← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2026:1539

RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 11881029 CV EXPL 25-3700 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van [eisende partij] B.V., te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: [persoon] , tegen [gedaagde partij] , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , procederend in persoon. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord- de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen inhoudende dat [eisende partij] in opdracht van [gedaagde partij] incassowerkzaamheden verricht. 2.
  4. [gedaagde partij] heeft bij emailbericht van 31 mei 2022 aangegeven, dat hij als verhuurder te maken heeft met een huurder die een huurachterstand van € 4.038,89 heeft laten ontstaan en overlast veroorzaakt, en daarom de huurovereenkomst wil laten ontbinden. 2.
  5. Op 1 juni 2022 heeft [eisende partij] het dossier aangemaakt en een opdrachtbevestiging aan [gedaagde partij] verzonden. Daarbij is [gedaagde partij] verzocht aan te geven hoe de huurachterstand is opgebouwd. 2.
  6. Op 1 juni 2022 geeft [eisende partij] aan dat er geen sprake is van “no cure no pay” (zoals [gedaagde partij] in een reactie eerder die dag veronderstelt) en is [gedaagde partij] verzocht de algemene voorwaarden te accorderen. 2.
  7. Op 2 juni 2022 heeft [gedaagde partij] aangegeven dat de hoofdsom niet € 4.038,89 maar € 6.438,89 is. Die dag zijn tevens de algemene voorwaarden door [gedaagde partij] geaccordeerd. 2.5.
  8. In die algemene voorwaarden is onder meer opgenomen:
  9. Tarieven 5.2 Het AGIN-kantoor heeft het recht de haar volgens de tarieven toekomende vergoeding, ook aan de opdrachtgever in rekening te brengen, indien de opdrachtgever met de schuldenaar een regeling of een schikking treft, de opdracht tot incasso intrekt of het AGIN-kantoor ondanks herinnering zonder bericht laat. Deze gevallen worden voor de berekening van haar vergoeding dan gelijk gesteld met het geheel geïncasseerd hebben van de vordering. 12Incassoprovisie 12.1 De incassoprovisie wordt berekend over het geïncasseerde bedrag volgens onderstaande staffel. Bij zaken waarin niets is geïncasseerd en zaken waarbij een bedrag van € 266,60 of minder is geïncasseerd, brengt het AGIN-kantoor de cliënt een minimumbedrag van € 40,00 aan incassoprovisie in rekening, behoudens indien zich een situatie voordoet als genoemd in artikel 5.2, in welk geval onderstaande tarieventabel (geïncasseerd) van toepassing is. Voor zaken waarin meer dan € 266,60 is geïncasseerd, wordt onderstaande incassoprovisie cumulatief in rekening gebracht, met dien verstande dat een afwijkend tarief in rekening gebracht kan worden als de rechtsbetrekking tussen schuldeiser en schuldenaar dit mogelijk maakt en voor het innen van alimentatie en daaraan verwante vorderingen, waarvoor een incassoprovisie met 15% met een minimum van 75,00 geldt. Ontvangst incassoprovisie (% van ontvangst) € 2.500,- of minder 15% (minimum 40,-) Meer dan € 2.500,- tarief volgens voorgaande schijf + 10% t/m € 5.000,- (…) 2.
  10. Op 2 juni 2022 heeft [eisende partij] aan de betreffende huurder een brief verzonden, waarbij de huurder in de gelegenheid is gesteld om binnen veertien dagen € 6.438,89 te betalen en waarbij incassokosten zijn aangezegd (de zogeheten veertiendagenbrief). 2.
  11. Op 9 juni 2022 heeft [gedaagde partij] [eisende partij] verzocht om het proces te versnellen, waarop [eisende partij] heeft aangegeven dat de termijn gegeven in de veertiendagenbrief moet worden afgewacht. 2.
  12. Een maand later, op 7 juli 2022, heeft [gedaagde partij] [eisende partij] verzocht om alles “op pauze” te zetten. 2.
  13. [eisende partij] heeft het dossier op verzoek van [gedaagde partij] aangehouden. De aanhouding heeft uiteindelijk bijna 2,5 jaar geduurd. In de tussentijd hebben partijen over en weer diverse mails uitgewisseld over de stand van zaken. 2.
  14. Bij emailbericht van 22 februari 2025 heeft [gedaagde partij] meegedeeld: In de zaak (…) is de schuldenopbouw niet correct en zodoende de vordering niet juist. Bij de opbouw van de schuld zijn 3 contante betalingen niet meegeteld (zie bijlage) en is voor 2021 de vordering ad € 2593,37 ook gezien de huidige nieuwe regels omtrent huurbepaling en doorbelasting niet juist. Zodoende blijft van de oorspronkelijke vordering van € 6438,89 minus € 3600 contant en € 2593,37 nog € 245,52 over. Zodoende trek ik de restantvordering ad € 245,52 hierbij terug. 2.
  15. [eisende partij] heeft hierop het dossier gesloten en aan [gedaagde partij] op 25 februari 2025 een afrekennota verzonden. Hierin staat onder meer vermeld: Reden van afsluiting: conform Uw verzoek wegens door Uzelf getroffen regeling of door U ontvangen betaling. Wij beschouwen derhalve de vordering als geheel geïncasseerd. Door debiteur dient te worden betaald: hoofdsom t/m 31 mei 2025 6438,89 incassokosten 843,30 Totaal ontvangen: 0,00 De kosten bedragen: Honorarium 843,30 2.
  16. Op 25 februari 2025 geeft [gedaagde partij] aan dat de schuld niet is “geïncasseerd”. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat [eisende partij] enkel incassokosten mag berekenen over de “correcte schuld”. 2.
  17. Op 27 februari 2025 heeft [eisende partij] aangegeven [gedaagde partij] – enkel uit coulance – in zoverre tegemoet te komen dat de kosten worden berekend over de oorspronkelijk aangeleverde hoofdsom van € 4.038,89, met een bijbehorend lager honorarium van € (528,89 excl. btw en) 639,96 incl. btw. 2.
  18. Bij factuur van 27 februari 2025 is daarom een bedrag van € 639,96 in rekening gebracht. Dit bedrag is ondanks sommatie onbetaald gebleven. 3Het geschil 3.
  19. [eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 753,62 (waarvan € 639,96 aan hoofdsom, € 95,99 aan incassokosten en € 17,67 aan rente), vermeerderd met rente en kosten. 3.
  20. [eisende partij] legt daaraan ten grondslag dat [eisende partij] in opdracht en voor rekening van [gedaagde partij] werkzaamheden heeft verricht. Omdat [gedaagde partij] de opdracht introk, welk geval geheel gelijk wordt gesteld met het geheel geïncasseerd hebben van de vordering, krijgt [gedaagde partij] de incassokosten zelf in rekening gebracht (artikel 5.2 algemene voorwaarden). 3.
  21. [gedaagde partij] voert verweer. Hij stelt dat de vordering niet is geïncasseerd. [gedaagde partij] acht het in rekening gebrachte loon buitensporig hoog en ook anderszins niet redelijk. Ook de berekening an sich en de vermeerdering met buitengerechtelijke incassokosten acht [gedaagde partij] niet correct. 3.
  22. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling De zaak in het kort 4.
  23. Uit het verweer van [gedaagde partij] begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde partij] de vordering om twee redenen niet wil betalen: - hij heeft de vordering niet geïnd, maar afgezien van incasso omdat de oorspronkelijke vordering niet correct was, - [eisende partij] rekent een te hoog bedrag omdat zij volgens [gedaagde partij] slechts € 528,89 in rekening mag brengen. 4.
  24. De kantonrechter is van oordeel dat beide verweren niet opgaan. Op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden geldt ook een ingetrokken vordering als een geëinde vordering en is [gedaagde partij] een vergoeding verschuldigd voor de verrichte werkzaamheden. Het tarief is wel juist berekend, omdat [eisende partij] op hetzelfde bedrag uitkomt als [gedaagde partij] , maar [gedaagde partij] (kennelijk) niet heeft opgemerkt dat daarover nog btw in rekening is gebracht, hetgeen [eisende partij] uiteraard mocht doen. Hieronder zal de kantonrechter nader uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen. de algemene voorwaarden zijn van toepassing 4.
  25. Niet is in geschil dat op de overeenkomst de algemene voorwaarden van toepassing zijn. De vordering is gebaseerd op artikel 5.2 en dit verklaart op zich waarom in de factuur vermeld staat dat de vordering is “geïncasseerd”. De situatie waarin de opdrachtgever de opdracht intrekt, wordt immers hiermee gelijkgesteld. [gedaagde partij] stelt wel dat hij de incasso-opdracht niet heeft ingetrokken, maar slechts heeft laten weten dat het aanvankelijk door hem genoemde bedrag niet juist was, maar deze stelling wordt gepasseerd. In zijn e-mail van 22 februari 2025 staat letterlijk dat hij de (restant)vordering van € 245,52 terugtrekt. 4.
  26. Het thans door [eisende partij] gevorderde bedrag is overeenkomstig artikel 5.2 juncto artikel 12.1 van de algemene voorwaarden berekend over het aanvankelijk opgegeven bedrag van € 4.038,89, vermeerderd met 21% btw. De vordering is gebaseerd op de door [gedaagde partij] zelf aangereikte gegevens. Dat [gedaagde partij] tweeënhalf jaar ná het verstrekken van de opdracht, ineens meldt dat de vordering eigenlijk maar € 245,52 was, komt uiteraard voor zijn rekening en risico. Dit kan [eisende partij] niet worden tegengeworpen. Overigens zet [eisende partij] ernstige twijfels bij de - niet meer dan blote - stelling dat de vordering lager had moeten zijn, maar dit terzijde. [eisende partij] mocht over het aanvankelijk door [gedaagde partij] aangemelde bedrag, waarvoor zij ook incassowerkzaamheden heeft verricht, de vergoeding voor haar werkzaamheden berekenen en deze vergoeding ook in rekening brengen. ambtshalve onderzoek of consumentenrecht van toepassing is 4.
  27. De vraag die zich opdringt is of [gedaagde partij] als consument heeft gehandeld. [gedaagde partij] heeft dit immers bij conclusie van antwoord als blote stelling gedeponeerd. Het dossier biedt echter voldoende aanwijzingen voor het tegendeel. In de eerste mail van [gedaagde partij] aan [eisende partij] schrijft hij immers dat de huurder tegen wie hij incassomaatregelen wil treffen, woont in een pand met meerdere (vier) appartementen en dat hij als verhuurder het voorschot energie voor het gehele pand betaalt. Daaruit volgt dat [gedaagde partij] zich bezig houdt met de bedrijfsmatige verhuur van woningen en in die hoedanigheid de overeenkomst is aangegaan. 4.
  28. De omstandigheid dat [eisende partij] bij repliek niet heeft weersproken dat [gedaagde partij] als consument zou hebben gehandeld, maakt het vorenstaande niet anders. De kantonrechter dient zelf vast te stellen of [gedaagde partij] als consument moet worden aangemerkt en is hierbij niet gebonden aan de kwalificatie die partijen daaraan geven. Nu er voldoende aanwijzingen zijn dat [gedaagde partij] zich bezighoudt met het bedrijfsmatig verhuren van appartementen en [gedaagde partij] zelf niet heeft onderbouwd waarom hij desondanks de overeenkomst als consument zou zijn aangegaan, is hij niet als consument aan te merken. 4.
  29. Een ambtshalve toets van het beding - waarop ten aanzien van een consument wellicht wel het nodige op zou zijn af te dingen - is daarmee hier niet aan de orde. Conclusie 4.
  30. Gezien het vorenstaande is de vordering van [eisende partij] om [gedaagde partij] te veroordelen tot het betalen van de hoofdsom van € 639,96 toewijsbaar. 4.
  31. De door [eisende partij] gevorderde rente vanaf datum verzuim, berekend tot en met 28 augustus 2025 op een bedrag van € 17,67, zal worden toegewezen. Kennelijk is [eisende partij] voor de berekening van dit bedrag van de wettelijke rente uitgegaan en niet van de wettelijke handelsrente. 4.
  32. De vermeerdering van de hoofdsom met de wettelijke handelsrente vanaf datum dagvaarding, is niet betwist en daarmee eveneens toewijsbaar. Omdat [gedaagde partij] heeft gehandeld in het kader van zijn bedrijf, is hij de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW verschuldigd. Voor zover de vordering strekt tot vergoeding van rente over de al berekende rente van € 17,67, wordt die vordering afgewezen. Alleen over achterstallige rente die over een vol jaar verschuldigd is, wordt opnieuw rente in rekening gebracht. Dat houdt in dat de rente op rente per 1 januari 2026 verschuldigd is. De kantonrechter zal dan ook de rente over rente pas vanaf 1 januari 2026 toewijzen. 4.
  33. [eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisende partij] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 95,99 worden toegewezen. De over deze som gevorderde wettelijke handelsrente is hier niet toewijsbaar en zal worden afgewezen. In plaats daarvan zal de wettelijke rente worden toegewezen. 4.
  34. [gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 120,78 - griffierecht € 340,00 - salaris gemachtigde € 288,00 (2 punten × € 144,00) - nakosten € 72,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 820,78 5De beslissing De kantonrechter 5.
  35. veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen: - € 639,96 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van de dag van dagvaarding (8 september 2025), tot de dag van volledige betaling, - € 17,67 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van 1 januari 2026 tot de dag van volledige betaling; - € 95,99 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding (8 september 2025), tot de dag van volledige betaling, 5.
  36. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 820,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
  37. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  38. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 18 februari
  39. Zie onder 2.10 15% over € 2.500,00 + 10% over € 1.538,89 = € 528,89 x 21% = € 639,96

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.