RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03/088976-23 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 10 februari 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004, wonende te [adres 1] De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.W.F. van Wijk, advocaat kantoorhoudende te Helmond. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 januari 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Zij zijn niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. Deze zaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen [medeverdachte 1] (parketnummer 03/142819-23) en [medeverdachte 2] (parketnummer 03/083042-23). 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in de periode van 6 tot en met 10 maart 2023, al dan niet met een of meer anderen, van vijf personen goederen heeft gestolen en dit bij één persoon heeft geprobeerd. Subsidiair is bij alle feiten de medeplichtigheid aan die diefstallen ten laste gelegd. Ten aanzien van één van de slachtoffers wordt de verdachte ook verweten dat hij al dan niet met een of meer anderen een diefstal heeft gepleegd, dan wel daaraan medeplichtig is geweest, door geld te pinnen met de bij een van de bedoelde diefstallen buitgemaakte pinpas. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de primair ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan de rol van de verdachte niet als die van medepleger worden gekwalificeerd. De subsidiair ten laste gelegde feiten (medeplichtigheid aan de diefstallen) kunnen wel bewezen worden verklaard. De verdachte heeft deze feiten ter terechtzitting bekend. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft net als de officier van justitie vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdachte heeft deze feiten bekend. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraakoverweging Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van de onder feit 1 tot en met 6 primair ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Op basis van het dossier en hetgeen de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, blijkt onvoldoende dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Bewijsmiddelen De verdachte heeft de onder feit 1 tot en met 6 subsidiair ten laste gelegde feiten bekend en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Hierdoor kan worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten: - het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 8 maart 2023; - het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] van 16 maart 2023; - het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] van 6 maart 2023; - het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] van 7 maart 2023; - het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] van 7 maart 2023; - het proces-verbaal van bevindingen van 30 maart 2023; - het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 5 april 2023; - de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 januari 2026. Partiële vrijspraak feit 2 subsidiair De rechtbank acht ten aanzien van de in feit 2 subsidiair ten laste gelegde pleegperiode enkel bewezen dat de verdachte op 8 maart 2023 medeplichtig is geweest aan de poging tot diefstal. De verdachte is op die dag, na de diefstal bij het slachtoffer [naam 1] (feit 1) in Duitsland aangehouden. Omdat de verdachte op 10 maart 2023 in Duitsland nog steeds gedetineerd was, kan hij niet betrokken zijn geweest bij de tweede poging tot diefstal op die dag bij de woning van het slachtoffer [naam 2] . De verdachte zal van de periode na 8 maart 2023 daarom partieel worden vrijgesproken. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat T.a.v. feit 1 subsidiair: [medeverdachte 2] en onbekend gebleven personen op 8 maart 2023 in Vaals een portemonnee (met inhoud) en een juwelendoos (met inhoud), die aan [naam 1] toebehoorden, hebben weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl [medeverdachte 2] en die onbekend gebleven personen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, door: - [naam 1] op te bellen en zich tijdens dat gesprek voor te doen als een medewerker van de bank, - ( tijdens dat telefoongesprek) tegen [naam 1] te zeggen dat er geld van haar rekening was gehaald, - ( tijdens dat telefoongesprek) tegen [naam 1] te zeggen dat haar zoon onderweg was naar de bank en door zich tegenover [naam 1] (telefonisch) voor te doen als haar zoon, - ( tijdens dat telefoongesprek) tegen [naam 1] te zeggen dat er iemand (te weten: een collega van de bank) voor de deur stond en dat zij de deur moest openen en dat zij een kluis had en die aan zijn collega moest laten zien, - zich (vervolgens) naar de woning van [naam 1] te begeven en voornoemde woning (nadat [naam 1] de deur had geopend) binnen te gaan, - [naam 1] te volgen naar haar slaapkamer, - voornoemde goederen (welke door [naam 1] uit de kluis waren gehaald) mee te nemen naar de keuken en te fotograferen, en - voornoemde goederen van tafel te pakken en te vertrekken, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 8 maart 2023 in de gemeente Vaals opzettelijk behulpzaam is geweest, door: - [medeverdachte 2] (met de auto) naar de woning van [naam 1] te brengen en in de nabijheid van de woning van [naam 1] af te zetten, - [medeverdachte 2] (via snapchat) berichten te sturen met de tekst: "Blauw", "Niet komen", "Pas op" en "Niet naar de auto komen", en - [medeverdachte 2] (met de auto) in Vaals op te halen; T.a.v. feit 2 subsidiair: [medeverdachte 2] en onbekend gebleven personen op 8 maart 2023 in Vaals, ter uitvoering van het door [medeverdachte 2] en onbekend gebleven personen voorgenomen misdrijf om goederen en geld die/dat aan [naam 2] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om die/het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, - [naam 2] hebben opgebeld en zich tijdens dat telefoongesprek hebben voorgedaan als een medewerker van de ING bank genaamd [naam 4] , - ( tijdens dat telefoongesprek) tegen [naam 2] hebben gezegd dat er verschillende pogingen waren gedaan om EUR 400 van de rekening van [naam 2] af te halen en dat zij [naam 2] wilden helpen om dit op te lossen, - ( tijdens dat telefoongesprek) aan [naam 2] hebben gevraagd of zij een brandkast of een safe in huis had en die safe verankerd was - ( tijdens dat telefoongesprek) tegen [naam 2] hebben gezegd dat er een externe medewerker van de ING bank naar de woning van [naam 2] zou komen en dat [naam 2] de voordeur voor die medewerker moest openen en dat [naam 2] moest kijken of er niets uit de brandkast of safe was gehaald, - zich (vervolgens) naar de woning van [naam 2] hebben begeven en voornoemde woning (nadat [naam 2] de deur had geopend) binnen zijn gegaan, - een (of meer) handelingen op de computer van [naam 2] hebben verricht en een foto van het computerscherm hebben gemaakt, en - tegen [naam 2] hebben gezegd dat zij virussen op de computer had en dat zij iets uit de auto zouden halen en dan meteen zouden terugkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 8 maart 2023 in de gemeente Vaals en in Duitsland opzettelijk behulpzaam is geweest door - [medeverdachte 2] (met de auto) naar de woning van [naam 2] te brengen, en in de nabijheid de woning van [naam 2] af te zetten, - [medeverdachte 2] (via snapchat) berichten te sturen met de tekst: "Blauw", "Niet komen", "Pas op" en "Niet naar de auto komen", en - [medeverdachte 2] (met de auto) in Duitsland op te halen; T.a.v. feit 3 subsidiair: [medeverdachte 2] en onbekend gebleven personen op 6 maart 2023 in de gemeente Echt-Susteren een kistje (met inhoud) dat aan [benadeelde 1] toebehoorde, hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl [medeverdachte 2] en die onbekend gebleven personen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, door: - [benadeelde 1] op te bellen en zich tijdens dat gesprek voor te doen als een medewerker van de Rabobank genaamd [naam 5] , - ( tijdens dat telefoongesprek) tegen [benadeelde 1] te zeggen dat er iets aan de hand was met haar bankrekening en dat er iemand van de Rabobank onderweg was om het probleem te verhelpen en hiervoor op de computer van [benadeelde 1] moest, - zich (vervolgens) naar de woning van [benadeelde 1] te begeven en voornoemde woning (nadat [benadeelde 1] de deur had geopend) binnen te gaan, - handelingen op de computer van [benadeelde 1] te verrichten, - aan [benadeelde 1] te vragen of er geld of waardevolle spullen in de woning aanwezig waren om een inventaris te maken, en - voornoemd kistje (met inhoud) te pakken en hiermee de woning te verlaten, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 6 maart 2023 in de gemeente Echt-Susteren opzettelijk behulpzaam is geweest door - [medeverdachte 2] (met de auto) naar de woning van [benadeelde 1] te brengen en in de nabijheid van de woning van [benadeelde 1] af te zetten, en - [medeverdachte 2] (met de auto) in de nabijheid van de woning van [benadeelde 1] op te halen; T.a.v. feit 4 subsidiair: [medeverdachte 2] en onbekend gebleven personen op 7 maart 2023 in de gemeente Alpen-Chaam een (geld)kistje (met inhoud), dat aan [benadeelde 2] toebehoorde, hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl [medeverdachte 2] en die onbekend gebleven personen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, door: - [benadeelde 2] op te bellen en zich tijdens dat gesprek voor te doen als een medewerker van de Rabobank genaamd [naam 6] , - ( tijdens dat telefoongesprek) tegen [benadeelde 2] te zeggen dat er een actie was waarbij een gratis kluis werd geplaatst en dat er iemand langs zou komen om te bekijken hoe de kluis kon worden geplaatst, - zich (vervolgens) naar de woning van [benadeelde 2] te begeven en voornoemde woning (nadat [benadeelde 2] de deur had geopend) binnen te gaan en zich voor te stellen als iemand van de Rabobank, - zich naar de slaapkamer van [benadeelde 2] te begeven, en - een (geld)kistje uit de kast te pakken en te zeggen dat hij daarvan foto’s zou maken voor de afmetingen en (daarmee) de woning te verlaten, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 7 maart 2023 in de gemeente Alpen-Chaam opzettelijk behulpzaam is geweest door - [medeverdachte 2] (met de auto) naar de woning van [benadeelde 2] te brengen en in de nabijheid van de woning van [benadeelde 2] af te zetten, - [medeverdachte 2] (via snapchat) een berichtje te sturen met de tekst: "blauw rijdt rond", en - [medeverdachte 2] (met de auto) in de nabijheid van de woning van die [benadeelde 2] op te halen; T.a.v. feit 5 subsidiair: [medeverdachte 2] en onbekend gebleven personen op 7 maart 2023 in Zundert een bankpas, die aan [naam 3] toebehoorde, hebben weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl [medeverdachte 2] en die onbekend gebleven personen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, door: - [naam 3] op te bellen en zich tijdens dat gesprek voor te doen als een medewerker van de Rabobank, - ( tijdens dat telefoongesprek) tegen [naam 3] te zeggen dat er geld van zijn rekening was afgeschreven in Roermond en dat de beveiliging van zijn PC niet in orde zou zijn en dat een IT medewerker van de vestiging in Zundert onderweg zou zijn om de beveiliging te onderzoeken, - zich (vervolgens) naar de woning van [naam 3] te begeven en voornoemde woning (nadat [naam 3] de deur had geopend) binnen te gaan en zich voor te stellen als een IT medewerker, - aan [naam 3] te vragen om de PC in te schakelen en de random reader te pakken en handelingen met de bankpas en op die random reader uit te voeren, - handelingen op die PC uit te voeren, en - die bankpas te pakken en (vervolgens) de woning te verlaten, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 7 maart 2023 in Zundert opzettelijk behulpzaam is geweest door - [medeverdachte 2] (met de auto) naar de [adres 2] en de woning van [naam 3] te brengen en in de nabijheid van de woning van [naam 3] af te zetten, - [medeverdachte 2] (via snapchat) een berichtje te sturen met de tekst: "blauw rijd rond", en - [medeverdachte 2] (met de auto) in de nabijheid van de woning van [naam 3] op te halen; T.a.v. feit 6 subsidiair: [medeverdachte 2] en onbekend gebleven personen op 7 maart 2023 in Rucphen geldbedragen van tweemaal EUR 400, die aan [naam 3] toebehoorden, hebben weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl [medeverdachte 2] en die onbekend gebleven personen die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een niet aan hen in eigendom toebehorende pinpas, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 7 maart 2023 in Rucphen opzettelijk behulpzaam is geweest, door - [medeverdachte 2] (met de auto) in de nabijheid van het [adres 3] in Rucphen af te zetten, en - [medeverdachte 2] (met de auto) in de nabijheid het [adres 3] in Rucphen op te halen. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Kennelijke taal- en schrijffouten in de tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op: T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 3 subsidiair, feit 4 subsidiair en feit 5 subsidiair: telkens medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels; T.a.v. feit 2 subsidiair: medeplichtigheid aan poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels; T.a.v. feit 6 subsidiair: medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 151 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd. Tevens heeft de officier van justitie oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis gevorderd. Bij de bepaling van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafbepaling rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Zij heeft verzocht te volstaan met een deels voorwaardelijke taakstraf. De verdachte is ook bereid om een geldboete te betalen, al dan niet in termijnen. De raadsvrouw heeft expliciet verzocht om de verdachte niet terug te sturen naar de gevangenis. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte is in een tijdsbestek van drie dagen zes keer als medeplichtige behulpzaam geweest bij diefstallen of pogingen daartoe door een van zijn mededaders te chaufferen naar en van de plaatsen delict en deze in voorkomende gevallen te waarschuwen als er politie in de omgeving was. Deze misdrijven zijn alle onder de noemer bankhelpdeskfraude te scharen. Door de mededaders werden argeloze, op leeftijd zijnde slachtoffers gebeld en zij deden zich daarbij voor als bankmedewerker. Deze ‘bankmedewerker’ gaf dan te kennen dat er problemen waren met hun bankrekening of computer en bood vervolgens hulp aan: iemand zou naar de woning van het slachtoffer komen om het probleem op te lossen, waarbij het slachtoffer aan de collega ook bankpassen en/of waardevolle goederen moest tonen om deze te inventariseren of in veiligheid te brengen. En dat gebeurde. De verdachte reed [medeverdachte 2] naar de woning, waarna de slachtoffers werden bestolen. Bestolen, niet alleen van hun bankpas en (vervolgens) van geld, maar ook in een aantal gevallen van sieraden. Sieraden die voor de slachtoffers soms een emotionele waarde hadden en daarmee onvervangbaar waren. De verdachte en zijn mededaders hebben zich hieraan echter niets gelegen laten liggen. De slachtoffers werden kennelijk doelbewust uitgekozen en vervolgens een rad voor ogen gedraaid. Op doortrapte wijze werd zo misbruik gemaakt van hun vertrouwen en werd toegang verkregen tot hun woning en slaapkamers. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit leidt tot gevoelens van schaamte en onveiligheid. Slachtoffers durven ook vaak niet meer anderen te vertrouwen, terwijl zij het, gelet op hun leeftijd, vaak juist moeten hebben van hun omgeving en de helpende medemens. De schade die de verdachte en zijn mededaders aanrichtten, is echter meeromvattend dan alleen het bovenstaande. Bankhelpdeskfraude is een misdrijf dat het vertrouwen ondermijnt dat rekeninghouders in het algemeen in het betalingsverkeer en het bankwezen mogen hebben. Dit vertrouwen is van groot belang voor het maatschappelijk en economisch verkeer. Ook leidt bankhelpdeskfraude tot hoge kosten voor de banken, omdat zij vaak uit coulance hun rekeninghouders schadeloos stellen en opgescheept worden met hoge schadeposten. Aan dit alles hebben de verdachte en zijn mededaders zich niets gelegen laten liggen. Alleen hun eigen financiële gewin stond voorop. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de op te leggen straf onder meer gelet op straffen die doorgaans worden opgelegd in vergelijkbare gevallen. Alleen al voor het zesmaal plegen van bankhelpdeskfraude worden doorgaans onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd die kunnen oplopen tot 18 maanden. De verdachte vervulde echter een kleinere rol in het geheel als medeplichtige, waardoor voornoemd uitgangspunt met een derde moet worden verminderd. Als uitgangspunt kan dan ook een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden worden genomen. Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies dat op 19 januari 2026 is opgesteld. De reclassering adviseert om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en een contactverbod met de mededaders. De raadsvrouw heeft om strafvermindering verzocht omdat de redelijke termijn voor berechting is overschreden. De rechtbank overweegt dat in artikel 6 EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moest zijn afgerond met een eindvonnis binnen vierentwintig maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak in beginsel een eindvonnis gereed had moeten zijn op 8 maart 2025. De redelijke termijn is dus overschreden met meer dan tien maanden. Deze termijn-overschrijding is niet aan de verdediging te wijten en de rechtbank zal deze overschrijding verdisconteren in de op te leggen straf. Waar de rechtbank zonder termijnoverschrijding een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf had opgelegd van tussen de 10 en 12 maanden, zal nu volstaan worden met een lagere, deels voorwaardelijke, gevangenisstraf. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet meer terug hoeft naar de gevangenis, maar is ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Niet alleen aan de verdachte, maar ook aan de maatschappij, moet duidelijk worden gemaakt dat deze vorm van ernstige criminaliteit, ook als men een kleinere rol als medeplichtige vervult, niet wordt geaccepteerd en zwaar wordt bestraft. Om die reden zal de rechtbank naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf ook de hoogst mogelijke taakstraf opleggen. Alles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 151 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, waarbij de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf in mindering wordt gebracht. Daarnaast wordt aan de verdachte opgelegd een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De rechtbank acht het verbinden van bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel niet meer opportuun en zal op dat punt afwijken van de eis van de officier van justitie. Dit is gelegen in het feit dat de verdachte al meer dan 2,5 jaar is onderworpen aan schorsingsvoorwaarden in het kader van de geschorste voorlopige hechtenis en niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie. 7De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de schade-vergoedingsmaatregel (feit 3 subsidiair) De benadeelde partij vordert een bedrag van € 10.000,- aan materiële schadevergoeding, bestaande uit het geldbedrag uit het gestolen geldkistje. De verzekering van de benadeelde heeft een bedrag van € 1.250,- vergoed, zodat thans nog € 8.750,- wordt gevorderd. De benadeelde vordert tevens vermeerdering van de vergoeding met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De bijlagen van het voegingsformulier bestaan uit geldopnames die maanden vóór het tenlastegelegde feit hebben plaatsgevonden, maar daarmee is niet aangetoond dat daadwerkelijk € 10.000,- in het geldkistje heeft gezeten. Het is goed denkbaar dat tussen de geldopnames en het ten laste gelegde feit door de benadeelde geld uit het kistje is genomen. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag moet worden gehalveerd, omdat de verdachte medeplichtig is geweest en niet aansprakelijk kan worden gesteld voor het hele schadebedrag. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de vordering geheel kan worden toegewezen met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft bij de aangifte te kennen gegeven dat er € 10.000,- is weggenomen en heeft aan de hand van de bijlagen in het voegingsformulier voldoende aangetoond waaruit dat geldbedrag bestond. Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat het kan dat tussen de geldopnames en het ten laste gelegde feit door benadeelde geld uit het kistje is genomen, is de rechtbank van oordeel dat dit onvoldoende is onderbouwd. Dat de verdachte medeplichtig is geweest en een kleinere rol vervulde in het geheel, staat toewijzing van het gehele gevorderde bedrag niet in de weg. De verdachte heeft een bijdrage geleverd aan het strafbare feit en is daardoor naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de geleden schade. Het is vervolgens aan verdachte en [medeverdachte 2] om eventueel de onderlinge draagplicht vast te stellen. De benadeelde partij staat daar verder buiten en kan elk van hen aanspreken voor het volledige bedrag. 7.2 De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 4 subsidiair) De benadeelde partij heeft een vordering ingediend, maar op het voegingsformulier zijn geen bedragen ingevuld. In de beschrijving van het voegingsformulier staat weergegeven dat een nieuw geldkistje € 22,- kost. Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Het oordeel van de rechtbank Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Deze onderbouwing is noodzakelijk en nader onderzoek hiernaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 48, 57 en artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht. 9De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van de onder feit 1 tot en met 6 primair ten laste gelegde feiten; Bewezenverklaring verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte voor de onder feit 1 tot en met 6 subsidiair bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 151 dagen voorwaardelijk; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; veroordeelt de verdachte voor de onder feit 1 tot en met 6 subsidiair bewezen verklaarde feiten tot een taakstraf voor de duur van 240 uren; beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen; Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 3 subsidiair) : wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte, hoofdelijk, tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 1] , van een bedrag van € 8.750,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader [medeverdachte 2] is betaald; legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 1] van een bedrag van € 8.750,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 68 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen; bepaalt dat voor zover dit bedrag door mededader [medeverdachte 2] is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen; Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 4 subsidiair): bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil; Voorlopige hechtenis - heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Dit vonnis is gewezen door mr. M. el Jerrari, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.P. Huntjens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 februari 2026. Buiten staat: Mr. Bax is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat T.a.v. feit 1: hij, op of omstreeks 8 maart 2023 in de gemeente Vaals tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, een portemonnee (met inhoud) en een juwelendoos (met inhoud), in elk geval enig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.