← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2026:1343

RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11983277 \ CV EXPL 25-5361 Vonnis in kort geding van 18 februari 2026 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: de vrouw, gemachtigde: mr. R.A.J. van der Leeuw, tegen [de man] , ingeschreven als wonend te [plaats] op het [adres] , welk adres door de autoriteiten in onderzoek is gesteld en daardoor niet zeker is, gedaagde partij, hierna te noemen: de man, niet verschenen. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoek van de vrouw tot het verlenen van verlof tot verkorting van de dagvaardingstermijn, - het verlof van de kantonrechter tot verkorting van de dagvaardingstermijn, waarbij het exploot uiterlijk op 6 januari 2026 dient te zijn betekend, - de openbaar betekende dagvaarding op verkorte termijn van 6 januari 2026 en de betekende dagvaarding van 8 januari 2026 aan het [adres] - de mondelinge behandeling van 21 januari 2026,- de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagde. 2De feiten 2.
  2. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Ze zijn niet gehuwd geweest en hebben samengeleefd zonder geregistreerd partnerschap of een op schrift gestelde samenlevings-overeenkomst. 2.
  3. Partijen huurden beiden een woning aan [adres] . Partijen hebben in een kortgedingprocedure een vaststellingsovereenkomst gesloten over het uitsluitend voortzetten van de huurovereenkomst door de vrouw. De huurovereenkomst is door de man opgezegd, welke opzegging door de verhuurder is aanvaard. De man diende uiterlijk 30 juni 2025 de woning te verlaten, maar heeft dit niet gedaan. 2.
  4. De vrouw is toegelaten tot de Schuldhulpverlening van de gemeente Roermond. Die hulpverlening kan volgens de gemeente eerst verder worden opgepakt zodra de man de woning heeft verlaten. Omdat de man de woning, ondanks het aankondigen van rechtsmaatregelen, tot op vandaag feitelijk niet heeft verlaten, heeft de gemeente de start van de schuldhulpverlening aangehouden totdat hier wel sprake van is. 3Het geschil 3.
  5. De vrouw vordert de ontruiming van de woning aan [adres] , per direct na betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag. 3.
  6. De man heeft geen verweer gevoerd. 3.
  7. Op de stellingen van de vrouw wordt, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Bevoegdheid 4.
  8. De vordering van de vrouw vloeit voort uit een huurovereenkomst en de rechtstreekse gevolgen daarvan. De kantonrechter is daarom bevoegd om de zaak te behandelen. Verstek 4.
  9. De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling geconstateerd dat de man niet is verschenen. 4.
  10. In artikel 54 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) is bepaald dat de betekening dient te worden ter plaatse van het werkelijk verblijf, als iemand geen bekende woonplaats in Nederland heeft. Op grond van lid 2 moet, in het geval het werkelijk verblijf niet bekend is, betekend worden aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht waar de zaak moet dienen of dient. Verder moet in dit laatste geval een uittreksel van het exploot zo spoedig mogelijk bekend worden gemaakt in de Staatscourant onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden verkregen. 4.
  11. Uit de door de vrouw tijdens de mondelinge behandeling overgelegde stukken en de brief van de gemachtigde van de vrouw van 29 januari 2026, blijkt dat de man op juiste wijze en rechtsgeldig is opgeroepen voor de zitting van 21 januari
  12. Volgens de vrouw is het verblijfadres van de man onzeker omdat zij de man meerdere malen heeft verzocht de woning te verlaten maar hij dit ondanks toezeggingen kennelijk heeft nagelaten en omdat de gemeente het adres van de man in onderzoek heeft gesteld. Omdat het adres van de man ten tijde van de opdracht tot betekening in onderzoek stond heeft de deurwaarder openbaar betekend op 6 januari 2026 en een openbaar exploot van de oproeping in kort geding op verkorte termijn in de Staatscourant bekend gemaakt. Daarnaast heeft de deurwaarder op 8 januari 2026 ook een exploot betekend aan het [adres] . 4.
  13. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 4 november 1926, NJ 1927/403) kan onbekendheid als bedoeld in artikel 54 lid 2 Rv worden aangenomen indien degene op wiens verzoek een dergelijk exploot wordt gedaan, ondanks redelijke onderzoeksinspan-ningen de woonplaats van de geëxecuteerde niet heeft kunnen achterhalen; zo nodig zal hij moeten aantonen dat hij deze redelijke onderzoeksinspanningen heeft verricht. Door navraag te doen langs de gewone kanalen heeft de vrouw de hiervoor bedoelde redelijke onderzoeksinspanning verricht. De kantonrechter is daarom van oordeel dat er sprake is van een rechtsgeldige betekening van het exploot van de dagvaarding. 4.
  14. Omdat de bij dagvaarding voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, zal tegen de man verstek worden verleend. Spoedeisend belang 4.
  15. De gestelde spoedeisendheid van de vordering tot ontruiming van de woning is door de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt op grond van de door haar aangevoerde en door de man niet weersproken omstandigheden. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man geen bijdrage aan het huishouden levert en de vrouw de volledige zorg voor de twee kinderen draagt. De vrouw draait voor alle kosten op en de schuldhulpverlening voor schulden die met name aan de man te wijten zijn, komt niet van de grond. Verder lopen de spanningen tussen partijen hoog op die mogelijk zouden kunnen uitmonden op huishoudelijk geweld, aldus de vrouw. Er is sprake van een onhoudbare situatie. De vrouw heeft er belang bij dat zo snel mogelijk een einde wordt gemaakt aan deze onhoudbare situatie. Zij is daarom ontvankelijk in haar vordering. Ontruiming van de woning 4.
  16. In dit kort geding dient, mede op basis van de stellingen van de vrouw, te worden beoordeeld of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter is daar sprake van. 4.
  17. De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Daar is in dit geval geen sprake van. Uit het overgelegde vonnis van 9 mei 2025 van de voorzieningenrechter volgt dat partijen een vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan, waarbij de huurovereenkomst met ingang van 1 juli 2025 uitsluitend door de vrouw wordt voorgezet en de man de woning uiterlijk op 30 juni 2025 zal verlaten. Als onweersproken staat vast dat de man, naar aanleiding van dit vonnis, de huurovereenkomst ook heeft opgezegd. Het gevolg hiervan is dat er geen contractuele huurrelatie tussen de verhuurder en de man meer bestaat, zodat er ook geen sprake meer is van een gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming. Dat betekent dat, voor zover de man nog in de woning verblijft, hij dit zonder recht of titel doet. Voldoende aannemelijk is dat een rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat de ontruiming toewijsbaar is. De kantonrechter veroordeelt de man daarom tot ontruiming van de woning binnen twee dagen na betekening van dit vonnis. Dwangsom 4.
  18. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt, zoals in de beslissing opgenomen. Proceskosten 4.
  19. De man is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de vrouw worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 307,46 (2 exploten) - griffierecht € 93,00 - salaris gemachtigde € 577,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.121,46 5De beslissing De kantonrechter 5.
  20. veroordeelt de man om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen, onder medeneming van zijn kleding en lijfgoederen en onder afgifte van de sleutels van de woning aan de vrouw, en de woning niet verder te betreden zonder toestemming van de vrouw, 5.
  21. veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt, 5.
  22. veroordeelt de man in de proceskosten van € 1.121,46, te vermeerderen met de kosten van betekening als de man niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
  23. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  24. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.