RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 10698548 \ CV EXPL 23-4445 Vonnis van 11 februari 2026 in de zaak van [B.V. 1] , te [plaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [B.V. 1] , gemachtigde: mw mr. J.G.C.M. Croonen-van der Linden, DAS Rechtsbijstand, tegen [B.V. 2] , te [plaats 2] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [B.V. 2] , gemachtigde: mr. L.W.J.P.F. Einig. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie - de akte uitlating voortzetting procedure van [B.V. 1] - de antwoordakte van [B.V. 2]- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie- de conclusie van dupliek in reconventie. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Partijen zijn op 11 april 2019 een samenwerkingsovereenkomst aangegaan voor de realisering van vier levensloopbestendige woningen aan de [straat] te [plaats 3] tegen een bedrag van € 180.000,00 inclusief btw per woning. 2.
- Op 7 december 2021 stuurt [B.V. 1] een meerwerkfactuur voor een bedrag van € 33.180,26 exclusief btw (€ 40.148,11 inclusief btw) aan [B.V. 2] . Deze meerwerkfactuur bestaat uit de volgende onderdelen (exclusief btw): Meerkosten onderzoeksrapport [bedrijf 1] € 577,50 Meerkosten constructieberekening [bedrijf 2] € 715,00 Meerwerk kunststof kozijn in slaapkamer 1 van woning 2 en 3 € 1.298,00 Afgedopte leidingen tbv badkamer aanbrengen € 2.560,00 Grondwerk [bedrijf 3] € 24.815,55 Extra kosten [B.V. 1] ondeugdelijk grondwerk [bedrijf 3] € 3.214,20 2.
- Er is discussie tussen partijen over de posten “afdoppen leidingen” en “grondwerk [bedrijf 3] ”. 2.
- [B.V. 2] heeft € 18.365,91 betaald. 3Het geschil in conventie 3.
- [B.V. 1] vordert - samengevat - veroordeling van [B.V. 2] tot betaling van € 20.047,86, vermeerderd met rente en kosten. Het gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd: Factuurbedrag minus de laatste post € 36.258,93 Rentebedrag van 23/12/2021 tot en met 29-4-2022 € 1.017,24 Buitengerechtelijke kosten € 1.137,59 Reeds betaald op 29 april 2022 € 18.365,91 Totaal: € 20.047,86 3.
- [B.V. 2] voert verweer. [B.V. 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [B.V. 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [B.V. 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [B.V. 1] in de kosten van deze procedure. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.
- [B.V. 2] vordert - samengevat - veroordeling van [B.V. 1] tot betaling van € 7.953,94, vermeerderd met rente en kosten. 3.
- [B.V. 1] voert verweer. [B.V. 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [B.V. 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [B.V. 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [B.V. 2] in de kosten van deze procedure. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling [B.V. 1] als procespartij 4.
- [B.V. 3] heeft als eisende partij [B.V. 2] gedagvaard. Nadat [B.V. 3] in staat van faillissement was verklaard, is de zaak van rechtswege (tijdelijk) geschorst. Partijen hebben op de rolzitting van 24 juli 2024 een akte genomen en aan de kantonrechter medegedeeld dat hen gebleken was dat per abuis de onjuiste naam van de eisende partij was vermeld. Partijen zijn het erover eens dat niet [B.V. 3] de eisende partij is maar [B.V. 1] . Nu voor [B.V. 2] geen verwarring bestond over de rechtspersoon die aanspraak maakt op betaling en het verweer ook tegenover de juiste rechtspersoon is gevoerd, terwijl ook vast staat dat [B.V. 2] zijn reconventionele vordering heeft willen indienen tegen [B.V. 1] is de kantonrechter van oordeel dat geen van partijen is geschaad indien en wanneer de naam van de eisende partij wordt gewijzigd. De kantonrechter gaat er vanuit dat sprake was van een kennelijke verschrijving en [B.V. 1] zal dan ook in haar vordering worden ontvangen. 4.
- Verder overweegt de kantonrechter dat in het vonnis ingevolge de wet onder meer de namen en de woonplaats van de partijen, en de namen van hun gemachtigden of advocaten moet worden vermeld. Omdat [B.V. 1] en [B.V. 2] beide van mening zijn dat sprake is geweest van een kennelijke verschrijving in de naam van [B.V. 1] zal ook in de kop van het vonnis de naam van de juiste rechtspersoon worden vermeld. Daarbij wordt zoveel als mogelijk voorkomen dat de enkele onjuiste naamsvermelding in de dagvaarding en verdere processtukken eventueel tot executiegeschillen zou kunnen leiden. De vorderingen zelf 4.
- Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. 4.
- Zowel de vordering in conventie als die in reconventie heeft betrekking of vloeit voort uit de meerwerkfactuur. Zoals hiervoor al is aangegeven gaat het over de post “afdoppen leidingen” en “grondwerk [bedrijf 3] ”. Hierna zullen deze posten afzonderlijk behandeld en beoordeeld worden. Afdoppen leidingen 4.
- Partijen verschillen van mening over de vraag of het afdoppen van de leidingen nu wel of juist niet in de aanneemsom was begrepen. [B.V. 1] betoogt dat dit niet het geval is en verwijst naar de e-mails van 14 mei 2019 en 10 februari
- In de eerstgenoemde mail is aangegeven dat het leidingwerk niet wordt afgedopt en in de tweede e-mail vraagt [B.V. 1] om de technische omschrijving aan te passen. Ook is volgens [B.V. 1] al vaker mondeling en per e-mail aangegeven dat het afdoppen van leidingen niet is inbegrepen. 4.
- [B.V. 2] voert aan dat het afdoppen van de leidingen in de aanneemsom was begrepen. Daarbij wijst [B.V. 2] op de technische omschrijving van 8 april 2019, waarin het afdoppen op pagina 5 werd gemeld. De e-mails van [B.V. 1] leiden niet tot een andere conclusie omdat een gemaakte afspraak niet eenzijdig gewijzigd kan worden. [B.V. 2] voert aan nooit te hebben ingestemd met een wijziging van de technische omschrijving. Subsidiair voert [B.V. 2] aan dat [B.V. 1] , mocht het afdoppen al niet in de aanneemsom begrepen zijn, dit had moeten communiceren en overeenkomen met de verkrijger die de leidingen afgedopt wenst te hebben. 4.
- De kantonrechter stelt vast dat in de begroting die als productie 4 bij dagvaarding is overgelegd, is opgenomen dat de begroting is gebaseerd op de technische omschrijving van 8 april 2019, gewijzigd op 20 mei 2019, bestektekeningen en constructieschetsen. Voorts is opgenomen in de begroting dat er sprake is van niet opgenomen werkzaamheden. In de technische omschrijving van 8 april 2019 is vastgelegd dat de leidingen zijn afgedopt. De overeenkomst is mede op basis van deze technische omschrijving tot stand gekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit enkel ertoe leiden dat het afdoppen van de leidingen in de begroting was meegenomen. Daaraan doet niet af de nadien verzonden e-mails van [B.V. 1] . Gesteld noch gebleken is dat een wijziging van de overeenkomst met [B.V. 2] is overeengekomen. 4.
- De conclusie luidt daarom dat dit deel van de vordering, zijnde een bedrag van € 2.560,00 zal worden afgewezen. Het grondwerk 4.
- [B.V. 1] heeft € 24.815,55 aan kosten van het grondwerk uitgevoerd door [bedrijf 3] in rekening gebracht. [bedrijf 3] heeft daarbij verwezen naar de bijlage bij de factuur die als productie 4 is overgelegd. Daarin is opgenomen een bedrag aan meerwerk van – opgeteld – het bedrag dat door [B.V. 1] is opgevoerd. [B.V. 1] heeft betwist dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking dan wel onverschuldigde betaling. 4.
- [B.V. 2] is van mening dat zij reeds heeft betaald door de betaling van € 18.365,
- Ter onderbouwing daarvan heeft [B.V. 2] verwezen naar de begroting waarin reeds een bedrag van € 20.366,00 was opgenomen. Nu de ontvangen afrekening een bedrag van € 32.000,00 betrof, hoefde nog maar een bedrag van € 12.000 (exclusief btw) te worden voldaan, welk bedrag reeds is betaald. Volgens [B.V. 2] dient de afrekenstaat uitgangspunt te zijn. [B.V. 2] stelt voorts dat hij niet meer hoeft te betalen aan [B.V. 1] dan laatstgenoemde aan [bedrijf 3] heeft betaald. Nu [B.V. 1] slechts € 25.000,00 aan [bedrijf 3] heeft betaald en thans reeds een bedrag van meer dan € 32.000,00 heeft ontvangen van [B.V. 2] , is sprake van ongerechtvaardigde verrijking dan wel onverschuldigde betaling. 4.
- De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de kosten voor het grondwerk als stelpost moest worden beschouwd waarvoor nog een offerte zou worden opgevraagd. Daarmee staat vast dat meer- en minderwerk met betrekking tot het grondwerk tussen partijen zou worden verrekend. [B.V. 2] stelt dat het aan haar door te berekenen grondwerk moet worden afgeleid uit de door haar ontvangen afrekenstaat. [B.V. 1] heeft het in rekening gebrachte grondwerk vastgesteld aan de hand van het overzicht dat als productie 4 is overgelegd. In de afrekenstaat is een bedrag van € 12.402,59 opgenomen, terwijl in het door [B.V. 1] gebruikte overzicht een bedrag is opgenomen van € 24.815,
- Volgens [B.V. 2] hoefde zij niet meer te betalen voor het meerwerk dan daadwerkelijk door [bedrijf 3] is opgenomen in de afrekenstaat en stelt zij zich op het standpunt dat [B.V. 1] ook niet meer heeft betaald dan de ruim € 12.000,
- 4.
- Uitgangspunt is dat [B.V. 1] het meerwerk in rekening mag brengen voor de uitgevoerde werkzaamheden. [B.V. 1] heeft ter onderbouwing van het uitgevoerde meerwerk de bijlage bij productie 4 overgelegd. [B.V. 2] heeft niet betwist dat [B.V. 1] de opgave van deze kosten heeft gebaseerd op hetgeen [bedrijf 3] bij [B.V. 1] in rekening heeft gebracht. Dit betekent in beginsel dat [B.V. 2] het meerwerk ad € 24.815,55 (exclusief btw) zal moeten voldoen en dat een deel van dit bedrag nog niet is betaald. 4.
- [B.V. 2] heeft evenwel aangevoerd dat zij slechts de kosten aan [B.V. 1] hoeft te voldoen die [bedrijf 3] daadwerkelijk heeft gemaakt. De kantonrechter kan [B.V. 2] hierin niet volgen. Ook aangenomen dat [bedrijf 3] voor zijn werkzaamheden nog een (winst)opslag heeft berekend, kan uit dat enkele gegeven niet worden opgemaakt dat [B.V. 1] de bij haar in rekening gebrachte meerwerkkosten niet zou hoeven voldoen. Tussen [B.V. 2] en [B.V. 1] bestaat immers een verbintenis uit overeenkomst die ertoe leidt dat [B.V. 2] de in rekening gebrachte kosten aan meerwerk moet betalen. Meerwerk zijn niet alleen de daadwerkelijk gemaakte kosten maar kunnen ook betreffen de arbeidsuren en eventueel een winstopslag. De kantonrechter kan slechts vaststellen dat [B.V. 1] de bij haar in rekening gebrachte kosten dient te voldoen aan [bedrijf 3] . [B.V. 2] zal dan ook het restant van de kosten moeten voldoen. Dit deel van de vordering is daarmee toewijsbaar. 4.
- Met het bestaan van een overeenkomst tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] is in ieder geval geen sprake van onverschuldigde betaling. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan ook niet worden vastgesteld dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. [B.V. 1] heeft geen wetenschap van een kennelijk tussen [bedrijf 3] en [B.V. 2] gemaakte afspraak dat van verdere betaling zou worden afgezien door [bedrijf 3] . Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat de kennelijk de door [B.V. 2] gemaakte afspraak, ook zijn weerslag had op [B.V. 1] . Het had op de weg van [B.V. 2] gelegen deze stelling deugdelijk te onderbouwen. Nu dat niet is gebeurd dient uit te worden gegaan van de afspraken tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] . Dit betekent dat [B.V. 2] nog dient te voldoen een bedrag van € 24.815,
- Tussenconclusie 4.
- De factuur bedroeg € 36.258,
- Een bedrag van € 2.560,00 wordt afgewezen en er is al een bedrag van € 18.365,86 betaald. Dit houdt in dat aan hoofdsom in beginsel een bedrag van € 15.333,02 toewijsbaar is. De betaling strekt echter eerst volgens artikel 6:44 BW in mindering op de rente en kosten. Hierna zal beoordeeld worden of [B.V. 2] recht heeft op betaling van buitengerechtelijke kosten en rente. De buitengerechtelijke kosten 4.
- In de gevorderde hoofdsom van € 20.047,86 is een bedrag van € 1.137,59 aan buitengerechtelijke kosten begrepen. In de dagvaarding noch in de conclusie van repliek geeft [B.V. 2] een onderbouwing van of motivering voor deze vordering. In dit geval is er echter wel sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij is verstreken, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar is. De wettelijke handelsrente 4.
- In de gevorderde hoofdsom is verder een bedrag van € 1.017,24 aan rente over de periode van 23 december 2021 tot en met 29 april 2022 begrepen. Daarnaast vordert [B.V. 1] de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 29 april 2022 tot aan de dag van betaling. Van de gevorderde hoofdsom wordt een bedrag van € 2.560,00 afgewezen. Dit houdt in dat de door [B.V. 1] berekende en gevorderde rente niet klopt. De kantonrechter zal daarom de gevorderde wettelijke handelsrente toewijzen over een bedrag van € 33.698,93 (€ 36.258,93 minus € 2.560,00) vanaf 23 december 2021 tot aan de dag van betaling. Eindconclusie 4.
- Het voorgaande houdt in dat aan hoofdsom een bedrag van € 15.373,07 wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 33.698,93 vanaf 23 december 2021 tot aan de dag van betaling. De tegenvordering van [B.V. 2] wordt afgewezen. Voorgaande overwegingen houden in dat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling. De proceskosten In conventie: 4.
- [B.V. 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [B.V. 1] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 109,44 - griffierecht € 1.384,00 - salaris gemachtigde € 864,00 (2 punten × € 432,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.501,44 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. In reconventie: 4.
- [B.V. 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [B.V. 1] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 360,00 (2 punten × 0,5 x € 360,00) Totaal € 360,00 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De kantonrechter in conventie 5.
- veroordeelt [B.V. 2] om aan [B.V. 1] te betalen een bedrag van € 15.373,07, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 33.698,93 vanaf 23 december 2021 tot aan de dag van betaling, 5.
- veroordeelt [B.V. 2] in de proceskosten van € 2.501,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in reconventie 5.
- wijst de vordering af, 5.
- veroordeelt [B.V. 2] in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in conventie en in reconventie 5.
- veroordeelt [B.V. 2] tot betaling van de kosten van betekening als [B.V. 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- veroordeelt [B.V. 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.
- verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1, 5.2, 5.4, 5.5 en 5.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk en door mr. Van Leeuwen in het openbaar uitgesproken op 11 februari
- Artikel 230 Rv Productie 10 bij dagvaarding Productie 11 bij dagvaarding