← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2026:1287

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer: C/03/335020 / HA ZA 24-445 Vonnis van 28 januari 2026 in de zaak van de stichting STICHTING EIERKARTELSCHADE, gevestigd te Amsterdam , eiseres, advocaat mr. S. Tuinenga ; tegen: 1. de stichting STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR WULRO FOOD GROUP, gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WULMS EGG GROUP B.V., gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EIPRODUKTEN WULRO B.V., gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VASTE ACTIVA LIQUID B.V., gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VASTE ACTIVA POWDER B.V., gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WULRO INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DUTCH EGG POWDER SOLUTIONS B.V., gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MARPRO B.V., gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO B.V., gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 10 [gedaagde 10] , wonende te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 11 [gedaagde 11] , wonende te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO BEHEER B.V., gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO EGG GROUP B.V., gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO EGG PRODUCTS B.V., gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO SERVICES B.V., gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WEKO EIPRODUKTEN B.V., gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WEKO EGG TRADING B.V., gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO TRADING B.V., gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WEKO FOOD INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. NEDERLANDSE INDUSTRIE VAN EIPRODUKTEN, gevestigd te Nunspeet , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OVOTECH B.V., gevestigd te Beek, gemeente Montferland , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PAP EGGS B.V., gevestigd te Nunspeet , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 23] B.V., gevestigd te [plaats 2] , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 24 [gedaagde 24] , wonende te [plaats 3] , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 25 [gedaagde 25] , wonende te [plaats 4] , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 26. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 26] B.V., gevestigd te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; 27. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 27] B.V. gevestigd te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; 28. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GLOBAL INTEGRA B.V., gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; 29. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GLOBAL FOOD HOLDING B.V., gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; 30. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GLOBAL FOOD GROUP B.V., gevestigd te Weert gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; 31 [gedaagde 31] , wonende te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; Eiseres zal hierna de Stichting worden genoemd. Gedaagde partijen gezamenlijk zullen worden aangeduid als Wulro c.s., gedaagden 1 tot en met 11 als Wulro , gedaagden 12 tot en met 25 als Interovo en gedaagden 26 tot en met 31 als Global. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure tot en met 8 januari 2025 blijkt uit de rolbeschikking van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: de akte n.a.v. de rolbeschikking van 8 januari 2025, tevens vermeerdering van eis, met producties 18 t/m 26, van de Stichting ,; de akte procedurele aspecten, van Wulro c.s.; de antwoordakte n.a.v. de rolbeschikking van 8 januari 2025 met producties 27 t/m 29, van de Stichting ; de antwoordakte procedurele aspecten van Wulro c.s.; het vonnis in het vrijwaringsincident d.d. 9 juli 2025; de akte producties ten behoeve van de mondelinge behandeling, tevens akte eiswijziging, met producties 31 tot en met 34, van de Stichting ; de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling d.d. 10 juli 2025 en de pleitaantekeningen die partijen ter zitting hebben overgelegd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. In het kader van de beantwoording van de hierna te melden geschilpunten en daarmee samenhangende rechtsvragen zijn, in aanvulling op de feiten die in de rolbeschikking van 8 januari 2025 vooralsnog zijn vastgesteld, de volgende feiten van belang. 2.2. In september 2019 is de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM ) een onderzoek gestart naar (een) mogelijke overtreding(

  1. en)van het Europese en Nederlandse kartelverbod door ondernemingen die consumptie-eieren bij leghennenhouders inkopen. 2.3. In de week van 5 november 2019 heeft de ACM onaangekondigde bedrijfsbezoeken afgelegd bij vier ondernemingen, waaronder Global, Interovo en Wulro . Op de tweede dag van deze bedrijfsbezoeken is het onderzoek uitgebreid met (een) mogelijke overtreding(
  2. en)van het Europese en Nederlandse kartelverbod door deze ondernemingen met betrekking tot de verkoop van eiproducten. De periode waarop het onderzoek zag, is gelijktijdig verlengd (van 1 januari 2017 tot en met – naar de rechtbank begrijpt – uiteindelijk de datum van het (nog te nemen) besluit). Op 17 april 2020 heeft de ACM partijen geïnformeerd dat de periode van het vermoeden is gewijzigd in de periode van 1 januari 2015 tot – naar de rechtbank begrijpt – uiteindelijk de datum van het (nog te nemen) besluit. 2.4. In het besluit van 22 december 2022 heeft de ACM voor twee gedragingen boetes opgelegd wegens schending van artikel 101 VWEU en artikel 6 Mededingingswet (dagvaarding, productie 1). 2.5. Gedraging I betrof een schending van het mededingingsrecht over de periode 13 april 2015 tot en met 22 augustus 2016. Hiervoor zijn boetes opgelegd aan: - Weko Egg Trading B.V. (gedaagde sub 17), Interovo Services B.V. (gedaagde sub 15), Interovo Egg Group B.V. (gedaagde sub 13), Interovo Beheer B.V. (gedaagde sub 12), alsmede aan - Eiprodukten Wulro B.V. (gedaagde sub 3), Wulms Egg Group B.V. (gedaagde sub 2) en Stichting Administratiekantoor Wulro Food Group (gedaagde sub 1). 2.6. Gedraging II betrof een schending van het mededingingsrecht over de periode 1 maart 2016 tot en met 1 augustus 2019. Hiervoor zijn boetes opgelegd aan: - Global Food Group B.V. (gedaagde sub 30), Global Food Holding B.V. (gedaagde sub 29), [gedaagde 26] B.V. (gedaagde sub 26) alsmede aan - Eiprodukten Wulro B.V. (gedaagde sub 3), Wulms Egg Group B.V. (gedaagde sub 2) en Stichting Administratiekantoor Wulro Food Group (gedaagde sub 1). 2.7. De vennootschappen tegen wie de besluiten waren gericht (hierna ook: de beboete vennootschappen), hebben allen bezwaar tegen die besluiten ingesteld bij de ACM . De ACM heeft het bezwaar bij besluit van 27 oktober 2023 (besluit 1) ongegrond verklaard, behalve het bezwaar van Eiprodukten Wulro B.V. (gedaagde sub 3), Wulms Egg Group B.V. (gedaagde sub 2) en Stichting Administratiekantoor Wulro Food Group (gedaagde sub 1) voor zover dit zag op de hoogte van de opgelegde boete en de openbaarmaking ervan (dagvaarding, productie 2). De ACM heeft de aan laatstgenoemde partijen opgelegde boete met tien procent neerwaarts bijgesteld. Bij besluit van 9 november 2023 (besluit 2) heeft de ACM besloten om ook het bestreden besluit 1 te publiceren. 2.8. Vervolgens hebben de beboete vennootschappen beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, sector Bestuursrecht. De rechtbank heeft op 8 januari 2025 uitspraak gedaan. In die uitspraak is besluit 1 vernietigd voor zover dat ziet op de hoogte van de opgelegde boetes en op de publicatie van de boetebedragen en de onderbouwing daarvan. De totale boetebedragen die aan de ACM moeten worden voldaan zijn door de rechtbank voor de drie groepen van vennootschappen bepaald op respectievelijk € 7.655.000,--, € 15.736.500, en € 995.000,--. Verder heeft de rechtbank Rotterdam bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van besluit 1. Besluit 2 is door de rechtbank vernietigd voor zover dat ziet op de publicatie van de bij besluit 1 vastgestelde boetebedragen en de onderbouwing daarvan, alsmede voor zover daarin gegevens niet onleesbaar zijn gemaakt met inachtneming van de punten 12.6, 12.7 en 12.8 van een uitspraak van een voorzieningenrechter van 12 februari 2024. 2.9. Van deze uitspraak is door de beboete vennootschappen hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (verder te noemen: CBb). Deze heeft tot op heden nog geen uitspraak gedaan. 2.10. De leghennenhouders die zich hebben verenigd in de Stichting , hebben hun beweerde vorderingen op Wulro c.s. strekkende tot vergoeding van de schade die zij door de gestelde kartelvorming hebben geleden op de voet van artikel 3:94 lid 3 BW door middel van een onderhandse akte (stil) gecedeerd aan de Stichting . De afzonderlijke cessieovereenkomsten zijn, op diverse momenten, ter registratie aangeboden aan de Belastingdienst, afdeling Centrale administratieve processen, kantoor Rotterdam, laatstelijk op 19 juni 2025. 2.11. De Stichting heeft Wulro c.s. bij brieven van 29 april 2024 aansprakelijk gesteld voor de schade die de leghennenhouders hebben geleden als gevolg van het (gestelde) kartel (dagvaarding, productie 3). Daarbij is medegedeeld dat een groot aantal leghennenhouders (“ruim meer dan 100”) hun vorderingen tot schadevergoeding aan de Stichting hebben gecedeerd. De identiteit van de cederende leghennenhouders is daarbij niet bekend gemaakt 2.12. Door de leghennenhouders die hun beweerde vorderingen hebben gecedeerd aan de Stichting is telkens met de Stichting een gelijkluidende cessieovereenkomst gesloten, die – voor zover in het kader van dit geschil van belang – als volgt luidt: “(…) OVERWEGINGEN (A) De Autoriteit Consument en Markt (" ACM ") heeft op 22 december 2022 boetes opgelegd aan de ondernemingen Wulro , Interovo en Global1 ("de Kartellisten ") vanwege het maken van verboden afspraken met betrekking tot de inkoop van industrie-eieren. Deze afspraken omvatten onder andere overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen over de inkoopprijs van eieren van leghennenhouders, het verdelen van leveranciers en het uitwisselen van concurrentiegevoelige informatie (de " Kartels "). De Kartels duurden ten minste van 13 april 2015 tot en met 1 maart 2016 (tussen Wulro en Interovo ) en 1 maart 2016 en 1 augustus 2019 (tussen Wulro en Global) (de " Kartelperiode ”), waarbij de verboden afspraken in ieder geval effect hadden op de markt in Nederland, België en Noordwest-Duitsland. (B) De Leghennenhouder is gevestigd in Nederland of België en heeft eieren verkocht in de Kartelperiode . De Leghennenhouder heeft schade geleden als gevolg van het Kartel en/of overige concurrentiebeperkende en/of onrechtmatige afspraken of gedragingen en/of wanprestatie door Kartellisten of gelieerde ondernemingen of personen. Deze schade heeft zich onder meer gerealiseerd in de vorm van te lage ontvangen prijzen voor verkochte eieren. De schade kan zich hebben voorgedaan in de Kartelperiode en een periode na het Kartel vanwege na-ijleffecten door het Kartel. De schade kan zich ook hebben voorgedaan vanwege concurrentiebeperkende afspraken of gedragingen van Kartellisten buiten de Kartelperiode , bijvoorbeeld als nieuwe afspraken of gedragingen aan het licht komen die de ACM (nog) niet heeft vastgesteld op dit moment. De schade kan zich ook hebben voorgedaan bij de verkoop andere typen eieren dan industrie-eieren, waaronder in ieder geval tafeleieren, als gevolg van zogenoemde umbrella-effecten (de "Schade"). De Leghennenhouder heeft voor deze Schade op grond van een of meerdere rechtsgronden, waaronder maar niet beperkt tot onrechtmatige daad, wanprestatie en onrechtmatige verrijking, een of meer vorderingen verkregen op de Kartellisten (de " Vorderingen "). (C) De Stichting is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk die de belangen behartigt van leghennenhouders. De Stichting zet zich in het bijzonder in voor de belangen van leghennenhouders die eieren hebben verkocht en benadeeld zijn door schendingen van concurrentieregels en andere onrechtmatige gedragingen en wanprestatie door afnemers van eieren. (D) De Stichting is voornemens een juridische procedure te voeren en/of een schikking te treffen om compensatie te verkrijgen van Kartellisten en/of gelieerde ondernemingen of personen voor de door de leghennenhouders geleden Schade (de " Actie "). (…) (F) De Leghennenhouder wenst al zijn Vorderingen te verkopen en over te dragen aan de Stichting ten behoeve van de Actie , en de Stichting wenst alle Vorderingen van de Leghennenhouder te kopen en te verkrijgen in overeenstemming met de voorwaarden van deze Overeenkomst. KOMEN ALS VOLGT OVEREEN: 1Koop en Verkoop en Levering Vorderingen 1.1 De Leghennenhouder verkoopt hierbij alle Vorderingen aan de Stichting en de Stichting koopt hierbij die Vorderingen van de Leghennenhouder voor een koopprijs (de "Koopprijs") waarvan de omvang afhankelijk is van de uitkomst van de Actie in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.1. 1.2 De Leghennenhouder levert hierbij door middel van stille cessie in overeenstemming met het bepaalde in artikel 94 lid 3 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek alle Vorderingen aan de Stichting en de Stichting aanvaardt hierbij de levering van die Vorderingen . De Stichting is te allen tijde bevoegd om mededeling te doen aan de debiteuren van de Vorderingen . 1.3 De Stichting zal deze Overeenkomst binnen vijf werkdagen na de datum van deze Overeenkomst ter registratie aanbieden aan de Belastingdienst. 1.4 Voor zover geen geldige overdracht van één of meer Vorderingen heeft plaatsgevonden verbindt de Stichting zich jegens Leghennenhouder om als lasthebber op te treden voor de Actie , en de Stichting is daarmee bevoegd tot het innen van de Vorderingen , het voeren van een juridische procedure, het treffen van een schikking met een of meerdere Kartellisten en verder al datgene te doen wat de Stichting als lasthebber in het belang van Leghennenhouder als lastgever gewenst, nuttig of noodzakelijk zal achten en de Leghennenhouder als lastgever zelf tegenwoordig zijnde, zou kunnen, mogen of moeten doen. Hiermee is sprake van een lastgevingsovereenkomst in de zin van artikel 7:414 BW, waarbij de Stichting op eigen naam zal handelen. De Stichting verbindt zich om zich naar eer en geweten van haar last te kwijten en deze uit te voeren, zoals een goed lasthebber betaamt en is gerechtigd de last geheel naar eigen inzicht uit te voeren. Lasthebber is niet aansprakelijk voor schade van lastgever ten gevolge of naar aanleiding van deze overeenkomst of de uitvoering hiervan en lastgever vrijwaart lasthebber voor eventuele aanspraken ter zake van derden, zulks behoudens opzet of bewuste roekeloosheid van lasthebber zelf. Deze uitsluiting en vrijwaring gelden eveneens voor de eventuele hulppersonen en ondergeschikten die door de Stichting bij deze Overeenkomst of de uitvoering daarvan betrokken zijn. (…)” 2.13. De in de cessieovereenkomst onder (A) vermelde voetnoot 1 luidt als volgt: “ Interovo : Weko Egg Trading B.V., Interovo Services B.V., Interovo Egg Group B.V., en Interovo Beheer B.V. Wulro : Eiprodukten Wulro B.V., Wulms Egg Group B.V. en Stichting Administratiekantoor Wulro Food Group Global: Global Food Group B.V., Global Food Holding B.V en [gedaagde 26] B.V.” 2.14. De cessieovereenkomsten zijn door de Stichting (als productie 10) bij dagvaarding in het geding gebracht. De namen van de cederende leghennenhouders zijn in die producties weggelakt. Ten aanzien van twee gecedeerde vorderingen , te weten die van - [V.O.F.] en [persoon 1] (eveneens een vennootschap onder firma), beiden gevestigd te [plaats 5] (Nederland), aan [adres 1] en - [persoon 2] en [persoon 3] , te [plaats 6] (België), aan [adres 2] , is de identiteit door de Stichting bekend gemaakt in haar antwoordakte naar aanleiding van de rolbeschikking van 8 januari 2025. 3Het geschil Het geschil is in de rolbeschikking verkort weergegeven in nummer 2.1. In de ‘akte n.a.v. rolbeschikking d.d. 8 januari 2025, tevens vermeerdering van eis’ alsmede in de ‘akte producties ten behoeve van de mondelinge behandeling, tevens akte eiswijziging’ heeft de Stichting het petitum aldus gewijzigd dat zij ten aanzien van twee leghennenhouders (met de cessieakten nummer 4 en 14) de vordering tot schadevergoeding intrekt en dat zij ten aanzien van vijf leghennenhouder (met de cessieakten nummers 111, 112, 113, 114 en 115), die hun vorderingen tot schadevergoeding na het uitbrengen van de dagvaarding aan de Stichting hebben overgedragen, alsnog een vordering instelt. 4De verdere beoordeling Inleidende opmerkingen 4.1. In de rolbeschikking van 8 januari 2025 heeft de rechtbank (onder r.o. 3.3.) overwogen dat het wenselijk is dat door de rechtbank op een aantal punten van procedurele aard beslissingen worden genomen, voordat er een inhoudelijke voortzetting van het debat plaatsvindt. Deze punten betroffen: - de incidentele vordering van gedaagden tot aanhouding van de zaak, in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het CBb; - de incidentele vordering van de Stichting tot inzage; - de inningsbevoegdheid van de Stichting op grond van de stille cessie dan wel lastgeving, waarbij mede een rol speelt de belangen die ieder der partijen heeft bij het al dan niet bekend worden van de identiteit van de leghennenhouders die hun vorderingen aan de Stichting hebben gecedeerd; 4.2. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich in de aktewisseling omtrent deze punten uit te laten. Buiten genoemde geschilpunten is van de zijde van Wulro c.s. in de aktewisseling het verweer gevoerd dat de cederende leghennenhouders blijkens de tekst van de cessieakten slechts vorderingen op de beboete vennootschappen aan de Stichting hebben overgedragen, zodat de vorderingen ten aanzien van alle overige gedaagden moeten worden afgewezen. 4.3. De rechtbank zal in dit vonnis slechts een beslissing nemen ten aanzien van de hiervoor (in 4.1. en 4.2.) genoemde onderwerpen. Dat betekent dat op eventuele andere geschilpunten die partijen in hun aktewisseling hebben opgeworpen, pas in een later vonnis zal worden beslist. 4.4. De rechtbank dient, alvorens zij kan toekomen aan de beoordeling van bedoelde procedurele punten te beoordelen of zij rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht van toepassing is, aangezien het geschil een internationaal aspect heeft in verband met de vestigingsplaats van in ieder geval één leghennenhouder (maar waarschijnlijk meerdere leghennenhouders) in het buitenland. De bevoegdheid van de rechtbank 4.5. In de inleidende dagvaarding heeft de Stichting gesteld dat de rechtbank bevoegd is op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (verder te noemen Brussel I bis-Vo.). Wulro c.s. hebben geen verweer gevoerd ten aanzien van de internationale bevoegdheid. Ondanks de internationale component aan het geschil in verband met de vestigingsplaats van leghennenhouders in het buitenland, is de rechtbank – nu niet is gebleken dat er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 24 Brussel I bis-Vo. bij uitsluiting bevoegd is – in ieder geval bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 26 van de Brussel I bis-Vo. (stilzwijgende forumkeuze). Het toepasselijke recht 4.6. De vraag naar het toepasselijk recht betreft allereerst de vordering in de hoofdzaak. Ten tweede dient te worden beslist welk nationaal recht van toepassing is op de cessies door de leghennenhouders van hun beweerde vorderingen aan de Stichting . - het op de vordering in de hoofdzaak toepasselijk recht 4.7. De vordering in de hoofdzaak is gebaseerd op onrechtmatig handelen van Wulro c.s. jegens de leghennenhouders, bestaande in (de gestelde) kartelvorming door Wulro c.s. bij aankoop van eieren van de leghennenhouders. Het toepasselijk recht dient in dat geval te worden bepaald aan de hand van Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (verder te noemen: Rome II). Deze verordening is op grond van artikel 2 jo. artikel 31 daarvan toepasselijk. 4.8. Rome II kent in artikel 6 een speciale verwijzingsregel voor gevallen van oneerlijke concurrentie en daden die de vrije concurrentie beperken. Dat artikel luidt, voor zover in het kader van dit geschil van belang, als volgt: “(…) 3.a)De niet-contractuele verbintenis die uit een beperking van de mededinging voortvloeit, wordt beheerst door het recht van het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt. b)Wanneer de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt in meer dan één land, mag de persoon die schadevergoeding vordert bij het gerecht van de woonplaats van de verweerder, echter verkiezen zijn vordering te gronden op het recht van het gerecht waarbij hij het geschil aanhangig heeft gemaakt, mits de markt in die lidstaat een van de markten is die rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloed worden door de beperking van de mededinging waaruit de niet-contractuele verbintenis voortvloeit waarop de vordering is gebaseerd. Wanneer de eiser, overeenkomstig de toepasselijke regels betreffende de rechterlijke bevoegdheid, meer dan één verweerder voor dat gerecht daagt, kan hij uitsluitend kiezen om zijn vordering op het recht van dat gerecht te gronden indien de beperking van de mededinging, waarop de vordering tegen elk van deze verweerders berust, ook de markt van de lidstaat van dat gerecht rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloedt.(…)” 4.9. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de leghennenhouders die hun vorderingen hebben gecedeerd aan de Stichting enkel in Nederland en in België zijn gevestigd. De rechtbank begrijpt verder de stellingen van de Stichting aldus dat zij van oordeel is dat door het beweerde onrechtmatige handelen van Wulro c.s. de markt voor de aankoop van legheneieren in Nederland en België is beïnvloed, omdat daar de leghennenhouders zijn gevestigd die hun beweerde vorderingen aan de Stichting hebben gecedeerd. Dat brengt mee dat het bepaalde onder artikel 6 lid 3 onder b Rome II van toepassing is. 4.10. Nu op grond van het partijdebat voldoende aannemelijk is geworden de markt in Nederland rechtstreeks en aanzienlijk is beïnvloed indien de gestelde beperking van de mededinging in deze procedure komt vast te staan, kan de Stichting haar vorderingen die zij van zowel Nederlandse als Belgische leghennenhouders heeft verkregen op grond van artikel 6 lid 3 sub b Rome II baseren op Nederlands recht, als zijnde het recht van het gerecht waar de vordering aanhangig is gemaakt. Uit het gestelde in randnummer 227 van de inleidende dagvaarding volgt dat de Stichting voor toepasselijkheid van Nederlands recht heeft gekozen. Dat brengt mee dat op de door de Stichting ingestelde vorderingen Nederlands recht van toepassing is. - het op de cessie toepasselijk recht 4.11. Ten aanzien van de (gepretendeerde) vorderingen die zijn gecedeerd door de Nederlandse leghennenhouders geldt dat de cessie van die vorderingen wordt beheerst door het Nederlandse recht, nu zowel de cedenten (in casu de leghennenhouders), de cessionaris (in casu de Stichting ) als de debiteuren (de gedaagden die door kartelvorming onrechtmatig hebben gehandeld) in Nederland zijn gevestigd. 4.12. Het nationaal recht dat van toepassing is op de cessies van de Belgische leghennenhouders wordt aangewezen door Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (verder te noemen: Rome I). Deze toepasselijkheid volgt uit de artikelen 1, 2 en 28 van Rome I. 4.13. Artikel 14 Rome I bevat een specifieke verwijzingsregel voor een cessie van vorderingen . Deze bepaling luidt als volgt: “1. De betrekkingen tussen cedent en cessionaris (…) worden beheerst door het recht dat ingevolge deze verordening op de tussen hen bestaande overeenkomst van toepassing is. 2. Het recht dat de gecedeerde of gesubrogeerde vordering beheerst, bepaalt de vraag of de vordering voor cessie of subrogatie vatbaar is alsmede de betrekkingen tussen cessionaris of subrogant en schuldenaar, de voorwaarden waaronder de cessie of subrogatie aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen en of de schuldenaar door betaling is bevrijd. 3. Het concept cessie in dit artikel omvat daadwerkelijke overdrachten van vorderingen , overdrachten van vorderingen tot zekerheid alsmede verpandingen en andere zekerheidsrechten op vorderingen .” 4.14. Uit deze bepaling volgt dat voor de beantwoording van de vraag welk recht van toepassing is op de cessie, moet worden onderscheiden tussen een aantal aspecten die aan de cessie zijn verbonden, te weten: (
  3. i)de overdraagbaarheid van de vordering, (
  4. ii)de verhouding tussen de cessionaris en de debiteur en (iii) de verhouding tussen cedent en cessionaris. 4.15. De vraag of de vordering overdraagbaar is, wordt blijkens artikel 14 lid 2 Rome I beheerst door het recht dat de gecedeerde vordering beheerst (het vorderingstatuut). In casu is dat, zoals hiervoor overwogen (rov. 4.10), ook ten aanzien van de door de Belgische leghennenhouders gecedeerde vorderingen het Nederlands recht. Op grond van artikel 14 lid 2 Rome I wordt ook de rechtsverhouding tussen de cessionaris (in casu de Stichting ) en de debiteur dan wel debiteuren (in casu de gedaagden die aansprakelijk zijn voor de kartelvorming), beheerst door het vorderingsstatuut c.q. het Nederlands recht. 4.16. Lid 1 van artikel 14 Rome I ziet op de verhouding tussen de cederende Belgische leghennenhouders en de Stichting . Volgens dat artikellid wordt die verhouding beheerst door het recht dat op grond van de verordening op de tussen hen bestaande cessieovereenkomst van toepassing is. Uit preambule 38 van Rome I volgt dat niet alleen de verbintenisrechtelijke verhouding tussen de cedent en cessionaris, maar ook de goederenrechtelijke aspecten van de verhouding tussen cedent en cessionaris door dit toepasselijke recht wordt beheerst. 4.17. Artikel 3 Rome I laat een rechtskeuze toe. Uit de cessieovereenkomsten betreffende in België gevestigde leghennenhouders die hun beweerde vorderingen op Wulro c.s. aan de Stichting hebben overgedragen, blijkt dat op die overeenkomsten Nederlands recht van toepassing is verklaard. De leghennenhouders als cedenten en de Stichting als cessionaris hebben rechtsgeldig kunnen kiezen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht op de cessieovereenkomsten. 4.18. De conclusie van het voorgaande is dat niet alleen op de cessies van de vorderingen van de Nederlandse leghennenhouders, maar ook op de cessies van de vorderingen van de Belgische leghennenhouders het Nederlands recht van toepassing is. Omtrent de aanhouding van de procedure tot het CBb een eindbeslissing heeft gegeven 4.19. Wulro c.s. stellen zich op het standpunt dat de onderhavige procedure moet worden aangehouden, totdat het CBb een eindbeslissing heeft gegeven omtrent de geldigheid van de boetebesluiten. Daartoe voeren zij het volgende aan. 4.20.1. Uit het oogpunt van een efficiënte procesvoering alsmede op grond van de eisen van behoorlijke rechtspleging dient deze procedure te worden aangehouden totdat onherroepelijk is beslist omtrent de geldigheid van de boetebesluiten. De rechtbank Rotterdam heeft het bezwaar tegen beide besluiten weliswaar slechts ten aanzien van de hoogte van de boetes gegrond verklaard, maar hiertegen is door de beboete vennootschappen hoger beroep ingesteld bij het CBb. Zolang door het CBb geen beslissing is genomen, zijn de boetes nog niet onherroepelijk. Er bestaat een redelijke twijfel over de juistheid van de boetebesluiten en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, zodat de boetebesluiten uiteindelijk geen stand zullen houden. 4.20.2. De stelling van de Stichting dat gedaagden onrechtmatig jegens de leghennenhouders hebben gehandeld, zo betogen Wulro c.s. voorts, is volledig en uitsluitend gebaseerd op de boetebesluiten van de ACM . Op grond van artikel 161a Rv. leveren deze besluiten in de onderhavige procedure pas dan een onweerlegbaar bewijs op van de vastgestelde inbreuk, indien zij onherroepelijk zijn geworden. Pas als er op deze wijze definitief duidelijkheid is verkregen over de mededingingsrechtelijke context, kunnen overwogen beslissingen worden genomen omtrent de vraag of de beboete vennootschappen onrechtmatig hebben gehandeld. Het aanhouden van de zaak voorkomt dat er onnodig wordt geprocedeerd en voorkomt dat moet worden gedebatteerd over feiten en omstandigheden die de Stichting ten onrechte ontleent aan de boetebesluiten. Dit levert voor alle betrokkenen, inclusief de rechtbank, een aanzienlijke besparing van kosten en tijd op. 4.20.3. Aanhouding van de procedure totdat onherroepelijk is beslist omtrent de juistheid van de boetebesluiten voorkomt bovendien, zo stellen Wulro c.s. verder, de kans dat er tegenstrijdige uitspraken worden gewezen in de onderhavige civiele procedure en de administratiefrechtelijke rechtsgang betreffende de boetebesluiten. Ook de leer van de formele rechtskracht onderschrijft het belang om de zaak aan te houden. Bovendien volgt uit de beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 14 december 2000 (zaak C-344/98, Masterfoods, Jur. 2000, p. I-11369; ECLI:EU:C:2000:689) dat de zaak moet worden aangehouden totdat onherroepelijk op de boetebesluiten is beslist, teneinde tegenstrijdige uitspraken te voorkomen. 4.20.4. Een andere reden om de zaak aan te houden is volgens Wulro c.s. dat de Hoge Raad in zijn beslissingen van 20 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:945, Truckkartel en ECLI:NL:HR:2025:946, Luchtvrachtkartel) prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie. In die procedure is onder andere de vraag aan de orde of één enkele, voortdurende inbreuk is te beschouwen als één onrechtmatige gedraging, die resulteert in één schadevergoeding per benadeelde, of dat het betreft een onrechtmatige gedraging die per transactie leidt tot afzonderlijke schadevorderingen. De beantwoording van die vraag is volgens Wulro c.s. van belang om de door de Stichting ingestelde vorderingen te beoordelen, omdat dit gevolgen heeft voor de stelplicht die op de Stichting rust en in het bijzonder voor hetgeen zij reeds in de dagvaarding had moeten stellen. 4.21. De Stichting verzet zich tegen een aanhouding van de procedure totdat de boetebesluiten onherroepelijk zijn geworden. Op haar verweer zal hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader worden ingegaan. 4.22. De rechtbank oordeelt omtrent de incidentele vordering tot aanhouding als volgt. 4.23. De beginselen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter er op toeziet dat een procedure voortvarend wordt afgehandeld en dat er binnen een redelijke termijn uitspraak wordt gedaan. Ook het beginsel van doeltreffendheid, zoals onder meer neergelegd in artikel 4 van Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 (hierna: de Kartelschaderichtlijn), brengt in mededingingszaken mee dat procedures niet onnodig mogen worden vertraagd, omdat dat afbreuk doet aan het recht van de benadeelden van kartelvorming om binnen een redelijke termijn een rechterlijk oordeel te krijgen over die kartelvorming en om de daaruit voortvloeide schade vergoed te krijgen. Als uitgangspunt heeft derhalve te gelden dat de Stichting (dan wel de benadeelden) er recht op en belang bij heeft dat onderhavige procedure niet onredelijk wordt vertraagd, zodat zij op korte termijn, nadat in de bestuursrechtelijke procedure onherroepelijk is beslist omtrent de boetebesluiten, in deze civielrechtelijke follow-on-procedure duidelijkheid verkrijgt omtrent de civielrechtelijke aansprakelijkheid van Wulro c.s. Het verzoek om aanhouding kan dan ook slechts worden toegewezen indien het belang dat Wulro c.s. daarbij hebben, zwaarder weegt dan voornoemd belang van de Stichting dan wel de benadeelden. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in casu geen sprake. 4.24. De enkele omstandigheid dat de boetebesluiten nog niet onherroepelijk zijn, is op zichzelf geen reden om onderhavige procedure aan te houden, zelfs niet indien de uiteindelijke beslechting van het geschil zou afhangen van de geldigheid van die boetebesluiten. Redengevend daarvoor is ten eerste dat de rechtbank Rotterdam de besluiten van de ACM naar de kern genomen in stand heeft gehouden. Hoewel de boetebesluiten momenteel nog geen formele rechtskracht hebben, moet de rechtbank in beginsel uitgaan van de juistheid van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en daarmee ook van de juistheid van de boetebesluiten (zie HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1700, NJ 1977/166, rov. 3.6). Anders dan door Wulro c.s. is betoogd, is het op grond van hetgeen Wulro c.s. hebben gesteld, niet evident dat de uitspraak van de rechtbank Rotterdam zal worden vernietigd en de boetebesluiten geen stand zullen houden. Er is in onderhavige procedure dus geen reden om op een eventuele vernietiging vooruit te lopen. Daarmee is op dit moment niet het oordeel gerechtvaardigd dat het doorprocederen voor de betrokkenen, waaronder de rechtbank, ineffectief is en nodeloos kostenverhogend, zodat Wulro c.s. om die reden belang zouden hebben bij de aanhouding. 4.25. De stelling van Wulro c.s. dat uit het Masterfoods-arrest zou volgen dat deze follow-on-procedure moet worden aangehouden totdat de boetebesluiten onherroepelijk zijn geworden, wordt verworpen. Het Hof van Justitie heeft in bedoeld arrest beslist dat de nationale rechter (als een met overheidsgezag beklede instantie van een lidstaat) zich moet onthouden van beslissingen die verwezenlijking van de doelstellingen van het EU-Verdrag in gevaar kunnen brengen (rov. 49). Dit brengt onder meer mee dat, indien de beslechting van een geschil door de nationale rechter omtrent de geldigheid van overeenkomsten of gedragingen afhangt van de geldigheid van een beschikking van de Europese Commissie in het geval van parallelle procedures voor nationale en communautaire rechterlijke instanties, de nationale rechter de procedure moet schorsen totdat een definitieve beslissing is genomen door de communautaire rechterlijke instantie (rov. 57). In casu is sprake van een follow-on-procedure naar aanleiding van een boetebesluit van een nationale mededingingsautoriteit en niet van een beschikking van de Europese Commissie. Uit het Masterfoods-arrest, dat direct noch indirect van toepassing is op de verhouding tussen de nationale rechter en nationale mededingingsautoriteit, volgt dan ook geen verplichting om onderhavige zaak aan te houden. 4.26. Op dit moment verkeert de hoofdzaak nog niet in staat van wijzen, zodat er thans ook geen risico bestaat dat een eindbeslissing van deze rechtbank in strijd zal zijn met de uitkomst van het beroep tegen de besluiten van de ACM . Alvorens de rechtbank in staat zal zijn om een eindbeslissing te nemen omtrent de aansprakelijkheid van Wulro c.s. voor de gestelde kartelvorming, dient eerst te worden beslist op een aantal geschilpunten van formele en materiële aard. De zowel uit artikel 20 Rv. als ook uit het doeltreffendheidsbeginsel voortvloeiende verplichting om te waken tegen een onredelijke vertraging van de procedure, brengt mee dat op die geschilpunten zoveel mogelijk wordt beslist vooruitlopend op de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedure omtrent de boetebesluiten. 4.27. Voorts volgt uit de eigen stellingen van Wulro c.s. dat de Stichting er belang bij heeft dat op zo kort mogelijke termijn wordt beslist op de incidentele vordering tot inzage en dat, indien die incidentele vordering wordt toegewezen, die inzage ook zo snel mogelijk wordt verkregen. Daartoe geldt het volgende. Door Wulro c.s. is gesteld (akte na rolbeschikking, 30) dat de boetebesluiten wegens procedurele gebreken vernietigd moeten worden en dat deze om die reden in deze follow-on-procedure niet tot het bewijs kunnen worden gebruikt. Volgens Wulro c.s. zal de Stichting het bewijs van haar zaak zelfstandig moeten leveren. Uit deze stellingname van Wulro c.s. volgt dat het verkrijgen van inzage in de administratie voor de Stichting van cruciaal belang kan zijn voor het leveren van dat bewijs door de Stichting . Dat de Stichting in dat geval belang heeft bij een inzage op zo kort mogelijke termijn, volgt onder meer uit de stelling van Wulro c.s. dat zij alle administratie die ouder is dan zeven jaar reeds heeft vernietigd. Voorkomen moet worden dat een aanhouding van de beslissing omtrent het recht op inzage, meebrengt dat de bewijspositie van de Stichting – indien wordt geoordeeld dat zij recht op inzage heeft – wordt benadeeld door een verdere vernietiging van de administratie door Wulro c.s. 4.28. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te wachten op het antwoord van het Hof van Justitie op de door de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vragen. Het antwoord op deze vragen is niet dermate relevant dat dat rechtvaardigt dat de onderhavige procedure wordt aangehouden. 4.29. Verder is van belang dat niet duidelijk is wanneer het CBb een einduitspraak zal doen en of er nog meer vertraging dreigt als de zaak aan het Europees Hof van Justitie zal worden voorgelegd. 4.30. De slotsom van het voorgaande is dan ook dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging op dit moment meebrengen dat de rechtbank de behandeling van de zaak niet aanhoudt totdat het CBb een einduitspraak heeft gedaan. De gevolgen van de cessies 4.31. In de rolbeschikking heeft de rechtbank partijen de gelegenheid gegeven om zich uit te laten omtrent de geldigheid van de cessies van de vorderingen van de leghennenhouders aan de Stichting . Uit het partijdebat zoals dat is gevoerd in de aktes na de rolbeschikking en tijdens de mondelinge behandeling, volgt dat partijen het er met elkaar over eens zijn dat de cessies op zichzelf rechtsgeldig zijn geschied, maar dat partijen met elkaar van mening verschillen over de vraag of de Stichting op grond van de (op zichzelf geldige) cessies bevoegd is om de vorderingen te innen. Voorts zijn Wulro c.s. van oordeel dat op grond van de tekst in de aktes van cessie slechts vorderingen zijn overgedragen die de cedenten stellen te hebben op de beboete vennootschappen. Ten aanzien van gedaagden die niet door de ACM zijn beboet, is volgens Wulro c.s. dan ook door de leghennenhouders geen vordering aan de Stichting gecedeerd, zodat in deze procedure ten aanzien van deze gedaagden de vorderingen moet worden afgewezen. De Stichting betwist dit verweer van Wulro c.s. Volgens haar was het de bedoeling van partijen bij de cessies om ook de vorderingen over te dragen die de leghennenhouders hebben op de gedaagde partijen die niet door de ACM zijn beboet. De rechtbank zal hierna eerst de vraag behandelen met betrekking tot welke gedaagden door middel van de cessie een (gestelde) vordering aan de Stichting is overgedragen. Vervolgens zal aan de orde komen of de Stichting op grond van de cessies inningsbevoegd is geworden. - ten aanzien van de vraag welke vorderingen zijn overgedragen 4.32. Bij de beantwoording van de vraag ten aanzien van welke debiteuren op grond van de akte van cessie een vordering op de Stichting is gecedeerd, stelt de rechtbank het volgende voorop. De levering van een vordering op naam geschiedt ofwel bij een onderhandse akte met mededeling van de akte aan de schuldenaar (artikel 3:94 lid 1 BW) ofwel bij een authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan de schuldenaar (artikel 3:94 lid 3 BW). Bij de uitleg van de akte van cessie komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Een van die uitleg te onderscheiden en zelfstandig te beoordelen vraag is of is voldaan aan het uit art. 3:84 lid 2 voortvloeiende vereiste dat de cessieakte ten tijde van de cessie de te cederen vordering(
  5. en)in voldoende mate bepaalt (HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841, NJ 2020/33 m.nt. F.M.J. Verstijlen). Aan dit bepaaldheidsvereiste is volgens vaste rechtspraak voldaan als de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering(
  6. en)het gaat (HR 14 oktober 1994; ECLI:NL:HR:1994:ZC1488, NJ 1995/447 m.nt. W.M. Kleijn). De bedoeling van de partijen bij de akte is voor de beoordeling of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste niet relevant, voor zover die bedoeling niet aan de hand van gegevens in de akte zelf, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld. Of die bedoeling aan de hand van gegevens in de akte kan worden vastgesteld, berust op een waardering van de feiten. Gezien bovenstaande maatstaf is voor de beantwoording van de vraag of in onderhavige zaak behalve de vorderingen aan de beboete vennootschappen tevens vorderingen op de overige gedaagden zijn overgedragen, van belang of aan de hand van gegevens in de akte van cessie kan worden bepaald of de leghennenhouders naast vorderingen op de beboete vennootschappen ook vorderingen op andere (rechts)personen hebben overgedragen en zo ja, welke vorderingen dat betreft. 4.33. De vraag of partijen de bedoeling hebben gehad om aan de Stichting ook (gepretendeerde) vorderingen over te dragen op de gedaagden die niet door de ACM zijn beboet behoeft geen beantwoording. Ook indien de leghennenhouders en de Stichting die bedoeling hebben gehad - voor welk standpunt steun is te vinden in de tekst van de cessieovereenkomsten -, dan nog heeft te gelden dat partijen in de tekst van de akte, bij de definiëring van de vorderingen die worden overgedragen, uitsluitend vorderingen op de beboete vennootschappen in de definitie hebben opgenomen als de vorderingen die op de Stichting worden overgedragen. Daarmee zijn dus slechts de vorderingen op de beboete vennootschappen in voldoende mate bepaald als de vorderingen die worden overgedragen. De rechtbank komt op grond van onderstaande overwegingen tot dit oordeel. 4.34. In de cessieovereenkomsten is in de considerans (onder A) opgenomen dat de ACM op 22 december 2022 boetes heeft opgelegd aan de ondernemingen Wulro , Interovo en Global, welke vennootschappen in de considerans worden gedefinieerd als "de Kartellisten ". Volgens noot 1 van die overeenkomst moeten de “ Kartellisten ” nader worden omschreven als een groep bestaande uit de volgende ondernemingen: Interovo : Weko Egg Trading B.V., Interovo Services B.V., Interovo Egg Group B.V., en Interovo Beheer B.V.; Wulro : Eiprodukten Wulro B.V., Wulms Egg Group B.V. en Stichting Administratiekantoor Wulro Food Group ; Global: Global Food Group B.V., Global Food Holding B.V. en [gedaagde 26] B.V. Dit zijn, zo constateert de rechtbank, de beboete vennootschappen. Vervolgens wordt in de considerans (onder B) verklaard dat de leghennenhouder wegens de kartelvorming één of meerdere vorderingen heeft verkregen op de Kartellisten , welke vorderingen worden gedefinieerd als de ‘ Vorderingen ’. Hiermee volgt aldus uit de tekst van de akte en in het bijzonder uit de uitdrukkelijk gedefinieerde begrippen, dat met ‘ Vorderingen ’ wordt bedoeld vorderingen op de gedefinieerde groep van kartellisten , zijnde de beboete vennootschappen. Vervolgens wordt in artikel 1.1. overeengekomen dat de leghennenhouder alle ‘ Vorderingen ’ verkoopt aan de Stichting . Indien aan de hand van de gegevens in de cessieakte moet worden bepaald welke vorderingen worden gecedeerd, dan volgt uit de tekst dat dit uitsluitend de vorderingen zijn op de beboete vennootschappen. Weliswaar wordt in de considerans onder B en D van de cessieakte verklaard dat de cederende leghennenhouder schade heeft geleden door gedragingen van kartellisten of gelieerde ondernemingen of personen en dat de leghennenhouder schadevergoeding wenst te verkrijgen van die kartellisten of gelieerde ondernemingen of personen, maar de groep van gelieerde ondernemingen en personen is verder niet in de cessieakte gedefinieerd. De term gelieerde ondernemingen en personen is op zichzelf onvoldoende bepaald, zodat de gepretendeerde vorderingen op deze ondernemingen en personen ook om die reden voldoende bepaalbaar zijn. - inning van de vorderingen op grond van lastgeving 4.35. De Stichting heeft zich (subsidiair) beroepen op artikel 1.4 uit de cessieovereenkomsten. Daarin heeft zij, aldus de Stichting , met de leghennenhouders afgesproken dat zij, voor zover geen geldige overdracht van één of meer vorderingen heeft plaatsgevonden, in eigen naam als lasthebber de vorderingen zal innen. De rechtbank begrijpt de stellingen van de Stichting aldus dat zij daarmee niet alleen doelt op niet overgedragen vorderingen tegen de beboete vennootschappen, maar ook op vorderingen jegens gelieerde ondernemingen en personen. 4.36. Wulro c.s. hebben niet betwist dat de cessieovereenkomsten een grondslag bieden voor lastgeving. Zij hebben wel gesteld dat geen sprake kan zijn van lastgeving naast een geldige overdracht van de vorderingen , maar dat verweer gaat in dit geval niet op, nu het juist gaat om vorderingen die wegens onvoldoende bepaalbaarheid niet zijn overgedragen. De eis dat de vordering voldoende bepaald moet zijn, geldt niet voor de overeenkomst waarbij de crediteur aan een ander de bevoegdheid geeft om als lasthebber in eigen naam in rechte op te treden. Eerst indien het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber voldoende concrete feiten moeten stellen omtrent de crediteur namens wie en de grondslag waarop de vordering wordt ingesteld, zodat aldus voldoende kan worden bepaald welke vordering tegen de wederpartij wordt ingesteld. 4.37. Naar het oordeel van de rechtbank kan de Stichting daarmee voor de niet overgedragen vorderingen in beginsel een gerechtvaardigd beroep doen op lastgeving, met dien verstande dat dit niet zonder meer betekent dat zij in deze procedure als lasthebber kan optreden zonder de identiteit van de leghennenhouders bekend te maken. Op dit punt, waarop door Wulro c.s. verweer is gevoerd, zal de rechtbank in het navolgende nader ingaan (zie hierna in de nummers 4.65 en 4.66). - ten aanzien van de inningsbevoegdheid 4.38. De Stichting heeft in haar brief van 29 april 2024 aan Wulro c.s. medegedeeld dat 110 leghennenhouders hun vorderingen hebben gecedeerd aan de Stichting . Daarbij is de identiteit van de cederende leghennenhouders niet bekend gemaakt. In deze procedure zijn weliswaar de aktes van cessie overgelegd, maar de namen van de leghennenhouders zijn weggelakt. De Stichting heeft er, zo stelt zij, bewust voor gekozen om de identiteit van de cederende leghennenhouders thans nog niet bekend te maken, omdat de leghennenhouders daarbij een concreet belang hebben. Vanwege de dominante positie van Wulro c.s. op de inkoopmarkt voor eieren, zijn de leghennenhouders namelijk zeer afhankelijk van de afnemers. Zij hebben vaak maar één of enkele afnemers, die allen behoren tot de ondernemingen van Wulro c.s. Indien de identiteit van de leghennenhouders bekend moet worden gemaakt, zullen Wulro c.s. hun sterkere onderhandelingspositie misbruiken om repercussies te nemen, hetgeen negatieve consequenties zal hebben voor de bedrijfsvoering van de leghennenhouders. Leghennenhouders die hun vordering hebben gecedeerd, zullen er dan ook voor kiezen om hun vordering in te trekken, indien zij hun naam bekend moeten maken. 4.39. Volgens de Stichting is het voor haar bevoegdheid om de vorderingen te innen, niet nodig dat (reeds thans) de identiteit van de cederende leghennenhouders aan Wulro c.s. bekend wordt gemaakt. Daartoe voert de Stichting aan dat door het opstellen en de registratie van de aktes van cessie een rechtsgeldige stille cessie heeft plaatsgevonden, die heeft geleid tot een overdracht van de gecedeerde vorderingen . Een mededeling van de cessie aan de debiteur is voor de geldigheid van de stille cessie niet vereist. De vorderingen zijn door de cessies tot het vermogen van de Stichting gaan behoren, zodat de Stichting als rechthebbende inningsbevoegd is (dagvaarding, 169). Indien een mededeling wel noodzakelijk zou worden geacht, dan kan die mededeling altijd nog in een later stadium van de procedure plaatsvinden. Dit doet niet af aan de inningsbevoegdheid voordat die mededeling is gedaan (akte na rolbeschikking Stichting , 78 e.v.) 4.40. Voort stelt de Stichting dat zij bovendien van de cessie mededeling heeft gedaan aan Wulro c.s. in haar brieven van 29 april 2024, zodat zij in ieder geval vanaf dat moment proces- dan wel inningsbevoegd is geworden (dagvaarding, 166; akte na rolbeschikking Stichting , 70 e.v.). Voor de geldigheid van de mededeling is niet vereist dat de namen van de cederende leghennenhouders aan Wulro c.s. worden bekend gemaakt. Mocht het zo zijn dat de Stichting , op grond van het daartoe gevoerde verweer van Wulro c.s., gehouden is om duidelijkheid te verschaffen omtrent haar inningsbevoegdheid, dan kan die duidelijkheid ook worden verschaft zonder de namen van de cedenten te noemen (dagvaarding, 170). Die duidelijkheid is in deze procedure ook daadwerkelijk verschaft, aldus de Stichting . De Stichting int immers de vorderingen tot schadevergoeding die de cedenten hebben op Wulro c.s. ten gevolge van het onrechtmatig handelen van Wulro c.s. door inbreuken op het mededingingsrecht. Daarbij wordt ook per leghennenhouder gespecificeerd om welke type eieren het gaat, de hoeveelheid eieren en een indicatie van de vestigingsplaats. Daarmee is, zo begrijpt de rechtbank, voor Wulro c.s. voldoende duidelijk om welke vorderingen het in deze procedure gaat. 4.41. Verder voert de Stichting aan dat bij de beoordeling van de vraag of de Stichting mag procederen zonder de identiteit van de leghennenhouders bekend te maken in het kader van een belangenafweging, rekening moet worden gehouden met de effectiviteit van de handhaving van het mededingingsrecht. Onder meer het doeltreffendheidsbeginsel, dat volgt uit regels van Europees mededingingsrecht (zoals artikel 47 van het Handvest en de artikelen 3 en 4 van de Kartelschaderichtlijn), brengt mee dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat gedupeerden van een inbreuk op het mededingingsrecht effectief de mogelijkheid hebben om vergoeding van hun schade te vorderen. Lidstaten dienen er daarbij op grond van artikel 4 van de Kartelschaderichtlijn voor te zorgen dat alle nationale regels en procedures betreffende de uitoefening van schadeclaims zodanig ontworpen en toegepast worden dat zij de uitoefening van het Europese recht op volledige vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade niet buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk maken. Indien toepassing van nationaal (procedureel) recht ertoe leidt dat het uiterst moeilijk of praktisch onmogelijk wordt gemaakt om schadevorderingen in te stellen, dan dient de nationale rechter dit nationaal recht buiten toepassing te laten (HvJ EU 28 januari 2025, ECLI:EU:C:2025:40, ASG 2, r.o. 82.) (akte na rolbeschikking van d Stichting , 156 e.v.). Gezien de gegronde angst voor represailles door Wulro c.s., is het praktisch onmogelijk voor de leghennenhouders om vergoeding van hun schade te vorderen indien de identiteit van de leghennenhouders bekend moet worden gemaakt. 4.42. Van de zijde van Wulro c.s. is als verweer aangevoerd dat de Stichting (thans) niet bevoegd is om op grond van de cessies de (gestelde) vorderingen op gedaagden te innen. Daartoe voeren zij het volgende aan. De cessies hebben plaatsgevonden door het opstellen van onderhandse akten en registratie van de aktes. De cessies zijn nog niet aan gedaagden medegedeeld, zodat er op dit moment sprake is van een stille cessie in de zin van artikel 3:94 lid 3 eerste volzin BW. In de brieven van 29 april 2024 is weliswaar aan Wulro c.s. medegedeeld dat 110 leghennenhouders hun vorderingen op gedaagden aan de Stichting hebben gecedeerd, maar daarbij is niet duidelijk gemaakt welke leghennenhouders dat zijn. Deze brieven vormen dan ook geen mededeling in de zin van artikel 3:94 lid 3 (tweede volzin) BW, zodat door die brieven de stille cessie niet is gewijzigd in een openbare cessie. Uit artikel 3:94 lid 3 (tweede volzin) BW volgt dat in geval van een stille cessie de cessionaris (in casu de Stichting ) pas bevoegd is om tot inning over te gaan nadat van de cessie mededeling is gedaan aan de debiteur. Nu die mededeling niet heeft plaatsgevonden, is de Stichting niet inningsbevoegd. Volgens Wulro c.s. zijn zij ook niet in staat om op een deugdelijke wijze verweer te voeren, zolang de identiteit van de leghennenhouders die hun vorderingen hebben overgedragen nog niet is medegedeeld. Zij hebben daarom een zwaarwegend belang dat de namen van de leghennenhouders bekend worden gemaakt. 4.43. Wel hebben Wulro c.s. erkend dat de Stichting inningsbevoegd is ten aanzien van de vorderingen waarvan zij de identiteit van de leghennenhouders inmiddels bekend hebben gemaakt. 4.44. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat er in ieder geval ten aanzien van twee gecedeerde vorderingen , te weten die van: (
  7. i)[V.O.F.] en [persoon 1] (eveneens een vennootschap onder firma), beiden gevestigd te [plaats 5] (Nederland), aan [adres 1] , en (
  8. ii)[persoon 2] en [persoon 3] , te [plaats 6] (België), aan [adres 2] , de identiteit door de Stichting bekend is gemaakt in haar antwoordakte naar aanleiding van de rolbeschikking van 8 januari 2025. Nu de identiteit van deze cedenten aan Wulro c.s. bekend is gemaakt, is ten aanzien van deze vorderingen voldaan aan de vereisten die artikel 3:94 lid 3 BW stelt om de vordering én de bevoegdheid om haar te innen op de in dit artikel bedoelde wijze over te dragen op de cessionaris. De rechtbank is dan ook met de Stichting van oordeel dat de Stichting in ieder geval inningsbevoegd is ten aanzien van de beweerde vorderingen van deze twee leghennenhouders. 4.45. Wulro c.s. hebben nog betoogd dat de Stichting ook aan die cessies geen procesbevoegdheid kan ontlenen, omdat niet blijkt dat deze cedenten overeenkomsten met gedaagde partijen hebben gesloten in de periodes waarop de boetes van de ACM betrekking hebben. Verder zouden volgens Wulro c.s. partijen bij de verkoop van eieren zijn uitgegaan van een kostprijsmodel, waarbij de prijs van de betreffende eieren wordt bepaald op basis van de voerprijs. Een dergelijke overeenkomst kan volgens Wulro c.s. dan ook niet zijn geraakt door welke beweerde gedraging van Wulro c.s. dan ook. Ten slotte zien de overeenkomsten volgens Wulro c.s. op andere soorten eieren dan waarop de procedure, aanhangig gemaakt door de ACM , en thans aanhangig bij het CBb, ziet. 4.46. De rechtbank gaat aan dat verweer voorbij. Of de Stichting inningsbevoegdheid kan ontlenen aan de omstreden cessies is niet afhankelijk van de vraag of de beweerde vorderingen die zijn gecedeerd daadwerkelijk bestaan. Dat is immers een vraag ten gronde, die moet worden beantwoord in het kader van de vraag of de cedenten schade hebben geleden als gevolg van het omstreden onrechtmatige handelen van Wulro c.s. en, zo ja, hoe groot die schade is. Ter bepaling van de inningsbevoegdheid is enkel van belang of de beweerde vorderingen correct zijn gecedeerd aan Wulro c.s. en of de identiteit van de cedenten aan Wulro c.s. dient te wordt medegedeeld voordat de Stichting bevoegd is de gecedeerde vorderingen in rechte te innen. 4.47. Hetgeen hierna wordt overwogen omtrent de inningsbevoegdheid van de Stichting geldt ten aanzien van de cessies waarvan de namen van de cedenten nog niet aan Wulro c.s. zijn medegedeeld. Hieromtrent geldt het volgende. 4.48. Op grond van artikel 3:94 lid 3 BW kan een vordering op naam worden geleverd door een geregistreerde onderhandse akte. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van geldige onderhandse cessieakten alsmede van een registratie van die akten bij de belastingdienst. Voor zover die cessies zijn verricht door een beschikkingsbevoegde ( Wulro c.s. hebben gesteld dat zij op dit punt geen verweer kunnen voeren, omdat zij niet weten door wie de vorderingen feitelijk zijn overgedragen en daarmee ook niet kunnen bepalen of die persoon daartoe ten aanzien van de betreffende vordering bevoegd was), zijn de vorderingen aan de Stichting overgedragen. Die levering, en daarmee de overdracht, van de vorderingen heeft telkens plaatsgevonden op het moment van het registreren van de akte (HR 23 maart 2018; ECLI:NL:HR:2018:428). De overdracht heeft als gevolg dat de vordering niet langer deel uitmaakt van het vermogen van de cedent (in casu de leghennenhouder), maar dat zij is gaan behoren tot het vermogen van de cessionaris (in casu de Stichting ). Die goederenrechtelijke werking heeft de cessie vanaf het moment van de overdracht ook ten aanzien van de debiteur (in casu Wulro c.s.), ook indien er nog geen geldige mededeling van de cessie heeft plaatsgevonden. 4.49. In de tweede volzin van artikel 3:94 lid 3 BW is bepaald dat de cessie pas aan de debiteur kan worden tegengeworpen vanaf het moment van de mededeling. De rechtbank is het met de Stichting eens dat deze volzin, die een lex specialis is van artikel 6:34 BW, als een zuivere beschermingsbepaling zou kunnen worden gelezen. Aldus gelezen is de strekking ervan slechts om bescherming te bieden aan de debiteur die, voordat de cessie hem is medegedeeld, in de verhouding tot de cedent bepaalde handelingen heeft verricht of nagelaten en waardoor hij zou kunnen worden benadeeld indien de cessie hem achteraf door de cessionaris kan worden tegengeworpen. Indien de tweede volzin van artikel 3:94 lid 3 BW aldus wordt gelezen, brengt zij niet zonder meer mee dat de debiteur voorafgaand aan de mededeling niet rechtsgeldig zou kunnen betalen aan de cessionaris en dat deze die vordering niet rechtsgeldig zou kunnen innen. Daar staat echter tegenover dat uit de Parlementaire Geschiedenis (Kamerstukken II, 2003/04, 28878, nr. 5, pag. 11) volgt dat volgens de wetgever de tweede volzin van artikel 3:94 lid 3 BW niet in de hiervoor bedoelde zin moet worden uitgelegd, maar dat de bepaling meebrengt dat de cedent, zolang de mededeling niet is gedaan, exclusief bevoegd is om de vordering te innen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de zienswijze van de wetgever worden beschouwd als het geldende recht op dit punt (zie onder meer Asser-Bartels & Van Mierlo, 3-IV, 2021/342; Rongen, Cessie (O&R nr. 70) 2012, 6.2.2.1 e.v.). De rechtbank volgt die opvatting. Dat betekent dat de cederende leghennenhouders, zolang geen geldige mededeling van de cessies aan Wulro c.s. is gedaan, exclusief inningsbevoegd zijn en dat voorafgaand aan de mededeling aan de Stichting geen inningsbevoegdheid toekomt. Dat die mededeling ook in een later stadium van de procedure, of zelfs in hoger beroep kan worden gedaan, zoals de Stichting terecht heeft betoogd, doet hier niet aan af en maakt haar vooruitlopend op die mededeling nog niet inningsbevoegd. Pas vanaf de mededeling is daarvan sprake. 4.50. Ter beoordeling ligt dan ook vervolgens de vraag voor of de cessies aan Wulro c.s. zijn medegedeeld in de brieven van 29 april 2024, dan wel op een andere wijze. 4.51. In de brieven van 29 april 2024 noch bij het overleggen van de cessie-aktes in deze procedure, zijn de namen van de cederende leghennenhouders bekend gemaakt. Tussen partijen is verder niet in geschil dat die identiteit ook niet op andere wijze bekend is gemaakt, zodat daarmee tussen partijen vaststaat dat Wulro c.s. niet bekend zijn met de identiteit van de cedenten. 4.52. Naar het oordeel van de rechtbank dient voor een geldige mededeling van de cessie in de zin van artikel 3:94 lid 3 (tweede volzin) BW aan de debiteur duidelijk te worden gemaakt welke vordering op hem is gecedeerd, hetgeen impliceert dat tevens duidelijk moet zijn wiens vordering wordt gecedeerd. Dat deze eis aan de mededeling kan worden gesteld, volgt onder meer uit HR 27 november 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2162; World Online/VEB). 4.53. Anders dan door de Stichting is gesteld, brengt de omstandigheid dat deze uitspraak van de Hoge Raad betrekking had op de mededeling bij een openbare cessie in de zin van artikel 3:94 lid 1 BW, niet mee dat de in die uitspraak aan de mededeling gestelde eisen niet zouden gelden voor een mededeling die in geval van een stille cessie op grond van artikel 3:94 lid 3 (tweede volzin) BW wordt gedaan. De Stichting heeft daartoe gesteld dat de mededeling in geval van een openbare cessie, zoals aan de orde was in het World Online-arrest, een ander doel heeft dan de mededeling in geval van een stille cessie (antwoordakte Stichting , 87). De mededeling op grond van artikel 3:94 lid 1 BW heeft, aldus de Stichting , goederenrechtelijke werking omdat die mededeling onderdeel is van de leveringshandeling waardoor uiteindelijk de overdracht van de vordering tot stand komt. In geval van een stille cessie komt de overdracht van de vordering tot stand voorafgaand aan de mededeling en heeft de mededeling geen goederenrechtelijke werking maar slechts de functie dat de cessie aan de debiteur kan worden tegengeworpen. Vandaar dat aan de mededeling in de zin van artikel 3:94 lid 1 BW volgens de Stichting andere (en lichtere) eisen kunnen worden gesteld dan aan de mededeling in geval van een stille cessie. 4.54. De rechtbank volgt de Stichting niet in dit betoog. In het World Online-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat vermelding van de naam van de cedent bij de mededeling nodig is met het oog op de in het rechtsverkeer vereiste duidelijkheid omtrent de vraag wiens vordering is overgedragen, alsmede ter bescherming van de belangen van de debiteur die onder meer tegen de cessionaris de verweermiddelen moet kunnen aanvoeren die hij ook tegen de cedent had kunnen aanvoeren (ECLI:NL:HR:2009:BH2162, rov. 4.4.1.). In geval van een stille cessie heeft de mededeling in dit opzicht dezelfde functie als de mededeling in geval van een openbare cessie. Dat zij niet tevens een goederenrechtelijke werking heeft, doet hieraan niet af. Om die reden geldt ook in geval van een stille cessie het criterium dat pas sprake is van een geldige mededeling indien aan de debiteur de identiteit van de cedent duidelijk is gemaakt, zodat de debiteur weet wiens (en dus welke) vordering is overgedragen. 4.55. Nu de Stichting de identiteit van de cederende leghennenhouders niet bekend heeft gemaakt en op grond van de overige verstrekte gegevens evenmin objectief bepaalbaar is wiens vorderingen zijn overgedragen, heeft tot op dit moment geen geldige mededeling plaatsgevonden. In dit verband overweegt de rechtbank nog dat, anders dan de Stichting betoogt, de omstandigheid dat voor Wulro c.s. duidelijk is dat vorderingen worden ingesteld door Nederlandse en Belgische leghennenhouders wegens schending van het mededingingsrecht zoals vastgesteld in de boetebesluiten, de gecedeerde vorderingen voor Wulro c.s. nog niet voldoende bepaalbaar maken. Tussen partijen staat immers vast dat niet alle leghennenhouders waarmee in de betreffende periode werd gehandeld, vorderingen tot schadevergoeding hebben overgedragen. Voor Wulro c.s. is dan ook niet duidelijk welke individuele leghennenhouders hun vorderingen aan de Stichting hebben overgedragen. 4.56. De slotsom van het voorgaande is dat de Stichting op dit moment op grond van de stille cessie niet bevoegd is om in deze procedure tot inning van de vorderingen over te gaan. 4.57. Anders dan door de Stichting is betoogd, kan het doeltreffendheidsbeginsel niet tot een ander oordeel leiden. Op grond van overweging 4 uit de preambule, alsmede artikel 4 van de Kartelschaderichtlijn dient een lidstaat, in verband met de vergoeding van schade die voortvloeit uit inbreuken op het Europees dan wel nationaal mededingingsrecht, over procedurele regels te beschikken die een effectieve uitoefening van dat recht garanderen. In artikel 4 van de Kartelschaderichtlijn is bepaald dat de nationale regels en procedures betreffende de uitoefening van schadeclaims zodanig moeten zijn ontworpen en worden toegepast dat zij de uitoefening van het recht tot verkrijging van volledige schadevergoeding in verband met een inbreuk op het mededingingsrecht, niet buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk maken. Op grond hiervan is het ook vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat voor de toetsing van het doeltreffendheidsbeginsel doorslaggevend is of nationale regelingen het uiterst moeilijk of praktisch onmogelijk maken om een recht op schadevergoeding uit te oefenen (zie onder meer HvJ EU 18 april 2024, ECLI:EU:C:2024:324, nummer 51; Heureka/Google). 4.58. In dit geval hebben de leghennenhouders voldoende procedurele mogelijkheden om individueel dan wel collectief hun recht op schadevergoeding wegens schending van het mededingingsrecht jegens Wulro c.s. te effectueren (zie ook Hof van Justitie van 28 januari 2025; ECLI:EU:C:2025:40). Het doeltreffendheidsbeginsel zoals dat is vorm gegeven in de hiervoor genoemde bepalingen, gaat niet zover dat bepalingen van materieel recht, zoals in casu die betreffende de overdracht van vorderingen , door de nationale rechter buiten toepassing moeten worden gelaten om het instellen van een vordering tot vergoeding van schade te vergemakkelijken. 4.59. Daar komt bij dat de omstandigheid dat het bekend maken van de identiteit van de leghennenhouders die hun vordering hebben gecedeerd mogelijk negatieve consequenties heeft voor de zakelijke relaties die ieder van die leghennenhouders onderhoudt met één of meerdere gedaagden ( Wulro c.s. hebben ontkend dat dit het geval zou zijn), niet het oordeel rechtvaardigt dat daarmee het vorderen van schadevergoeding buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk is. 4.60. Bovendien wegen de belangen die Wulro c.s. hebben bij het bekend maken van de namen van de cederende leghennenhouders zwaarder dan het belang dat die leghennenhouders hebben bij geheimhouding van hun identiteit. Wulro c.s. hebben tijdens de mondelinge behandeling aan de hand van de twee gecedeerde vorderingen van wie de namen van de cedenten wel zijn medegedeeld, gemotiveerd onderbouwd dat het voor het voeren van concreet verweer ten aanzien van iedere individueel ingestelde vordering – zowel waar het de aansprakelijkheid als de hoogte van de gestelde schade betreft – noodzakelijk is dat zij weten welke vordering het betreft, hetgeen impliceert dat zij weten wie de schuldeiser is. Het niet meedelen van de namen van de cedenten zal naar het oordeel van de rechtbank dan ook meebrengen dat Wulro c.s. niet afdoende in staat zijn om een adequaat verweer te voeren. Dit is in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens neergelegde beginsel dat een ieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak. 4.61. Het voorstel van de Stichting om de namen van de cederende leghennenhouders slechts in beperkte kring bekend te maken en om de vertrouwelijkheid te waarborgen door het instellen van een confidentiality ring, waarbij uitsluitend de advocaten en ingeschakelde experts van Wulro c.s. toegang verkrijgen tot de vertrouwelijke informatie van de Stichting , waaronder informatie in de cessie-documentatie waaruit de identiteit van de deelnemende leghennenhouders afgeleid kan worden (akte naar aanleiding van de rolbeschikking van 8 januari 2025 van de Stichting , randnummer167), wordt door de rechtbank verworpen. Van de zijde van Wulro c.s. is gemotiveerd gesteld dat de advocaten dan wel experts van Wulro c.s. niet noodzakelijkerwijs voldoende feitelijke kennis hebben omtrent de litigieuze transacties met de leghennenhouders om aldus de juistheid van de daarop gebaseerde vorderingen te beoordelen. Voor het deugdelijk kunnen voeren van verweer moeten de individuele vorderingen met de bestuurders dan wel betrokken medewerkers van de betreffende vennootschappen kunnen worden besproken. Daar komt bij, zo overweegt de rechtbank, dat met een bekendmaking van de identiteit van de betrokken leghennenhouders binnen een beperkte kring – niet zijnde de (bestuurders van) gedaagden – niet voldaan wordt aan het vereiste van artikel 3:94 lid 3 (tweede volzin) BW dat mededeling van de cessie dient te geschieden aan de debiteur (in casu Wulro c.s.) bij de vordering. 4.62. De conclusie van het voorgaande is dan ook dat de Stichting niet bevoegd is om de aan haar gecedeerde vorderingen te innen, zolang de identiteit van de cedenten niet aan Wulro c.s. is medegedeeld. De rechtbank zal om die reden bij eindvonnis de vorderingen afwijzen voor zover het gaat om de vorderingen waarvan de cessie op dat moment nog niet rechtsgeldig is medegedeeld. De rechtbank is om redenen van proces-economie van oordeel dat de Stichting eerst in de gelegenheid moet worden gesteld om hangende deze procedure tot mededeling over te gaan. De rechtbank zal daartoe thans de zaak verwijzen naar de rolzitting van 29 april 2026 voor het nemen van een akte aan de zijde van de Stichting om zich uit te laten over de vraag of zij alsnog een rechtsgeldige mededeling van de cessies aan Wulro c.s. heeft gedaan. Zij kan desgewenst de akte benutten om die mededeling aan Wulro c.s. te doen. De rechtbank kiest voor deze ruime termijn, zodat de Stichting voldoende tijd heeft om met alle cedenten te overleggen of zij tot het doen van de mededeling willen overgaan of dat zij - nu de rechtbank het instellen van tussentijds hoger beroep tegen dit vonnis zal openstellen - er eventueel voor willen kiezen om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen dit vonnis. Aangezien de mededeling een eenzijdige rechtshandeling is die slechts nodig is om de Stichting inningsbevoegd te maken, bestaat naar het oordeel van de rechtbank in dit verband geen grond voor een antwoordakte zijdens Wulro c.s. In hun conclusie van antwoord zullen Wulro c.s. inhoudelijk kunnen reageren op de vorderingen die aldus door de Stichting jegens Wulro c.s. geldend worden gemaakt. - de inningsbevoegdheid op basis van lastgeving 4.63. De Stichting heeft subsidiair, voor het geval de rechtbank zou oordelen dat voor de procesbevoegdheid van de Stichting noodzakelijk is dat de cessie ook moet zijn medegedeeld aan de schuldenaren (lees: Wulro c.s.), gesteld dat sprake is van lastgeving aan haar door de cedenten, zodat zij op die grond procesbevoegd is. 4.64. Dit standpunt moet worden verworpen. Volgens de tekst van de cessieovereenkomsten is immers sprake van lastgeving, indien niet sprake zou zijn van een geldige cessie. Zoals hiervoor al is vastgesteld, is tussen partijen niet in geschil dat, waar het de beboete vennootschappen betreft, tussen de cedenten (de leghennenhouders die hun beweerde vorderingen op Wulro c.s. hebben overgedragen) en de Stichting als cessionaris rechtsgeldige cessies hebben plaatsgevonden, zodat de beweerde vorderingen rechtsgeldig zijn overgedragen aan de Stichting . In geschil is enkel of de mededeling van de identiteit van de overdragende leghennenhouders aan Wulro c.s. nodig is voor de Stichting om daaraan de bevoegdheid te kunnen ontlenen om de vorderingen te innen. Derhalve kan de Stichting haar inningsbevoegdheid ten aanzien van de beboete vennootschappen (subsidiair) niet ontlenen aan een lastgevingsovereenkomst, omdat aan de daarvoor gestelde voorwaarde in de cessieovereenkomsten niet is voldaan. 4.65. Ten aanzien van de niet beboete vennootschappen dan wel natuurlijke personen, waartegen de Stichting wel op grond van lastgeving kan procederen (zie hiervoor nummer 4.36) geldt het volgende. 4.66. Het is vaste rechtspraak dat een lasthebber die in eigen naam in rechte optreedt ten behoeve van een ander (de lastgever), op zichzelf niet is gehouden om in de dagvaarding of anderszins te vermelden dat hij ter behartiging van de belangen van een ander optreedt, zodat hij ook de naam van die ander niet behoeft te vermelden. Eerst indien het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is in eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden (vgl. onder meer HR 16 nov 2018; ECLI:NL:HR:20182112 en voor eerdere uitspraken HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP9665, rov. 3.3; HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK0874, rov. 3.5.1; en HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4995, rov. 4.4.2). Wulro c.s. hebben betwist (akte na rolbeschikking, nummer 60) dat de Stichting bevoegd is om in deze procedure ten aanzien van de ingestelde vorderingen als lasthebber op te treden. Gezien die betwisting zal de Stichting moeten stellen en zo nodig bewijzen dat zij bevoegd is om uit hoofde van lastgeving in eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden. Dit impliceert dat zij zal moeten stellen namens wie zij de vorderingen instelt. In dat verband zal zij dus moeten stellen wie de schuldeisers zijn die aan haar een last tot inning van de vorderingen hebben verstrekt. Ook op grond van lastgeving kan de Stichting thans de vordering niet incasseren. De incidentele vordering tot inzage 4.67. De Stichting vordert in het incident, na vermeerdering van eis, dat rechtbank bij vonnis, voor zover wettelijk mogelijk hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad: - Wulro c.s. veroordeelt tot afgifte van de volgende bescheiden, binnen één maand na betekening van het in dezen te wijzen (incidentele) vonnis, met daarbij de verdere bepaling en veroordeling dat Wulro c.s. de inzage en afschriften dienen te verschaffen in leesbare en doorzoekbare digitale vorm, op een geordende wijze op USB-sticks, op straffe van een hoofdelijke dwangsom van € 500.000,-- voor iedere overtreding, te vermeerderen met een dwangsom van € 50.000,-- voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat een overtreding voortduurt, waarbij de veroordeling om de stukken op geordende wijze te leveren mede omvat de plicht ervoor te zorgen dat een inhoudsopgave wordt verschaft van wat op de USB-stick staat: Correspondentie tussen Wulro c.s. (
  9. i)alle correspondentie in de periode 2013 tot en met 2022, waaronder maar niet beperkt tot Whatsapp-correspondentie, tussen Wulro c.s., waaronder in ieder geval correspondentie waarbij een of meer van de volgende personen betrokken waren:
  10. a)[gedaagde 10] en [gedaagde 11] , Wulro -bestuurders;
  11. b)[persoon 4] , [gedaagde 24] en [gedaagde 25] , Interovo -bestuurders; en (
  12. c)[gedaagde 31] en [persoon 5] , Global-bestuurders; waaronder communicatie over leveranciers van eieren, inkoopprijzen van eieren en overige commerciële voorwaarden van eieren; waarbij de Stichting van de ondernemingen van Wulro c.s. steeds de correspondentie vordert waarbij zij zelf betrokken was, dus zij vordert van de Wulro -gedaagden de correspondentie tussen de Wulro -bestuurders enerzijds en de Interovo - en Global-bestuurders anderzijds, van de Interovo -gedaagden de correspondentie tussen de Interovo -bestuurders enerzijds en de Wulro - en Global-bestuurders anderzijds, en van de Global-gedaagden de correspondentie tussen de Global-bestuurders enerzijds en de Wulro - en Interovo -bestuurders anderzijds. Bescheiden met betrekking tot de prijzen van ingekochte eieren (
  13. ii)alle informatie over de door Wulro c.s. in de periode 2010 tot en met de datum van vonnis ingekochte eieren (waaronder maar niet beperkt tot scharrel- en kooieieren), waaronder alle: (
  14. a)contracten met leveranciers van eieren; (
  15. b)facturen met betrekking tot de inkoop van eieren; (
  16. c)transactie-informatie van alle bij leghenhouders ingekochte eieren, met een specificatie van: 1) de datum van inkoop; 2) het type ingekochte eieren (kooi, scharrel, vrije-uitloop en bio); 3) de kwaliteitskenmerken van het ingekochte ei, waaronder in ieder geval de kleur en de grootte van de ingekochte eieren; 4) de hoeveelheid ingekochte eieren in kg; 5) de prijs per kg; 6) de vestigingsplaats van de leverancier; 7) een specificatie van eventuele gekoppelde diensten of producten, waaronder de levering van voer of het ter beschikking stellen van kippen; en 8) het contract en de factuur waaronder de betreffende transactie heeft plaatsgevonden; welke informatie in spreadsheetformat wordt geleverd, (
  17. d)correspondentie en/of andere bescheiden tussen Wulro c.s. en leghenhouders aangaande de prijs van ingekochte eieren, waaronder begrepen de onderhandeling daarover, zoals over de totstandkoming van de prijs; waarbij de Stichting van de ondernemingen van Wulro c.s. steeds de correspondentie vordert waarbij zij zelf betrokken was, dus van de Wulro -gedaagden de informatie over de door de Wulro -onderneming ingekochte eieren, van de Interovo -gedaagden over de door Interovo -onderneming ingekochte eieren en van de Global-gedaagden de door de Global- onderneming ingekochte eieren; en (iii) het door Interovo , Wulro en Global bij bezwaar tegen het Boetebesluit ingebrachte Oxera-rapport; (
  18. iv)het Centerdata-rapport waarnaar de ACM verwijst in de randnummers 24 (voetnoot 15), 277 en 282 van het Besluit op bezwaar; waarbij de informatie (
  19. i)tot en met (
  20. iv)digitaal, gestructureerd in mappen per categorie en subcategorie, en op USB of harde schijf worden aangeleverd, en waarbij ten aanzien van afkortingen, gebruikte labels en intern gebruikte benamingen een duidelijke toelichting wordt verstrekt wat deze termen betekenen. 4.68. Aan de vordering tot inzage legt de Stichting , zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. 4.68.1. Vanwege de geheime aard van kartels is het zeer waarschijnlijk dat het kartel ook al eerder actief was, maar niet aan het licht is gebracht door de ACM . Er zijn aanwijzingen dat de inbreuk al was gestart vóór 2015 en doorliep na 1 augustus 2019. De Stichting heeft de inzage dus allereerst nodig om vast te stellen over welke periode de oneerlijke mededinging heeft plaatsgevonden. De kunstmatig lage prijzen vóór het einde van de kartelperiode , in augustus 2019, zullen ook in de rest van 2019 en in 2020 nog effect hebben gehad op de prijzen van eieren. De kartelperiode en de na-ijlperiode vormen samen de "relevante periode". 4.68.2. Daarnaast heeft de Stichting de verzochte informatie nodig voor de begroting en onderbouwing van de schade, mede met het oog op de schadestaatprocedure. In het bijzonder is inzage in de prijsbescheiden nodig voor de vaststelling van de aard en omvang van de schade en de causaliteit met de onrechtmatige gedragingen van Wulro c.s. Maar ook de inzage in de correspondentie is nodig voor een nadere duiding van de plausibiliteit van de schade (de zogenoemde "theory of harm"). 4.68.3. Ter opheffing van de informatie-assymetrie heeft de Stichting , zo stelt zij voorts, op grond van artikel 5 lid 3 van de Kartelschaderichtlijn, zoals die mede in het licht van de overwegingen in de considerans van die Richtlijn moeten worden uitgelegd, recht op de door haar verzochte inzage. De Nederlandse regeling betreffende de inzage, zoals neergelegd in het (in deze toepasselijke) 843a Rv (oud), biedt voldoende ruimte om richtlijnconform te worden uitgelegd. 4.69. Gezien het voorgaande heeft de Stichting , zo stelt zij, al met al belang bij en recht verstrekking van de door haar verzochte bescheiden over de periode vanaf 2013 tot en met 2022 (de vordering onder
  21. i)respectievelijk de periode vanaf 2010 tot en met de datum van het vonnis (de vordering onder ii). 4.70. Wulro c.s. voeren het volgende verweer. 4.70.1. De Stichting heeft allereerst geen rechtmatig belang bij de gevorderde bescheiden (akte procedurele aspecten, IV.2.3). Daartoe voeren Wulro c.s. aan dat: niet duidelijk is tegen welke cedenten Wulro c.s. onrechtmatig hebben gehandeld als gevolg van het gestelde kartel; de Stichting onvoldoende heeft gesteld met betrekking tot welke transacties schadevergoeding wordt gevorderd, hetgeen noodzakelijk is om aan de stelplicht te voldoen; de Stichting niet onderbouwt wat de relevantie is van elk van de door haar gevorderde bescheiden en ook niet onderbouwt op welke wijze de gevorderde stukken kunnen bijdragen aan de vaststelling van de gestelde inbreuken alsmede van de schade en de causaliteit; de verzochte transactie-informatie over de bij de leghennenhouders ingekochte eieren gegevens betreft die bij de leghennenhouders zelf beschikbaar zijn, zodat de Stichting onderzoekswerk dat zij zelf moet verrichten, neerlegt bij Wulro c.s.; de Stichting ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de twee afzonderlijke gedragingen van enerzijds Wulro en Interovo en anderzijds Wulro en Global, die zich gedurende verschillende periodes hebben voorgedaan; de Stichting niet voldoende stelt waarom zij zonder het Oxera-rapport haar schade niet kan onderbouwen en waarom inzicht in de marktaandelen relevant zou zijn; de Stichting slechts belang heeft bij de inzage in prijsbescheiden voor zover die betrekking hebben op kooi- en scharreleieren en niet op alle type eieren; op dit moment de Stichting geen belang heeft bij bescheiden om de omvang van de schade vast te stellen, omdat in deze procedure slechts een verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd en een begroting van de schade thans nog niet aan de orde is; toewijzing van de vordering voor Wulro c.s. zou betekenen dat zij aanzienlijke tijd en middelen moet besteden aan het verzamelen van de documenten, hetgeen hoge kosten met zich brengt. 4.70.2. Ten tweede voeren Wulro c.s. aan dat de verzochte bescheiden onvoldoende bepaald zijn (akte procedurele aspecten, IV.2.4). Het inzagerecht kan slechts worden uitgeoefend, aldus Wulro c.s., met betrekking tot bepaalde bescheiden. Uit de vordering moet dus blijken om welke stukken het gaat en om welke reden zij van belang zijn. De vordering tot inzage in alle correspondentie en alle informatie omtrent de ingekochte eieren voldoet daar niet aan. 4.70.3. Als derde grond voor het afwijzen van de vordering tot inzage, stellen Wulro c.s. dat er geen rechtsbetrekking is in de zin van artikel 843a Rv (akte procedurele aspecten, IV.2.5.). Daartoe voeren Wulro c.s. aan dat nog niet onherroepelijk is vastgesteld dat Wulro , Interovo en Global zich schuldig hebben gemaakt aan kartelvorming. Bovendien is de Stichting niet inningsbevoegd. 4.70.4. Tot slot, zo stellen Wulro c.s., zijn er gewichtige redenen die zich verzetten tegen inzage (akte procedurele aspecten, IV.2.6). Op dit punt voeren Wulro c.s. aan dat de inzage vertrouwelijke bescheiden betreft (waaronder gegevens jonger dan vijf jaar), dat een deel van de bescheiden onder het afgeleide verschoningsrecht vallen (waaronder in ieder geval het rapport van en alle correspondentie met Oxera) en dat een deel van de bescheiden niet meer beschikbaar is aangezien de administratie slechts zeven jaar wordt bewaard. 4.71. Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot inzage stelt de rechtbank het volgende voorop. 4.72. Omdat in deze procedure de vordering tot inzage is ingesteld voor 1 januari 2025, is in deze zaak het recht van toepassing dat gold voor de inwerkingtreding op 1 januari 2025 van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (Stb. 2024, 62, en Stb. 2024, 72). 4.73. Op grond van artikel 843a Rv (oud) kan een partij bij een juridische procedure inzage, afgifte of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden wanneer hij daarbij een rechtmatig belang heeft en de bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij hij partij is. Artikel 843a lid 4 Rv (oud) bepaalt dat er geen gehoudenheid bestaat om aan de vordering te voldoen als dat niet nodig is voor een behoorlijke rechtsbedeling. Aldus kunnen de belangen van partijen worden afgewogen. De belangenafweging bij een schadevergoedingsvordering zoals de onderhavige, is nader uitgewerkt door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) in de zaak Bundeswettbewerbsbehörde/Donau Chemie AG (HvJ 6 juni 2013/C-536/11): enerzijds het belang van verzoeker bij inzage in de gevraagde stukken met het oog op de voorbereiding van zijn beroep tot schadevergoeding en anderzijds met de concrete nadelige gevolgen voor openbare belangen of gerechtvaardigde belangen van anderen waartoe inzage kan leiden. Verder is in geval van kartelschade de Kartelschaderichtlijn relevant, en met name artikel 5 lid 3 dat over de toegang tot bewijsmateriaal gaat. De Richtlijn is, behoudens de invoering van de bepalingen 844 Rv tot en met 850 Rv niet geïmplementeerd, omdat volgens de wetgever het bepaalde in artikel 843a Rv (oud), voldoet aan de voorwaarden van artikel 5 van de Richtlijn. Met inachtneming hiervan oordeelt de rechtbank als volgt omtrent de incidentele vordering en het daartegen gevoerde verweer. Het bestaan van een rechtsbetrekking - de rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad 4.74. Aan de vorderingen tot schadevergoeding jegens Wulro c.s. legt de Stichting ten grondslag dat Wulro c.s. jegens de individuele cedenten onrechtmatig heeft gehandeld door onderlinge afspraken te maken die de mededinging hebben beperkt. De rechtsbetrekking die uit de onrechtmatige daad ontstaat tussen de dader(
  22. s)en de benadeelde(n), valt – zo oordeelt de rechtbank – ook onder de werking van artikel 843a Rv (oud). Anders dan Wulro c.s. lijkt te betogen, is het voor een toewijzing van een vordering tot inzage niet noodzakelijk dat onherroepelijk in rechte is komen vast te staan dat er een onrechtmatige daad is gepleegd. Het volstaat dat het bestaan van de rechtsbetrekking voldoende aannemelijk is (HR 10 juli 2020, ECI:NL:HR:2020:1251). Gezien de boetebesluiten van de ACM is volgens de rechtbank voldoende aannemelijk dat Wulro c.s. afspraken hebben gemaakt die de mededinging hebben beperkt en dat zij daarmee onrechtmatig hebben gehandeld jegens de leghennenhouders met wie zij hebben gecontracteerd in de periode dat die mededingsbeperkende afspraken door Wulro c.s. werden gehanteerd. Het verweer dat thans nog niet onherroepelijk (door het CBb) is vastgesteld dat Wulro , Interovo en Global zich schuldig hebben gemaakt aan kartelvorming en dat om die reden de vordering tot inzage volledig moet worden afgewezen, wordt om die reden verworpen. - de rechtsbetrekking uit hoofde van de gecedeerde vorderingen 4.75. Hiervoor (in r.o. 4.38 e.v.) is overwogen dat de Stichting niet bevoegd is om die gecedeerde vorderingen te innen waarvan nog geen mededeling is gedaan aan Wulro c.s. Volgens Wulro c.s. heeft de Stichting om die reden wegens het ontbreken van een rechtsbetrekking geen belang bij haar inzagevordering. Hieromtrent geldt het volgende. 4.76. Voor zover cederende leghennenhouders door onrechtmatige gedragingen van Wulro c.s. schade hebben geleden, zijn de daarop gebaseerde vorderingen tot schadevergoeding door de stille cessies rechtsgeldig door de betreffende leghennenhouders aan de Stichting overgedragen. Het ontbreken van de mededelingen aan Wulro c.s. staat daaraan niet in de weg. De Stichting is daarmee, anders dan door Wulro c.s. is betoogd, ten aanzien van de gecedeerde vorderingen als rechtsopvolger van de leghennenhouders in een rechtsbetrekking tot Wulro c.s. komen te staan. Zij is thans slechts onbevoegd om tot inning van de vorderingen over te gaan. 4.77. Het voorgaande neemt niet weg dat alleen ten aanzien van die gecedeerde vorderingen voldoende aannemelijk is geworden dat een rechtsbetrekking is ontstaan tussen enerzijds de Stichting en anderzijds Wulro c.s., waarvoor voldoende concreet is onderbouwd dat de cederende leghennenhouder daadwerkelijk schade heeft geleden door de gestelde kartelvorming. Daarvoor dient in ieder geval ten aanzien van iedere cederende leghennenhouder te zijn gesteld dat hij gedurende de periode van kartelvorming met Wulro c.s. heeft gecontracteerd (zie ook HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761). Ten aanzien van de cederende leghennenhouders van wie de namen niet zijn medegedeeld aan Wulro c.s. (dan wel anderszins in deze procedure bekend zijn gemaakt) en van wie evenmin is gesteld over welke periode zij eieren hebben geleverd aan Wulro c.s., is thans onvoldoende aannemelijk geworden dat zij daadwerkelijk een vordering tot schadevergoeding op Wulro c.s. hebben uit hoofde van kartelvorming en dat de Stichting door een cessie van die gestelde vorderingen in een rechtsbetrekking tot Wulro c.s. is komen te staan. Voor zover de vorderingen van de Stichting zijn gebaseerd op de cessies waarvan de namen van de cedenten niet bekend zijn gemaakt, dient de vordering tot inzage te worden afgewezen. 4.78. Hiervoor heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen vaststaat dat er in ieder geval ten aanzien van twee gecedeerde vorderingen , te weten die van: (
  23. i)[V.O.F.] en [persoon 1] (eveneens een vennootschap onder firma), beiden gevestigd te [plaats 5] (Nederland), aan [adres 1] , en (
  24. ii)[persoon 2] en [persoon 3] , te [plaats 6] (België), aan [adres 2] , de identiteit door de Stichting bekend is gemaakt. Deze namen zijn bekend gemaakt in de antwoordakte van de Stichting d.d. 30 april 2025. Ter onderbouwing van de vorderingen die deze leghennenhouders uit hoofde van onrechtmatige daad op Wulro c.s. hebben, heeft de Stichting verwezen naar de als producties STEI-27 en STEI-28 overgelegde overeenkomsten. 4.79. Wulro c.s. heeft hierop kunnen reageren op de mondelinge behandeling. Volgens Wulro c.s. blijkt uit de stelling van de Stichting niet dat deze cedenten overeenkomsten met gedaagde partijen hebben gesloten in de periodes waarop de boetes van de ACM betrekking hebben. Om die reden geldt volgens Wulro c.s. ook ten aanzien van deze leghennenhouders dat onvoldoende aannemelijk is dat zij een vordering tot schadevergoeding op Wulro c.s. hebben en dat de Stichting door de cessie van die vordering in een rechtsbetrekking tot Wulro c.s. is komen te staan. 4.80. Op grond van het partijdebat staat vast, zo oordeelt de rechtbank, dat zowel ten aanzien van [persoon 1] als [persoon 3] door de Stichting slechts een overeenkomst tot levering van eieren is overgelegd met Weko Egg Trading B.V., welke onderneming onderdeel is van Interovo . Zoals door Wulro c.s. terecht als verweer is gevoerd, is de overeenkomst met [persoon 1] gesloten op 29 december 2014 (ten behoeve van de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015) en is de overeenkomst met [persoon 3] gesloten op 1 november 2014. In die overeenkomsten worden de prijzen vastgesteld voor de eieren die Weko gedurende de looptijd van de overeenkomsten zal betalen. Zoals hierna (in nummer 4.90) zal worden geoordeeld, is ten aanzien van Interovo niet komen vast te staan dat zij vóór februari 2015 mededingingsbeperkende afspraken met Wulro heeft gemaakt. Met de overlegging van deze overeenkomsten is door de Stichting dan ook onvoldoende onderbouwd dat door Interovo en Wulro jegens [persoon 1] dan wel [persoon 3] onrechtmatig is gehandeld en dat zij uit dien hoofde een vordering tot schadevergoeding op Interovo en Wulro hebben. Ook ten aanzien van deze gecedeerde vorderingen geldt derhalve dat thans onvoldoende aannemelijk is geworden dat de Stichting in een rechtsbetrekking op grond van onrechtmatige daad tot Wulro c.s. is komen te staan. 4.81. Het ontbreken van een rechtsbetrekking staat er aan in de weg dat de vordering tot inzage kan worden toegewezen. Dat het bestaan van een rechtsbetrekking thans niet voldoende aannemelijk is, neemt echter niet weg dat het op grond van (
  25. i)de door de Stichting gestelde feiten omtrent onder meer de cessies en (
  26. ii)hetgeen thans voldoende aannemelijk is omtrent de kartelvorming door Wulro c.s., niet is uitgesloten dat aan de Stichting door gedupeerde leghennenhouders gegronde vorderingen tot schadevergoeding zijn gecedeerd en dat de Stichting aldus in een rechtsbetrekking tot Wulro c.s. is komen te staan. Dit is onvoldoende om de vordering tot inzage thans toe te wijzen, maar mede gezien het doeltreffendheidsbeginsel (zie art. 4 Kartelschaderichtlijn en art 850 Rv) ziet de rechtbank aanleiding om, indien de Stichting van de mogelijkheid gebruik maakt om mededeling te doen van de cessies aan Wulro c.s., de Stichting eveneens in de gelegenheid te stellen om bij akte, met betrekking tot de gecedeerde vorderingen waarvan mededeling wordt gedaan, nadere feiten te stellen die voldoende aannemelijk maken dat de betreffende cederende leghennenhouders schade hebben geleden door de levering van eieren aan Wulro c.s. in de periode dat inbreuk is gemaakt op het mededingingsrecht. Wulro c.s. zullen hierop bij antwoordakte kunnen reageren. 4.82. Voor het geval de Stichting van die mogelijkheid gebruikt maakt, zal de rechtbank uit oogpunt van proceseconomie reeds thans hierna de overige verweren van Wulro c.s. ten aanzien van de vordering tot inzage bespreken. - inzage in bescheiden aangaande niet deelnemende leghennenhouders 4.83. De Stichting vordert, waar het de vordering tot inzage in de prijsbescheiden betreft, inzage in alle contracten met leveranciers van eieren en in alle facturen met betrekking tot de inkoop van eieren. Voor zover zij hiermee inzage beoogt te vorderen in contracten en facturen aangaande leghennenhouders die geen vordering tot schadevergoeding aan de Stichting hebben overgedragen, dient de vordering in zoverre te worden afgewezen. Zonder nadere toelichting (die niet is gegeven) is niet duidelijk dat dit bescheiden zijn die de rechtsbetrekking betreffen waarbij de Stichting partij is. - de periode waarin de onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan 4.84. Voorts brengt het vereiste dat het bestaan van een rechtsbetrekking voldoende aannemelijk moet zijn, naar het oordeel van de rechtbank mee dat de vordering tot inzage niet voor de gehele gevorderde periode kan worden toegewezen, omdat het gestelde onrechtmatig handelen door Wulro c.s. niet voor de gehele periode voldoende aannemelijk is geworden. Daartoe geldt het volgende. 4.85. In de boetebesluiten heeft de ACM schending van het mededingingsrecht vastgesteld door Wulro en Interovo over de periode 13 april 2015 tot en met 22 augustus 2016. Daarnaast heeft de ACM een schending van het mededingingsrecht vastgesteld door Wulro en Global over de periode 1 maart 2016 tot en met 1 augustus 2019. Dat brengt mee dat door de boetebesluiten voor de periode 13 april 2015 tot en met 22 augustus 2016 een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad met Wulro en Interovo aannemelijk is geworden voor die leghennenhouders die in de betreffende periode eieren hebben verkocht aan Wulro dan wel Interovo . Voor de periode 1 maart 2016 tot en met 1 augustus 2019 is een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad met Wulro en Global aannemelijk geworden voor die leghennenhouders die in de betreffende periode eieren hebben verkocht aan Wulro dan wel Global. Voor zover de Stichting met haar stelling dat de twee door de ACM geconstateerde inbreuken moeten worden gekwalificeerd als één voortdurende inbreuk gedurende de periode 13 april 2015 tot en met 1 augustus 2019 heeft willen betogen dat met de twee boetebesluiten niet alleen ten aanzien van Wulro maar ook ten aanzien van Interovo en Global voldoende aannemelijk is geworden dat er voor die gehele periode een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad bestaat, wordt die stelling verworpen. Ten aanzien van Wulro , Global en Interovo kan voor een tijdvak waarover geen boetebesluit is opgelegd, slechts worden geoordeeld dat het voldoende aannemelijk is dat er uit hoofde van onrechtmatige daad een rechtsbetrekking bestaat met de leghennenhouders met wie zij in dat tijdvak hebben gecontracteerd, indien er (buiten het boetebesluit) concrete aanwijzingen zijn dat zij in dat tijdvak het mededingingsrecht jegens die leghennenhouders hebben geschonden. 4.86. Volgens de Stichting zijn er aanwijzingen dat de inbreuken op het mededingingsrecht al zijn gestart vóór 2015 en doorliepen ná 1 augustus 2019. Voor Wulro en Interovo heeft de Stichting gesteld dat er al afstemming plaatsvond over de inkoopprijzen van eieren in februari 2015. Zij heeft daartoe verwezen naar het Boetebesluit van de ACM (prod. 1 bij dagv., randnummer 109) waarin chats tussen Wulro en Interovo uit februari 2015 en van 17 maart 2015 worden aangehaald. Uit een Whatsapp-gesprek van begin 2018 tussen Wulro en Interovo volgt volgens de Stichting dat zij in die periode (en dus na 22 augustus 2016) gezamenlijk zijn opgetreden tegen de prijsstijgingen ten gevolge van de Fipronilcrisis. Op 27 september 2019 hebben Wulro en Interovo blijkens het Boetebesluit nog prijsinformatie uitgewisseld over kooi- en scharreleieren, aldus de Stichting . 4.87. Voor Wulro en Global heeft de Stichting gesteld dat de afstemming ook nog plaatsvond na 1 augustus 2019 en wel tot 5 november 2019, zijnde het moment van de onaangekondigde bedrijfsbezoeken van de ACM , omdat er tot laatstgenoemde datum voortdurend Whatsappcontact was tussen hen over mededingingsbeperkende onderwerpen. Door Wulro c.s. is betwist dat er buiten de door de ACM vastgestelde periodes verboden prijsafspraken zijn gemaakt. 4.88. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de contacten tussen Wulro en Interovo in het eerste kwartaal van 2018 over de prijsstijgingen als gevolg van de Fipronilcrisis niet dat er op dat moment mededingingsbeperkende afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de inkoopprijzen van eieren. Weliswaar volgt uit het Boetebesluit (randnummer 122) dat van de zijde van Wulro aan Interovo het voorstel is gedaan om collectief op te treden tegen de prijsstijgingen, maar uit het Boetebesluit volgt eveneens dat van de zijde van Interovo is gereageerd dat de enige oplossing was om de prijzen te verhogen. Dat een afspraak is gemaakt om de inkoopprijzen gezamenlijk laag te houden, volgt hieruit dus niet. Ook uit de uitwisseling van prijsinformatie met betrekking tot kooi- en scharreleieren op 27 september 2019 volgt op zichzelf nog niet dat er op dat moment prijsbeperkende afspraken tussen partijen zijn gemaakt. 4.89. Uit de inhoud van de overige Whatsapp- c.q. chatgesprekken waarnaar de Stichting heeft verwezen, volgt naar het oordeel van de rechtbank wel dat de inhoud ervan de stelling van de Stichting onderbouwt dat in die berichten mededingingsbeperkende afspraken worden gemaakt. Dat brengt mee dat de Stichting aldus gemotiveerd heeft gesteld dat iedere deelnemer aan één van die betreffende gesprekken zich op het moment van die berichtenwisseling (en daarmee in een tijdvak die ligt buiten de periodes waarop de boetebesluiten zien) schuldig heeft gemaakt aan schending van het mededingingsrecht. Indien die berichten, ondanks hun inhoud, niet waren gericht op beperking van de mededinging of althans niet feitelijk hebben geleid tot een afstemming van gedragingen en daarmee tot een beperking van de mededinging, had van Wulro c.s. mogen worden verwacht dat zij op dit punt gemotiveerd verweer had gevoerd. Dat heeft Wulro c.s. niet gedaan. De rechtbank acht het op dit moment voldoende aannemelijk dat er buiten de periodes waarop de boetebesluiten van de ACM zien, ook nog in strijd met het mededingingsrecht is gehandeld door Wulro en Interovo in februari 2015 en 17 maart 2015 en door Wulro en Global tot en met 5 november 2019. 4.90. Er zijn daarmee door de Stichting onvoldoende onderbouwde feiten gesteld waaruit volgt dat: - Interovo reeds voor februari 2015 dan wel na 22 augustus 2016, - Global voor 1 maart 2016 dan wel na 5 november 2019 en - Wulro voor februari 2015 dan wel na 5 november 2019 de mededinging heeft beperkt op grond van onderling (prijs)afspraken. Dat brengt mee dat de Stichting onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Interovo , Global en Wulro buiten de hiervoor bedoelde periodes onrechtmatig jegens leghennenhouders hebben gehandeld en dat er aldus op die grond een rechtsbetrekking bestaat die toewijzing van de vordering tot inzage rechtvaardigt. Voor die periodes geldt dat de verzochte informatie meer lijkt te worden opgevraagd om een zaak op te zetten dan om deze te kunnen onderbouwen (fishing expedition), hetgeen niet strookt met de strekking van het inzagerecht (zie PG kamerstuk 35 498, vergaderjaar 2019-2020, MvT nr. 3). 4.91. Dit oordeel brengt mee dat de vordering tot inzage in de correspondentie – hetgeen de relevante bescheiden zijn voor de nadere onderbouwing van het onrechtmatig gedrag – in ieder geval dient te worden afgewezen voor zover deze strekt tot afgifte van bescheiden: - van voor februari 2015 dan wel na 22 augustus 2016 waar het de vordering tegen Interovo betreft; - van voor 1 maart 2016 dan wel na 5 november 2019 waar het de vordering tegen Global betreft; - van voor februari 2015 dan wel na 5 november 2019 waar het de vordering tegen Wulro betreft. 4.92. Waar het de vordering tot schadevergoeding betreft, heeft de Stichting gesteld dat wegens het na-ijleffect ook nog schade is geleden gedurende de periode na het staken van de onrechtmatige gedragingen, zodat voor een goede begroting van de schade ook inzage noodzakelijk is over een langere periode. Die inzage betreft de prijsbescheiden, omdat dit de relevante bescheiden zijn voor de berekening van de schade. 4.93. Dat er wegens een na-ijleffect over een langere periode schade is geleden, is door Wulro c.s. niet gemotiveerd bestreden, zodat de rechtbank dat als vaststaand aanneemt. Volgens de Stichting heeft dit na-ijleffect zich voorgedaan gedurende de periode 2019-2020. De rechtbank begrijpt dat dit de onrechtmatige gedragingen van Wulro en Global betreft (die immers zijn beëindigd in november 2019). Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, is niet duidelijk waarom voor een goede berekening van de schade door het onrechtmatig gedrag van Wulro en Global belang bestaat inzage in de prijsbescheiden na 2020, toen het na-ijleffect volgens de Stichting was uitgewerkt. De Stichting heeft verder niet gesteld over welke periode het na-ijleffect betreffende het onrechtmatige gedrag van Wulro en Interovo in de periode 2015 – 2016 zich heeft voorgedaan. De rechtbank gaat er vanuit dat dit uiterlijk tot einde 2017 is geweest. De vordering tot inzage in prijsbescheiden over de periode na 2017 respectievelijk 2020 is om die reden niet toewijsbaar. 4.94. Voorts heeft de Stichting gesteld dat ze voor een gedetailleerde berekening van de schade eveneens een vergelijking moet kunnen maken met de periode waarin het kartel nog niet actief was. Om die reden vordert zij inzage in de prijsbescheiden vanaf 2010. De Stichting heeft echter niet concreet toegelicht (en dus niet onderbouwd) waarom voor de berekening van de schade inzage nodig is in de prijsbescheiden vanaf 2010 dan wel enig ander tijdstip voorafgaand aan de onrechtmatige gedragingen. Om die reden is de vordering tot inzage in de prijsbescheiden over de periode voorafgaand aan de onrechtmatige gedragingen van Wulro c.s. niet toewijsbaar. 4.95. Het voorgaande brengt mee dat de vordering tot inzage in de prijsbescheiden in ieder geval dient te worden afgewezen voor zover deze strekt tot afgifte van bescheiden: - van voor februari 2015 dan wel na december 2017 waar het de vordering tegen Interovo betreft; - voor 1 maart 2016 dan wel na december 2020 waar het de vordering tegen Global betreft; - voor februari 2015 dan wel na december 2020 waar het de vordering tegen Wulro betreft. Het belang bij bescheiden die de omvang en causaliteit van de schade betreffen 4.96. Een vordering tot inzage kan zowel als zelfstandige vordering als bij wijze van incident in een hoofdprocedure worden ingesteld. Indien de vordering, zoals in deze zaak het geval is, als een incident in de hoofdzaak wordt ingesteld, brengt dat niet mee dat het belang bij de inzage uitsluitend wordt bepaald door de vordering die in die hoofdzaak wordt ingesteld. Hoewel de hoofdzaak vooralsnog slechts is gericht op de vaststelling van de aansprakelijkheid van Wulro c.s. voor de gestelde oneerlijke mededinging, wenst de Stichting uiteindelijk vergoeding te vorderen van de schade die de leghennenhouders daardoor hebben geleden. Om die reden vordert de Stichting reeds thans in de hoofdzaak een veroordeling van Wulro c.s. tot vergoeding van die schade met een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Daarmee heeft de Stichting voldoende belang bij inzage in ook die bescheiden die nodig zijn om in een eventuele vervolgprocedure de omvang van de schade en de causaliteit vast te stellen. Daar komt nog bij dat de rechtbank gehouden is om thans in deze procedure tot begroting van de schade over te gaan, indien dit mogelijk is (art. 612 Rv). Gezien de tijdsperiode waarover schadevergoeding wordt gevorderd, is het niet uitgesloten dat, in het geval aansprakelijkheid wordt vastgesteld, de rechtbank zal beslissen dat in deze procedure ook tot begroting van de schade zal worden overgegaan. Het verweer van Wulro c.s. dat de Stichting (thans nog) geen belang heeft bij inzage in bescheiden betreffende de vaststelling van de schade wordt dan ook verworpen. De bepaalbaarheid en relevantie van de bescheiden waarop de vordering tot inzage ziet 4.97. Het verweer dat de gevorderde bescheiden onvoldoende bepaald zijn, wordt eveneens verworpen. Anders dan door Wulro c.s. is gesteld, vordert de Stichting niet ongespecificeerd inzage in ‘alle correspondentie’. De Stichting heeft de bescheiden, waarvan zij inzage vordert, voldoende concreet en gespecificeerd omschreven, zowel waar het de correspondentie als de prijsbescheiden betreft. Aan de hand hiervan kan worden vastgesteld welke bescheiden onder de vordering tot inzage vallen. 4.98. Uit de aard van de bescheiden waarvan de Stichting inzage vordert, volgt dat deze kunnen bijdragen aan de vaststelling van de gestelde inbreuken en causaliteit (in het bijzonder de correspondentie en het rapport Oxera) alsmede aan de begroting van de schade (in het bijzonder de prijsbescheiden). Het verweer van Wulro c.s. dat die relevantie er niet is, wordt om die reden verworpen. Informatie die bij de leghennenhouders beschikbaar is 4.99. Volgens Wulro c.s. betreft de verzochte transactie-informatie over de bij de leghennenhouders ingekochte eieren gegevens die bij de leghennenhouders zelf beschikbaar zijn. Door het opvragen van deze informatie legt de Stichting onderzoekswerk dat zij zelf moet verrichten om haar vorderingen te kunnen onderbouwen, neer bij Wulro c.s. Behalve dat dit aanzienlijke inspanningen van Wulro c.s. vergt, brengt dit ook aanzienlijke kosten mee. 4.100. De Stichting heeft dit verweer betwist. Zij voert daartoe aan dat het in de praktijk gebruikelijk was dat Wulro c.s. als afnemers van de eieren de contracten en facturen voor hun inkopen bij de leghennenhouders opstelden. Daartoe hielden Wulro c.s. bij hoeveel eieren er in een bepaalde periode bij hen werden ingekocht. De leghennenhouders ontvingen slechts een fysiek afschrift van de facturen, terwijl Wulro c.s. de volledige digitale administratie ter beschikking hebben. 4.101. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende. 4.102. De Stichting wenst inzage te verkrijgen in contracten en facturen alsmede in de specifieke transactie-informatie zoals hiervoor in nummer 4.67 is vermeld bij de weergave van de vordering onder (
  27. ii)(c). De Stichting heeft als productie STEI-029 voorbeelden overgelegd van facturen die door Global, Weko (is Interovo ) respectievelijk Wulro aan leghennenhouders zijn verzonden. De informatie waarvan de Stichting inzage vordert, staat (voor het grootste deel) op ieder der facturen vermeld. Zo vermelden de facturen van: - Global het weeknummer van de inkoop, het type ingekochte eieren (scharrel), de kwaliteitskeurmerken (wit, ongesorteerd), de hoeveelheid ingekochte eieren (waaronder in
  28. kg)en de prijs; - Weko het weeknummer van de inkoop, het type ingekochte eieren (scharrel), de kwaliteitskeurmerken (1e soort, 2e soort), de hoeveelheid ingekochte eieren (waaronder in aantal en in nettogewicht) en de prijs; - Wulro het weeknummer van de inkoop, de kwaliteitskeurmerken (wit, ongesorteerd), de hoeveelheid ingekochte eieren (waaronder in aantal en in nettogewicht) en de prijs. 4.103. Uit de stellingen van de Stichting volgt dat Wulro c.s. wekelijks facturen in hardcopy verzonden aan de leghennenhouders betreffende de ingekochte eieren. De Stichting heeft niet concreet gesteld welk rechtmatig belang zij heeft bij de gevorderde inzage in de facturen, ondanks het feit dat deze ook aan de leghennenhouders zijn verzonden (de vordering in nummer 4.67 onder (
  29. ii)(a)). Hetzelfde geldt voor de contracten van de leghennenhouders met Wulro c.s. (de vordering in nummer 4.67 onder (
  30. ii)(b)). Nu bovendien de ontvangen facturen blijkens het bovenstaande de transactie-informatie bevatten die volgens de Stichting noodzakelijk is om de schade te berekenen, is zonder nadere toelichting (die ontbreekt) door de Stichting niet concreet gesteld welk rechtmatig belang zij heeft bij de gevorderde inzage in de transactie-informatie. De stelling dat niet van alle leghennenhouders de administratie compleet of gemakkelijk toegankelijk is, is onvoldoende om aan te nemen dat er belang is bij de gevorderde inzage betreffende alle leghennenhouders. De omstandigheid dat een aantal leghennenhouders een deel van de facturen niet (meer) heeft dan wel dat voor een aantal leghennenhouders de administratie niet makkelijk toegankelijk is, rechtvaardigt namelijk niet dat van Wulro c.s. kan worden verlangd om inzage te verlenen in de facturen, overeenkomsten en transactie-informatie van alle leghennenhouders over de gehele periode 2015 – 2020. Dit geldt te meer, nu Wulro c.s. onbetwist hebben gesteld dat de verzameling van de informatie van hun kant een aanzienlijke inspanning vergt en aanzienlijke kosten meebrengt. Gewichtige redenen die zich verzetten tegen inzage - vertrouwelijke gegevens 4.104. Ter onderbouwing van de stelling dat er gewichtige redenen zijn die zich verzetten tegen inzage, hebben Wulro c.s. aangevoerd dat de bescheiden waarvan inzage wordt gevorderd, bedrijfsgevoelige informatie bevatten, mede omdat het informatie betreft die een wezenlijk onderdeel vormt van de commerciële positie van Wulro c.s.. Dit betreft niet alleen informatie die jonger is dan vijf jaar, maar ook informatie die vijf jaar oud is dan wel ouder. Deze vertrouwelijkheid is een gewichtige reden die zich tegen inzage verzet, aldus Wulro c.s.. Door de Stichting is dit betwist. 4.105. De rechtbank oordeelt op dit punt als volgt. 4.106. Het verweer van Wulro c.s. is voornamelijk dat de informatie waarvan de Stichting inzage vordert vertrouwelijk is, omdat zij bedrijfsgevoelige informatie bevat die raakt aan de commerciële positie van Wulro c.s. Met andere woorden, Wulro c.s. stellen zich (voornamelijk) op het standpunt dat het bedrijfsgeheimen zijn die bescherming behoeven (en niet privé-informatie dan wel andere vertrouwelijke informatie). Commercieel gevoelige informatie verliest haar vertrouwelijke karakter door tijdsverloop. In dit verband is van belang dat het Hof van Justitie in een mededingingszaak heeft geoordeeld dat bedrijfsgevoelige informatie die ouder is dan vijf jaar in beginsel als historische informatie moet worden beschouwd die niet langer vertrouwelijk is (HvJ EU 14 maart 2017, zaak C-162; ECLI:EU:C:2017:205, Evonik Degussa, r.o. 64, zie ook HJvJ EU 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:464 m.b.t. de toepassing van Richtlijn 2004/39EG). Het betreft een weerlegbaar vermoeden en geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de beoordeling van het beroep op vertrouwelijkheid in het kader van een vordering tot inzage. Uit hetgeen hiervoor in de nummers 4.90 en 4. 91 is overwogen, volgt dat de bescheiden waarin de inzage kan worden toegestaan, allen ouder zijn dan vijf jaar en daarmee in beginsel niet langer als vertrouwelijk kunnen worden aangemerkt. Het had op de weg van Wulro c.s. gelegen om concrete feiten te stellen waarmee zij aannemelijk maakt dat de informatie in de betreffende bescheiden nog steeds een wezenlijk onderdeel vormt van haar commerciële positie of van een derde en dat de bescheiden om die reden nog steeds een vertrouwelijk karakter hebben. Dergelijke feiten zijn door Wulro c.s. niet gesteld, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de betreffende informatie niet (langer) vertrouwelijk is. Voor zover Wulro c.s. van oordeel zijn dat de informatie vertrouwelijk is omdat zij de reputatie van de ondernemingen die aan het kartel hebben deelgenomen wensen te beschermen dan wel aansprakelijkheid van die ondernemingen willen voorkomen, heeft te gelden dat die belangen geen bescherming verdienen. 4.107. Voorts hebben Wulro c.s. nog summier als verweer gevoerd dat ‘de bescheiden data met een privékarakter [bevatten], zoals persoonlijke Whatsappberichten, e-mails en foto’s’ en dat om die reden ook hiervan geen afschrift kan worden verstrekt. Ook dit verweer wordt verworpen. Uit de omschrijving van de correspondentie waarvan de Stichting inzage vordert, volgt dat het de correspondentie betreft die ziet op de inkoop van eieren. Dit zijn geen gegevens die een privé-karakter dragen. Voor zover in de gevorderde correspondentie ook sprake zou zijn van uitwisseling van gegevens die een privé-karakter dragen en waarvan het vertrouwelijke karakter zich tegen inzage verzet, had van Wulro c.s. mogen worden verwacht dat zij dat concreet had onderbouwd. Nu zij dit niet hebben gedaan, zal het summiere verweer worden verworpen. 4.108. De slotsom is dan ook dat de gestelde vertrouwelijkheid zich niet verzet tegen de toewijzing van de vordering. - afgeleid verschoningsrecht 4.109. In het kader van de bestuursrechtelijke procedure tegen de boetebesluiten van de ACM heeft Wulro c.s. door Oxera een rapport laten opstellen. Dit rapport is (kennelijk) gebaseerd op door Wulro c.s. aan Oxera verstrekte informatie. Volgens de rechtbank zijn door Wulro c.s. geen feiten gesteld waaruit volgt dat op grond van een afgeleid verschoningsrecht de inzage in het Oxera-rapport moet worden geweigerd. Daartoe geldt het volgende. 4.110. Dat Oxera een (rechts)persoon is die uit hoofde van ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is (art. 843a lid 3 Rv (oud)) is door Wulro c.s. niet gesteld. Evenmin volgt impliciet uit de door Wulro c.s. gestelde feiten dat Oxera zich op een verschoningsrecht kan beroepen. Van een afgeleid verschoningsrecht van Wulro c.s. kan reeds om die reden geen sprake zijn. Daar komt bij dat een afgeleid verschoningsrecht slechts toekomt aan personen die werkzaamheden verrichten voor degene die tot geheimhouding verplicht is. De (rechts)persoon die zich om advies heeft gewend tot degene die tot geheimhouding verplicht is, heeft zelf geen afgeleid verschoningsrecht. Wel kan deze (rechts)persoon een gerechtvaardigd belang hebben om te weigeren om mee te werken aan inzage, indien die inzage betrekking heeft op informatie die hij met degene die tot geheimhouding verplicht is in diens hoedanigheid heeft uitgewisseld (HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600). Zoals hiervoor al is overwogen, volgt uit de stellingen van Wulro c.s. niet dat Oxera een verschoningsrecht heeft, zodat de in de vorige zin bedoelde weigeringsgrond zich ook niet voordoet. Hieruit volgt dat, indien het bestaan van een rechtsbetrekking tussen de Stichting en Wulro c.s. alsnog voldoende aannemelijk wordt gemaakt, de vordering tot inzage in het Oxera-rapport toewijsbaar is. Datzelfde geldt ook voor het Centerdata-rapport. - het niet meer voorhanden zijn van de bescheiden 4.111. Volgens Wulro c.s. moet de vordering tot inzage worden afgewezen, omdat een deel van de gevorderde bescheiden niet meer beschikbaar is aangezien de administratie slechts zeven jaar wordt bewaard. Om die reden zouden bescheiden die dateren van voor 2019 niet beschikbaar zijn. 4.112. Een vordering tot inzage kan alleen worden toegewezen ten aanzien van bescheiden die nog aanwezig zijn in de administratie van Wulro c.s. De rechtbank ziet in het verweer van Wulro c.s. dat bescheiden van vóór 2019 niet meer beschikbaar zijn, echter geen reden om de vordering tot inzage af te wijzen. Daartoe geldt dat het verweer slechts in algemene bewoordingen (in slechts één zin) is geformuleerd, zonder dat dit verder wordt onderbouwd en geconcretiseerd. Het verweer betreft alle 31 gedagvaarde (rechts)personen, waaronder tal van ondernemingen. Van Wulro c.s. had mogen worden verwacht dat zij ten aanzien van ieder der gedaagden bijvoorbeeld concreet had gesteld (
  31. i)wat het beleid is ten aanzien van het bewaren van de administratie, (
  32. ii)wie als interne medewerker dan wel externe adviseur (bijvoorbeeld een accountant) in concreto jaarlijks beslist welk deel van de administratie niet langer behoeft te worden bewaard en (iii) op welke wijze tot vernietiging wordt overgegaan van administratie die niet langer wordt bewaard en in het bijzonder of daartoe een professionele derde wordt ingeschakeld (het betreft volgens Wulro c.s. immers vertrouwelijke informatie). Die stellingen had zij kunnen onderbouwen door bijvoorbeeld het overleggen van overeenkomsten dan wel facturen ten aanzien van de vernietiging van bescheiden dan wel verklaringen van interne medewerkers of externe adviseurs die bij betrokken zijn bij de beslissing tot het niet langer bewaren van de administratie. 4.113. Bovendien volgt uit het verweer dat Wulro c.s. in ieder geval nog wel de bescheiden voorhanden heeft die niet ouder zijn dan zeven jaar. Aangezien tussen partijen (vooralsnog) vaststaat dat de Stichting voor het eerst bij brief van 29 april 2024 om informatie heeft verzocht, gaat de rechtbank er vanuit dat in ieder geval de administratie vanaf 2017 nog volledig voorhanden is. 4.114. Nu het verweer van Wulro c.s. dat zij niet langer de beschikking heeft over de bescheiden waarvan inzage wordt verzocht, niet alle bescheiden betreft en bovendien onvoldoende concreet is onderbouwd, zal de rechtbank aan dit verweer voorbijgaan. Slotsom ten aanzien van de vordering tot inzage 4.115. De slotsom ten aanzien van de vordering tot inzage is dat deze niet kan worden toegewezen zolang door de Stichting niet concreet is onderbouwd dat zij door cessie van vorderingen tot schadevergoeding in een rechtsbetrekking tot Wulro c.s. is komen te staa

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.