← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2026:1249

RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Roermond Vonnis van 11 februari 2026 in de ondervrijwaringszaak met zaaknummer C/03/340453 / HA ZA 25-135 van GE-BOUW B.V. te Venrayeiseres in ondervrijwinghierna te noemen: GE-Bouwadvocaat: mr. I.J.A.J. Hanssen tegen UNILIN INSULATION B.V. te Oisterwijk,gedaagde in ondervrijwaring, hierna te noemen: Unilinadvocaat: mr. N. Luback. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van deze procedure blijkt uit: - de dagvaarding (in ondervrijwaring) met producties 1 tot en met 8 - de conclusie van antwoord (in ondervrijwaring) met producties 1 tot en met 6 - de akte aanvullende producties 9 en 15 van GE-Bouw- de akte aanvullende producties 16 en 17 van GE-Bouw - de akte aanvullende productie 7 van Unilin - de akte aanvullende productie 8 van Unilin - de mondelinge behandeling van 10 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de spreekaantekeningen van Unilin - de spreekaantekeningen van GE-Bouw - de akte wijziging van eis van GE-Bouw - de antwoordakte wijziging van eis van Unilin 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Samenvatting van de zaak 2.
  3. Deze zaak betreft een ondervrijwaringszaak. De hoofdzaak speelde tussen enerzijds de heer [naam 1] (hierna [naam 1] ) en anderzijds de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] (hierna gezamenlijk te noemen [naam 2] ). De vrijwaringszaak speelde tussen [naam 2] enerzijds en de vennootschap GE-Bouw anderzijds. Voornoemde partijen verhouden zich als volgt ten opzichte van elkaar. 2.
  4. [naam 2] heeft in 2016 een woning laten bouwen door GE-Bouw als aannemer. Binnen een jaar na oplevering heeft [naam 2] zich bij GE-Bouw beklaagd over het feit dat de dakplaten knallende geluiden maakten. In 2018 is ook Unilin op de hoogte gesteld van de klachten. GE-Bouw heeft vervolgens herstelwerkzaamheden uitgevoerd, voor het laatste in december
  5. Volgens [naam 2] was het probleem met de knallende dakplaten daarna opgelost. In 2021 heeft [naam 2] de woning verkocht en geleverd aan [naam 1] . Enkele dagen na de levering van de woning op 2 augustus 2021 heeft [naam 1] zich bij [naam 2] beklaagd over knallende dakplaten. [naam 2] heeft de klacht vervolgens doorgeleid naar GE-Bouw en die heeft uiteindelijk ook opnieuw Unilin betrokken bij het zoeken naar oplossingen voor het probleem van de knallende dakplaten. De betrokken partijen zijn hier aanvankelijk niet uitgekomen. [naam 1] is toen overgegaan tot het dagvaarden van [naam 2] , [naam 2] heeft toen GE-Bouw in vrijwaring opgeroepen en GE-Bouw heeft vervolgens Unilin in ondervrijwaring opgeroepen. Partijen in de hoofdzaak en vrijwaringszaak hebben inmiddels een regeling getroffen en de zaken laten doorhalen op de rol. Onderhavige ondervrijwaringszaak is overgebleven. Na wijziging van eis vordert GE-Bouw dat Unilin aan haar het bedrag betaalt dat GE-Bouw aan [naam 2] heeft betaald op grond van de tussen hen getroffen regeling. De rechtbank wijst deze vordering van GE-Bouw af. 3De feiten 3.
  6. Unilin is een fabrikant die onder meer diverse dakelementen produceert. Zij heeft onder meer dakplaten van het type Unilin SW 3.3 Rc = 6.
  7. vervaardigd. 3.
  8. Unilin heeft op of omstreeks 29 juni 2016 in opdracht en voor rekening van BMN Bouwmaterialen te Venray (hierna BMN) voormelde dakplaten met bevestigingsmiddelen afgeleverd op een bouwplaats te Venray. GE-Bouw was daar als aannemer een woning aan het bouwen voor [naam 2] . Bij de levering zijn ook verwerkingsvoorschriften voor de installatie van de dakplaten meegeleverd en feitelijk door GE-Bouw in ontvangst genomen. GE-Bouw heeft de dakplaten in het dak verwerkt. 3.
  9. Eind 2018 ontvangt Unilin een melding van BMN over krakende geluiden van de kap van de woning waarin haar dakplaten waren verwerkt. Bij brief van 2 november 2018 (gericht aan BMN) heeft Unilin aangegeven dat vervolgens een controle had plaatsgevonden en dat er geen afwijkingen in de dakelementen werden geconstateerd. Er werden enkele mogelijke oorzaken en oplossingen genoemd, die BMN kon doorgeven aan de klant. 3.
  10. De klant van BMN was GE-Bouw Oirlo-Landhorst BV, een aan GE-Bouw gelieerde vennootschap. GE-Bouw heeft vervolgens herstelwerkzaamheden uitgevoerd, maar deze bleken vruchteloos. Welke herstelwerkzaamheden GE-Bouw toen heeft uitgevoerd zijn onduidelijk, maar Unilin was daar verder niet bij betrokken. De krakende geluiden bleven bestaan. 3.
  11. Vervolgens heeft GE-Bouw zich weer bij BMN gemeld, die Unilin op haar beurt weer inschakelde. Unilin heeft toen een stuk dakelement afkomstig uit de woning in het laboratorium onderzocht op densiteit, drukvastheid, trekvastheid en dimensionele stabiliteit, maar alle waardes bleven binnen de gestelde eisen. Afwijkingen werden dus niet vastgesteld. Dit werd in een mail van 2 oktober 2020 van Unilin bevestigd. 3.
  12. Bij e-mail van 13 november 2020 heeft Unilin (kort samengevat) nogmaals betwist dat de klachten zouden worden veroorzaakt door de dakplaten. Unilin bood wel aan om mee te blijven zoeken naar een oplossing. Van dat aanbod is geen gebruik gemaakt. 3.
  13. Vervolgens heeft GE-Bouw – zonder overleg met Unilin – [ingenieur] in december 2020 weer herstelwerkzaamheden laten uitvoeren. [ingenieur] heeft toen de dakplaten verlijmd aan de dakopleggingen. 3.
  14. In 2021 heeft [naam 2] de door GE-Bouw gebouwde woning verkocht aan [naam 1] . Direct na de levering klaagde [naam 1] richting [naam 2] over knallende dakplaten. [naam 1] heeft vervolgens (via zijn verzekeraar) Zneb Expertise en Taxatie B.V. (hierna Zneb) onderzoek naar de knalgeluiden laten doen. 3.
  15. Zneb heeft op 20 december 2022 een rapport uitgebracht. Zneb schrijft de oorzaak van de knalgeluiden toe aan kort gezegd de werkzaamheden verricht door [ingenieur] in opdracht van GE-Bouw in december
  16. Daarbij zijn extra ribben aan de gordingen, de dakplaten en het stalen spant gemonteerd, waardoor een starre verbinding is ontstaan, waardoor mogelijk bij een substantiële toename van spanningen een geluidsproductie ontstaat. Zij concludeert dat de kap van de woning niet op de juiste wijze is uitgevoerd en dat de nadien door GE-Bouw uitgevoerde herstelwerkzaamheden het probleem juist verergerd hebben. GE-Bouw was bij het onderzoek betrokken. Diens adviseur [ingenieur] heeft op 28 juni 2023 nog een reactie geschreven op het rapport van Zneb. 3.
  17. Volgens [ingenieur] zijn de dakplaten gebrekkig, hetgeen te wijten is aan de samenstelling daarvan en aan onvoldoende verwerkingsvoorschriften van Unilin. Later heeft GE-Bouw ook nog de heer [deskundige] , werkzaam bij het [bedrijf] als deskundige ingeschakeld. Die bevestigde de bevindingen van [ingenieur] . 3.
  18. Unilin werd bij e-mailbericht van 11 maart 2025 door GE-Bouw gesommeerd om aan GE-Bouw te bevestigen dat zij op eerste verzoek aan GE-Bouw zal betalen datgene waartoe GE-Bouw jegens [naam 2] zal worden veroordeeld te betalen bij gebreke waarvan Unilin in ondervrijwaring zal worden opgeroepen. Nu Unilin daartoe niet is overgegaan heeft GE-Bouw Unilin met toestemming van de rechtbank op 21 maart 2025 in ondervrijwaring gedagvaard. 3.
  19. Na de mondelinge behandeling in deze zaak hebben [naam 1] en [naam 2] een regeling getroffen, inhoudende dat [naam 2] € 22.500,00 aan [naam 1] betaalt. GE-Bouw en [naam 2] hebben ook een regeling getroffen inhoudende dat GE-Bouw aan [naam 2] een bedrag van € 17.500,00 betaalt. Deze betaling heeft op 26 oktober 2025 plaatsgevonden. Vervolgens zijn de hoofdzaak en vrijwaringszaak doorgehaald op de rol. 4Het geschil 4.
  20. GE-Bouw vordert in deze ondervrijwaringszaak en na wijziging van eis om Unilin bij vonnis – uitvoerbaar bij voorraad – te veroordelen om aan haar een schadevergoeding te betalen van € 17.500,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2025 en vermeerderd met de kosten van de procedure. 4.1.
  21. GE-Bouw baseert haar vordering op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) en stelt daartoe het volgende. Unilin heeft als fabrikant een product in het verkeer gebracht dat schade (lees: knallende en krakende geluiden) veroorzaakt bij normaal gebruik waarvoor het bestemd is, namelijk als dakbedekking. Daardoor heeft Unilin jegens GE-Bouw als gebruiker onrechtmatig gehandeld. Het gebrek moet met name gevonden worden in de samenstelling van de dakpanelen zelf, die maakt dat de dakpanelen gaan verschuiven onder invloed van de weersomstandigheden met als gevolg knallende geluiden. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst GE-Bouw naar de bevindingen van [naam 4] en [deskundige] . Unilin heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de samenstelling van haar product. Unilin had de gebruiker moeten waarschuwen voor de knallende dakgeluiden en had in de verwerkingsvoorschriften moeten opnemen dat er oplegvilt moest worden aangebracht tussen de dakopleggingen de dakplaten. De gebrekkigheid van het product evenals de inadequate verwerkingsvoorschriften moeten aan Unilin worden toegerekend. 4.
  22. Unilin voert verweer. Zij betwist op verschillende gronden gehouden te zijn om het bedrag te betalen dat GE-Bouw in het kader van de minnelijke regeling aan [naam 2] heeft voldaan. Unilin betwist onder meer dat de dakplaten gebrekkig zijn en als al aansprakelijkheid van Unilin zou worden aangenomen, dan beroept Unilin zich op verjaring op grond van artikel 6:191 lid 1 BW danwel artikel 3:310 lid 1 BW, aangezien GE-Bouw al vrij vroeg na de oplevering van haar werk in 2016 geconfronteerd werd met klachten van [naam 2] , deze in 2018 heeft doorgeleid naar Unilin en haar pas bij e-mailbericht van 11 maart 2025 daadwerkelijk aansprakelijk heeft gesteld en op 21 maart 2025 (in ondervrijwaring) heeft gedagvaard. 4.
  23. Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan. 5De beoordeling Enkele overwegingen vooraf 5.
  24. De hoofdzaak, vrijwaringszaak en ondervrijwaringszaak zijn drie afzonderlijke procedures. De vorderingen in die zaken dienen dan ook op hun eigen merites te worden beoordeeld. Dit brengt mee dat - indien in de hoofdzaak en vrijwaringszaak een minnelijke regeling wordt bereikt - daarmee de hoogte van de schade in de ondervrijwaringszaak nog niet vaststaat. De waarborg in de ondervrijwaring (lees Unilin) is immers in beginsel niet aan de minnelijke regeling gebonden. 5.
  25. Omdat in de hoofdzaak en vrijwaringszaak geen veroordeling meer wordt uitgesproken, heeft GE-Bouw haar vordering in de ondervrijwaring (terecht) aangepast. De grondslag van de vordering is echter onrechtmatige daad gebleven. De rechtbank begrijpt dat GE-Bouw met haar gewijzigde eis enkel heeft beoogd de hoogte van de schadevergoeding te matigen tot € 17.500,00 en dat al hetgeen zij over aansprakelijkheid heeft aangevoerd voor en tijdens de mondelinge behandeling blijft gehandhaafd. Unilin heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om bij antwoordakte te reageren op de gewijzigde eis. In zoverre is Unilin dus niet in haar positie benadeeld, zodat de eiswijziging niet in strijd is met de goede procesorde en toelaatbaar is. 5.
  26. Verder acht de rechtbank van belang het volgende op te merken. De mondelinge behandeling in onderhavige ondervrijwaringszaak heeft niet gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling in de hoofdzaak en vrijwaringszaak. Onderhavige ondervrijwaringszaak is een geheel zelfstandig te beoordelen zaak, waarbij partijen niet hebben aangevoerd dat hun stellingen in de hoofdzaak en vrijwaringszaak in deze zaak als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd of dat zij zich aansluiten bij de stellingen van een andere partij. Unilin kent de inhoud van de dagvaardingen met producties in de hoofdzaak en vrijwaringszaak en de inhoud van de incidentele conclusie tot oproeping in (onder)vrijwaring met producties en het vonnis van 19 februari 2025 in het ondervrijwaringsincident, aangezien GE-Bouw die als productie 2, 3 respectievelijk 4 heeft overgelegd. De inhoud van de overige processtukken met producties in de hoofdzaak en vrijwaringszaak kent Unilin niet en kunnen daarom niet in deze procedure worden betrokken bij de beoordeling. De grondslag van de vordering 5.
  27. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van GE-Bouw moet worden afgewezen en overweegt daartoe als volgt. GE-Bouw heeft haar vordering gegrond op artikel 6:162 BW. Haar betoog komt erop neer dat sprake is van een gebrekkig product, namelijk gebrekkige dakplaten danwel gebrekkige verwerkingsvoorschriften afkomstig van fabrikant Unilin. Aan de vraag of sprake is van een gebrekkig product komt de rechtbank niet toe, omdat als vast zou komen te staan dat geen sprake is van een gebrekkig product geen aansprakelijkheid van Unilin kan worden aangenomen en de vordering op die grond moet worden afgewezen. Indien wel zou komen vast te staan dat sprake is van een gebrekkig product dan is de rechtsvordering van GE-Bouw tot vergoeding van schade naar het oordeel van de rechtbank verjaard. De rechtbank motiveert dit als volgt. 5.
  28. In deze zaak gaat het om verhaal van schade die [naam 2] van GE-Bouw vergoed heeft gekregen. Het gaat uitdrukkelijk niet om de schade die GE-Bouw zelf heeft geleden in de vorm van bijvoorbeeld kosten van de door haar verrichte herstelwerkzaamheden eind
  29. De stelling van GE-Bouw houdt in dat zij door onrechtmatig handelen van Unilin schade heeft geleden welke bestaat uit een bedrag dat zij aan [naam 2] heeft betaald op grond van een minnelijke regeling over een geschil waarin GE-Bouw werd beschuldigd van het verrichten van ondeugdelijk werk als aannemer. Hierover had [naam 2] al in 2017 geklaagd bij GE-Bouw. 5.
  30. Van toepassing is artikel 3:310 lid 1 BW, dat bepaalt dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De rechtbank constateert dat GE-Bouw zelf stelt dat [naam 2] een klein jaar na oplevering (die was in oktober 2016) jegens haar is gaan klagen over knallende geluiden afkomstig van het dak/de dakplaten. GE-Bouw is echter van meet af aan van mening geweest dat zij deugdelijk werk had geleverd en dat de oorzaak van de knallen was gelegen in gebrekkige dakplaten. GE-Bouw wist wie de fabrikant van de dakplaten was, dat stond namelijk op de factuur. Zij heeft de klachten van [naam 2] destijds ook (al dan niet via BMN) doorgeleid naar Unilin, hetgeen volgt uit de brief van 2 november 2018 van Unilin aan BMN. Op dat moment was GE-Bouw dus ook in staat geweest Unilin aansprakelijk te stellen en een rechtsvordering tot schadevergoeding jegens Unilin in te stellen. Dat heeft zij echter niet gedaan. Ook niet meteen nadat zij van [naam 2] vernam dat blijkens de klachten van [naam 1] de problemen nog niet waren verholpen. GE-Bouw heeft Unilin niet bij de door haar op verschillende momenten verrichten herstelwerkzaamheden betrokken. 5.
  31. Het voorgaande betekent dat de verjaringstermijn is gaan lopen vanaf 2017, althans eind 2018 toen zij zich (via BMN) tot Unilin wende. De onderhavige dagvaarding is uitgebracht op 21 maart 2025, derhalve na het verlopen van de verjaringstermijn van vijf jaar. Of de verjaring op enig moment is gestuit is niet gesteld, laat staan door GE-Bouw onderbouwd. Het beroep op verjaring slaagt daarom, reden waarom de vorderingen van GE-Bouw moeten worden afgewezen. 5.
  32. GE-Bouw is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Unilin worden begroot op: - griffierecht € 2.995,00 - salaris advocaat € 1.535,00 (2,5 punt × € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.708,00 5.
  33. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6De beslissing De rechtbank 6.
  34. wijst de vorderingen van GE-Bouw af, 6.
  35. veroordeelt GE-Bouw in de proceskosten van € 4.708,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als GE-Bouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 6.
  36. veroordeelt GE-Bouw tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.
  37. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op 11 februari
  38. Productie 6 bij conclusie van antwoord in de ondervrijwaring Productie 13 bij de dagvaarding in de hoofdzaak (productie 2 in deze zaak)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.