RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: C/03/342559 / HA ZA 25-258 Vonnis van 11 februari 2026 in de zaak van 1 [eiser] , te [plaats 1] ,2. [eiseres], te [plaats 1] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaat: mr. P.I. Meijers, tegen [gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf 1], te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. S.P.J. Oudenhoven. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: 1. de dagvaarding met bijlagen 1 tot en met 23; 2. de conclusie van antwoord met bijlagen 1 tot en met 3; 3. de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; 4. de mondelinge behandeling van 9 januari 2025, ter gelegenheid waarvan door beide partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd. 1.2. Verwijzing naar bijlagen vindt plaats door vermelding van het nummer van het processtuk gevolgd door het nummer van de bijlage. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De heer [eiser] is landschapsfotograaf, Zijn partner mevrouw [eiseres] werkt in de toeristenindustrie. Ongeveer tien jaar geleden kochten zij de rond 1950 gebouwde twee-onder-een-kap woning aan [adres] in [plaats 1] (zie foto’s en beschrijving bijlage 2,3). Na een paar jaar wilden zij deze moderniseren en voorzien van een kleine uitbouw. Via de architect die tekeningen maakte, kwamen zij bij [gedaagde] uit om die verbouwing te realiseren. [gedaagde] is 41 jaar oud en van huis uit installateur. Via opleiding, cursussen en werkgevers heeft hij zich het vak van aannemer eigen gemaakt. Sinds 13 jaar voert hij zijn eigen onderneming (uittreksel KvK bijlage 1,1). Hij heeft geen of één werknemer en doet vrijwel alle werkzaamheden zelf. Het werk bij [eisers] was een grote klus waarvan hij er gemiddeld vier per jaar doet. 2.2. De aanneemovereenkomst tussen partijen is belichaamd in een document van 4 december 2021 (bijlage 1,2). Daaruit blijkt dat het de begane grond betrof: nieuwe keuken (€ 13.000,00), toilet (€ 9.000,00) en uitbouw (€ 29.435,00) en overal vloerverwarming (€ 16.200,00 plus € 4.524,00), nieuw stuc- en schilderwerk (€ 8.010,00 plus € 2.000,00), een gedeeltelijk nieuw dak (€ 18.755,00), en nieuwe kozijnen en deuren (€ 15.000,00 en € 4.000,00). De aanneemsom bedroeg € 120.124,00 en de werkzaamheden zouden zo’n 4 maanden duren. Het werk is in hoofdzaak uitgevoerd vanaf half december 2021 tot in het tweede kwartaal 2022. De in die tijd verstuurde 8 facturen (bijlage 1,9) zijn integraal voldaan. 2.3. [gedaagde] legt een opleverlijst over van 8 mei 2022 (bijlage 2,1), waarvan hij stelt dat de openstaande punten daarop op de laatste drie na, zijn uitgevoerd. [eisers] is van mening dat het werk niet af is of dat er zaken ondeugdelijk zijn. Op 24 juni 2022 (bijlage 1,3) en 15 augustus 2022 (bijlage 1,5) stuurt [eisers] lijstjes met openstaande punten en op 13 september 2022 (bijlage 1,6), 1 oktober 2022 (bijlage 1,7) en 13 januari 2023 (na een persoonlijk treffen) (bijlage 1,8) klaagt [eisers] dat er niks gebeurt. Ruim een jaar later, op 29 mei 2024 stuurt [eisers] een ingebrekestelling (bijlage 1,11) per aangetekende post (welke door [gedaagde] niet is afgehaald bij het pakketpunt, bijlage 1,12) en via Whatsapp (bijlage 1,13), waarop [gedaagde] niet reageert. 2.4. In augustus 2024 wordt namens [eisers] ing. [naam 1] van [bedrijf 2] (verder [naam 1] ) ingeschakeld om de verbouwing aan een inspectie te onderwerpen. [gedaagde] wordt zowel per mail als per post uitgenodigd om daarbij aanwezig te zijn (bijlagen 1,14 en 1,15), maar geeft geen reactie. De inspectie vindt op 21 augustus 2024 plaats en resulteert in een rapport van 14 november 2024 (bijlage 1,16). 2.5. In het rapport wordt de situatie na de verbouwing beschreven en met foto’s onderbouwd. Verder worden samengevat 43 gebreken opgesomd (blz. 24 en 25). Herstel van de werkzaamheden begroot [naam 1] op € 74.996,09 (blz. 28). Bij brief van 20 november 2024 (bijlage 1,17) wordt [gedaagde] gesommeerd om de gebreken te verhelpen. Hoewel [gedaagde] deze brief ontvangt (bijlage 1,19), doet hij niks, ondanks aansporing daartoe op 24 januari 2025 (bijlage 1,20). De eerste keer dat [gedaagde] verweer voert, is bij conclusie van antwoord. 2.6. Ter voorbereiding op de procedure vraagt [eisers] aan Natuurlijk Duurzaam BV een offerte voor het herstel van de gebreken. Deze geeft in de persoon van [naam 2] aan dat [naam 1] een aantal zaken te positief heeft voorgesteld (bijlage 1,22) en dat herstel € 108.847,25 moet gaan kosten. 3De vorderingen 3.1. [eisers] vordert in de eerste plaats als vervangende schadevergoeding de door Natuurlijk Duurzaam BV gevraagde aanneemsom van € 108.847,25. Daarnaast wordt een bedrag van € 7.486,85 gevorderd, omdat € 6.510,04 plus € 976,81 onverschuldigd zou zijn betaald volgens [eisers] . De kosten van [naam 1] ad 1.716,90 euro (bijlage 1,23) worden ook gevorderd, net als de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. 3.2. [gedaagde] voert samengevat de volgende weren: a. [gedaagde] wordt aansprakelijk gehouden voor zaken die niet onder de overeenkomst vallen; b. [naam 1] komt met heel andere kwesties dan in de opleverlijst van 8 mei 2022 en in de brieven van [eisers] genoemd zijn; c. [naam 1] / [eisers] komt pas (voor het eerst) met die kwesties twee jaar nadat de verbouwing geweest is; d. [gedaagde] heeft de uitnodiging voor de expertise niet ontvangen en is dus niet genodigd om daarbij aanwezig te zijn; e. [naam 1] is een huisdeskundige van [bedrijf 3] en als zodanig niet onafhankelijk. [gedaagde] wenst een onderzoek door een onafhankelijke deskundige. Het feit dat dit door de verkoop niet meer mogelijk is, betekent dat de schade niet meer kan worden vastgesteld; f. [eisers] heeft helemaal geen schade geleden doordat hij de woning op 29 mei 2024 na drie weken te koop staan, voor de vraagprijs van € 549.000,00 verkocht heeft (bijlage 1,3). 3.3. Bij de bespreking van de vorderingen zal dieper ingegaan worden op stellingen en weren. 4De beoordeling Onverschuldigde betaling 4.1. [eisers] voert aan dat de aanvankelijk in rekening gebrachte € 29.769,32 excl. btw voor het dak verlaagd zijn naar € 27.820,99 excl. btw, maar dat toch het oorspronkelijke bedrag gefactureerd is. Daardoor zou € 6.510,04 incl. btw teveel betaald zijn. Daarnaast zou nog € 976,81 teveel betaald zijn doordat voor de opbouw van de woonkamer en de erker € 24.327,20 is begroot terwijl € 25.126,84 in rekening zou zijn gebracht. Beide bedragen ad in totaal € 7.486,85 zijn gevorderd. [gedaagde] heeft deze vorderingen in de conclusie van antwoord in het geheel niet besproken en op de zitting volstaan met een kale betwisting. 4.2. De rechtbank oordeelt als volgt. Hoewel deze deelvorderingen niet gemotiveerd zijn betwist, is voor toewijzing toch nodig dat ze zodanig onderbouwd zijn dat ze logisch te volgen zijn. Voor het bedrag van € 6.510,04 geldt dat dit niet het verschil is tussen de beide door [eisers] genoemde bedragen van € 29.769,32 en € 27.830,99; dat is namelijk € 1.938,33 excl. btw, dus € 2.345,38 incl. btw. Deze onduidelijkheid leidt tot afwijzing van dit deel van de vordering. 4.3. Voor wat betreft het bedrag van € 976,81 is inderdaad in de begroting € 24.327,20 excl. btw begroot (bijlage 1,2). [eisers] verwijst in de dagvaarding voor de betalingen naar nummers van facturen die er niet opstaan, maar die kennelijk de volgorde van verzending betreffen. Op de 3e factuur van 19 december 2021 wordt inderdaad het door [eisers] genoemde bedrag van € 14.113,28 opgevoerd (bijlage 1,9); op de 1e factuur van 23 november 2021 ontbreken echter de deelbedragen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het door [eisers] genoemde bedrag van € 11.013,56 klopt. Daarmee heeft hij ook op dit punt zijn vordering onvoldoende toegelicht en zal deze worden afgewezen. Welke invloed heeft verkoop van de woning op eventuele schade? 4.4. Alvorens te onderzoeken of de aanneemovereenkomst deugdelijk is nagekomen, zal de vraag besproken worden of – voor zover dat het geval is – er wel feitelijk schade is geleden. Het verweer (onder
- f)is namelijk dat eventuele gebreken helemaal niet tot feitelijke schade hebben geleid. 4.5. Uit de stukken (bijlage 2,3) blijkt dat de woning van [eisers] op 1 mei 2025 op Funda te koop is gezet voor € 549.000,00 en dat deze kennelijk ( [eisers] heeft dat niet betwist) op 29 mei 2025 voor de vraagprijs is verkocht. De dagvaarding in deze zaak is uitgebracht op 22 mei 2025 zonder dat daarin de voorgenomen verkoop van de woning genoemd is. [eisers] heeft op de zitting gezegd dat hij tegenover de koper van de woning niets gezegd heeft over de onderhavige procedure. Hij wijst erop dat veel klachten vóór die verkoop zijn verholpen en dat los daarvan deze geleid hebben tot hogere stookkosten en zware mentale belasting. [gedaagde] acht het verwijtbaar dat [eisers] verzwegen heeft om in de dagvaarding te vermelden dat de woning te koop stond. 4.6. De rechtbank oordeelt als volgt. Bij een overeenkomst staat voorop dat de prestaties waartoe partijen zich jegens elkaar verbinden, correct uitgevoerd worden. In dit geval betaalt [eisers] ruim € 120.000,00 voor een verbouwing en is het een vreemde redenering dat als [gedaagde] ‘onder’presteert en zijn ‘tegen’prestatie die € 120.000,00 niet waard is, hij daarvoor niet aansprakelijk is als die schade voor [eisers] geen nadelig gevolg heeft. Duidelijker nog dan bij verkoop is het voorbeeld dat als de woning na een wanprestatie uitbrandt, de verzekering gewoon de dagwaarde vergoedt. Ook dan zegt het rechtsgevoel dat het ‘voordeel’ van de brand niet aan degene hoort toe te vallen die wanpresteert, maar aan degene die kennelijk teveel heeft betaald voor (schade heeft geleden door) de niet of ondeugdelijk geleverde prestatie. In het recht komt dit principe tot uitdrukking in de term ‘abstracte schadevergoeding’. Daarmee wordt bedoeld dat bij het vaststellen van de schade wordt geabstraheerd van of en in hoeverre de schade ook concreet wordt hersteld. In het door [eisers] aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 26 april 2002, op internet te vinden onder ECLI:NL:HR:2002:AD9339, is sprake van een identieke situatie en eenzelfde oordeel. 4.7. Het voorgaande betekent dat voor het vaststellen van schade niet van belang is dat de woning inmiddels verkocht is en of herstelkosten of waardevermindering bij verkoop daadwerkelijk gelijk zijn aan de eventuele mindere tegenprestatie van [gedaagde] . Hoewel de rechtbank graag op alle manieren goed voorgelicht wordt, is het niet-vermelden van de verkoopinspanningen in de dagvaarding geen verwijtbare omstandigheid. Ten eerste heeft (de raadsman van) [eisers] aangevoerd dat de dagvaarding al geruime tijd voor de betekening ervan was opgesteld. Ten tweede zou die verhuizing zeker op de mondelinge behandeling naar voren zijn gekomen; [eisers] is immers geëmigreerd naar Zweden en was op zijn verzoek via beeld op de zitting aanwezig. Tijdigheid 4.8. Duidelijk is dat gebreken die [naam 1] in zijn rapport benoemt, slechts gedeeltelijk door [eisers] zijn opgemerkt. Hij zegt daar zelf op de zitting over dat hij als niet-bouwkundige niet direct zichtbare gebreken niet kende totdat [naam 1] ze benoemde. In het algemeen kan gezegd worden dat als een werk opgeleverd is, daarna alleen nog gereclameerd kan worden voor gebreken die op moment van oplevering niet kenbaar waren of konden zijn. In onderhavige procedure is weliswaar een soort lijst van 8 mei 2022 aanwezig (hij is door [gedaagde] opgesteld en ingebracht als bijlage 2,1), maar heeft deze lijst meer het karakter van een inventarisatie van nog uit te voeren werk (het betreft veel punten tot het plaatsen van deuren toe) dan van een echte oplevering. [gedaagde] stelt weliswaar dat op de laatste 3 punten na alles is uitgevoerd, maar dit wordt door [eisers] betwist en strookt niet met de correspondentie die tot en met januari 2023 daarover is gevoerd (zie par. 2.3 van dit vonnis). Bij zoveel uit te voeren punten zou voor de hand liggen dat ook nog een eindoplevering zou plaatsvinden, en die is er in elk geval niet geweest. 4.9. [gedaagde] voelt zich benadeeld (verweer c), omdat na 18 januari 2023 pas weer voor het eerst op 29 mei 2024 opnieuw gesommeerd wordt (bijlage 1,11) en hij op 8 en 14 augustus 2024 uitgenodigd wordt om de inspectie door [naam 1] bij te wonen (bijlagen 1,13 en 1,14). Alle drie deze brieven ontkent hij te hebben ontvangen. Los van of de sommatie en uitnodiging voor inspectie [gedaagde] bereikt hebben (waarover hierna meer), dient de termijn tussen de laatst bekende correspondentie (18 januari 2023 en 29 mei 2024) wel in perspectief geplaatst te worden. En dat perspectief is dat oplevering voorzien was in april 2022 (dat is niet betwist) en er vervolgens 8 maanden correspondentie gevoerd wordt zonder dat zelfs daarna duidelijk is dat het werk echt afgerond is. Zo vermeldt [naam 1] in zijn rapport (punten 6, 15 en 31) dat het hang- en sluitwerk aan diverse deuren nog steeds ontbreekt. Tegen die achtergrond kan niet gezegd worden dat [gedaagde] erop mocht vertrouwen dat er na verloop van tijd geen actie meer door [eisers] zou worden genomen. Bereikbaarheid 4.10. Het is ook deze laatste omstandigheid die maakt dat [gedaagde] kan worden aangerekend dat hij na verhuizing ((hetgeen volgens [gedaagde] de mogelijke oorzaak is van het niet ontvangen van de door [eisers] gestuurde post) zijn nieuwe adres niet aan [eisers] heeft meegedeeld. Dan wel ervoor had gezorgd dat (aangetekende!) post die op het oude adres aangeboden werd, aan hem doorgeleid zou worden. Los daarvan is de ingebrekestelling van 29 mei 2024 ook via Whatsapp naar [gedaagde] gestuurd (bijlage 1,13) en blijkt uit de automatische reactie dat dit daadwerkelijk het whatsapp adres van [gedaagde] was. Bovendien is de uitnodiging om bij de inspectie te zijn, naast per post (bijlage 1,15), ook naar het mailadres van de onderneming van [gedaagde] gestuurd (bijlage 1,14). Datzelfde mailadres staat nog steeds vermeld op de website van [website] . De rechtbank vindt dan ook dat aangenomen mag worden dat [gedaagde] zowel de aanmaning als de uitnodiging voor de inspectie ontvangen heeft (en verweer sub d dus onterecht
- is)en hij kennelijk besloten heeft om, net als na de ontvangst van het rapport bij brief van 20 november 2024 (bijlage 1,17,1,18 en 1,19) en berichten van 24 januari 2025 (bijlage 1,20) en 2 april 2025 (bijlage 1,21) helemaal nergens (inhoudelijk) op te reageren. Pas bij conclusie van antwoord, genomen op 20 augustus 2025, wordt voor het eerst de wens op een contra expertise geuit. Het recht op contra expertise 4.11. Aan het feit dat de woning inmiddels verkocht is en een dergelijke inspectie niet meer kan plaatsvinden, verbindt [gedaagde] de gevolgtrekking dat de schade niet meer kan worden vastgesteld (verweer sub e). De rechtbank denkt hier anders over. Van [eisers] kon drie jaar nadat opgeleverd had moeten zijn, in welke tijd hij schrijft, duwt en trekt zonder adequate reacties van [gedaagde] , niet verlangd worden dat hij zijn hele leven stil zou zetten om te faciliteren dat [gedaagde] of een onafhankelijk deskundige alsnog de schade kon opnemen en beoordelen. 4.12. Het voorgaande betekent niet dat zonder nader onderzoek uitgegaan wordt van de door [naam 1] vastgestelde gebreken. Juist doordat geen onderzoek meer naar die vaststellingen kan worden gedaan, moet de daarop gebaseerde schade evident zijn in relatie tot het verweer ertegen. De gebreken zelf 4.13. [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen alle 43 door [naam 1] genoemde tekortkomingen. Vastgesteld kan worden dat [gedaagde] kennelijk geen enkele documentatie over zijn werk heeft bijgehouden. Er is in elk geval geen enkele foto of factuur of mail overgelegd als onderbouwing voor zijn verweer. De rechtbank zal kort het verweer bespreken, waarbij wordt uitgegaan van bekendheid met het rapport. 1. Waar precies opdracht toe is gegeven, is moeilijk vast te stellen. Een nieuw dak omvat normaliter ook het lood dat nodig is om het af te dichten. Zelfs als het lood buiten de opdracht viel, rustte op [gedaagde] een waarschuwingsplicht voor het gevolg van eventuele lekkage daardoor. 2. Als dakpannen niet goed door lood zijn afgedicht, is lekkage niet onwaarschijnlijk. Kennelijk bevindt die lekkage zich onder de plek waar die afdichting ontbrak. De enkele stelling dat die schade er al was, is niet onderbouwd. 3. De kilgoot zou beschadigd zijn geraakt door [gedaagde] bij het leggen van het dak. Als dat juist is, dient hij dat te herstellen. Kennelijk heeft hij ook een poging gedaan met plakband (batuband). 4. [gedaagde] zegt over de binnendeuren (punt 4: waarvan de kaders om het binnen glas zo smal zouden zijn dat ze niet rechthoekig bleven) dat deze volgens de leverancier ‘geheel volgens de norm’ zouden zijn. Wie die leverancier was, hoe hij die mening heeft kenbaar gemaakt, of er wellicht iets schriftelijk op papier is gezet, blijft geheel in het midden. 5. Er is zoveel ‘geknoeid’ aan die deuren (schaven, schuren, extra schroeven) dat aannemelijk is dat het schuren over de vloer als oorzaak heeft dat die deur niet recht in de sponning hing. 6. [eisers] heeft op de zitting gezegd dat hij dat hang- en sluitwerk inderdaad vond toen hij de spullen van [gedaagde] wilde opruimen (zie 1,20 en 1,21 waarin [gedaagde] gevraagd wordt om zijn spullen op te halen). [eisers] wijst erop dat het aanbrengen van hang en sluitwerk inhield dat dit nog helemaal ingefreest moest worden. 7. [eisers] ontkent dat hij koos voor ander glas dan veiligheidsglas. Maar zelfs als dat zo zou zijn, had [gedaagde] de plicht om aan te geven dat dit niet mocht en grote risico’s (in verband met veiligheid én verzekering) meebracht. Voor zover [eisers] de koper van zijn huis van dit bij hem bekende aspect niet op de hoogte heeft gesteld, acht de rechtbank dit een ernstig verzuim en wil zij erop aandringen dit alsnog te doen. 8. Dat en waarom [eisers] een andere dan goeie dorpel wilde, is niet duidelijk. Ook niet dat die duurder zou zijn. 9. Het ligt niet voor de hand dat een opdrachtgever doorzichtig glas in een toiletdeur wil. 10. Het betreft een mineur punt 11. Dit is een ernstig gebrek: geen vloerverwarming in de erker én ontbreken van isolatie tussen binnen- en buitenkant. [gedaagde] zegt hierover dat dit komt doordat [eisers] een andere maatvoering wilde dan de architect had getekend. [eisers] betwist dat. [gedaagde] had zijn stelling gemakkelijk kunnen onderbouwen door de tekening (of het onderdeel dat op die uitbouw betrekking had) in het geding te brengen. Dat heeft hij nagelaten. Maar zelfs als er wijzigingen zouden zijn overeengekomen, rustte op [gedaagde] de plicht om dat zodanig te doen dat vloerverwarming en isolatie in orde waren. Dan wel had hij uitdrukkelijk (dat betekent in de praktijk: schriftelijk) moeten waarschuwen voor dit gevolg, hetgeen hij ook nagelaten heeft. 12. Partijen hebben niet uitgelegd wie wat zou schilderen. In de offerte is een bedrag van € 2.000,00 voor schilderwerk opgevoerd. 13. Ook dit is een ernstig gebrek. [naam 1] zegt namelijk dat gevingerlast hout niet gebruikt mag worden voor steunbalken omdat ze daarvoor onvoldoende sterk zijn. [gedaagde] ontkent dat niet, maar volstaat met dat daarover niets is overeengekomen. Dat is irrelevant, nu [gedaagde] ze gewoon niet voor dit doel had mogen gebruiken. 14. Deze klacht is in lijn met klachten 4 en 5. 15. Deze klacht is in lijn met klacht 6. 16. De rechtbank begrijpt dat HR++ glas altijd gelaagd is. Dat HR++ glas gebruikt zou worden, staat tussen partijen vast. Als het dan niet gelaagd was, was het dus ook niet HR++. 17. In diverse ramen is geen stempel aangetroffen, waardoor [naam 1] er niet vanuit kan gaan dat het HR++ glas was. [gedaagde] zegt dat uit bijlage 2,5 blijkt dat er gelaagd glas is geleverd. De factuur ontbreekt echter en is ook op de zitting niet overgelegd. 18. Hier staan [naam 1] en [gedaagde] tegenover elkaar. 19. [gedaagde] meent dat loodafdekking over de dakramen van de aanbouw wel volstaan. Het had op zijn weg gelegen om dit beter uit te leggen en met voorbeelden te onderbouwen,. 20. Idem 21. Mineur punt 22. – 28: Moeilijk te beoordelen door de rechtbank. 29. De redenatie dat verlijmd hout geseald moet worden om loslaten van de lagen te voorkomen, klinkt logisch. De foto van [naam 1] toont aan dat dit ook gebeurt. Als [eisers] dit inderdaad zo wilde, had [gedaagde] hem moeten waarschuwen voor de risico’s. 30 – 41: kleinere gebreken. 42 en 43: is kennelijk gemakkelijk en goedkoop te verhelpen. Probleem is dat zolang het niet verholpen is, het tot schade en boetes kan leiden. 4.14. Met inachtneming van het hierboven besproken verweer, is de rechtbank van oordeel dat de volgende herstelposten uit het rapport van [naam 1] toewijsbaar zijn: - € 1.425,00 voor het herstel van het loodwerk en de kilgoot. De rechtbank vindt aannemelijk dat die werkzaamheden onder de overeenkomst vielen. - € 2.480,00 voor herstel en vervanging van de binnendeuren. De rechtbank vindt voldoende aannemelijk dat die deuren niet deugden en dat het kunst- en vliegwerk eraan die deuren niet mooier maakten. - € 15.000,00 voor herstel van gebreken in de uitbouw. Hoewel sprake blijkt van onvoldoende verwarming, draagkracht en isolatie, is onvoldoende duidelijk geworden dat dit alleen verholpen kan worden door volledige vervanging van de uitbouw. - € 1.000,00 voor herstel gevolgschade. Hoewel aannemelijk is dat die schade er is, is de ernst ervan en de noodzaak van de begrote schade onvoldoende gebleken. - € 1.000,00 voor gebrekkig timmerwerk en herstel buitendeuren. De omvang van de opgevoerde schade volgt onvoldoende uit het rapport. - De overige kosten worden afgewezen omdat ze zonder nader onderzoek niet voldoende evident zijn. 4.15. Het totaal aan schadeposten komt dan uit op € 20.905,00. Vermeerderd met toeslagen en btw (€ 20.905,00 gedeeld door € 48.160,00 keer € 74.996,09) leidt dit tot toewijzing van € 32.554,00. De gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 juni 2024 is niet betwist en toewijsbaar. 4.16. De expertkosten van [naam 1] ad € 1.716,90 (bijlage 1,23) zijn eveneens toewijsbaar. Incasso- en proceskosten 4.17. [eisers] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 1.117,71 worden toegewezen. 4.18. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 151,67 - griffierecht € 2.723,00 - salaris advocaat € 1.572,00 (2 punten × € 786,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.624,67 5De beslissing De rechtbank 5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan eisers te betalen een bedrag van € 32.554,00 als vervangende schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 juni 2024 tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan eisers te betalen een bedrag van € 1.716,90 voor expertisekosten, 5.3. veroordeelt [gedaagde] om aan eisers te betalen een bedrag van € 1.117,71 voor buitengerechtelijke incassokosten, 5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van eisers, welke kosten tot op heden worden gesteld op € 4.624,67, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als het vonnis betekend wordt, 5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. Dethmers en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.