van de overeenkomsten met nummer [contractnummer 1] en [contractnummer 2] niet verschuldigd is, 5.
  55. veroordeelt Dexia om aan [lessees] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 4.17., 5.
  56. veroordeelt Dexia - voor het geval Dexia met betrekking tot [lessees] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [lessees] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomsten meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,
  57. 5.
  58. veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen, 5.
  59. veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 5.
  60. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  61. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 5.
  62. verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [lessees] gesloten overeenkomsten met nummer [contractnummer 3] en [contractnummer 4] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [lessees] verschuldigd is, 5.
  63. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [lessees] gevallen, tot op heden begroot op nihil. 5.
  64. wijst het meer of anders gevorderde af. Aldus gewezen door mr. Piëtte, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:
  65. Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:
  66. Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:
  67. Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.
  68. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.