← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2026:1655

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03.225015.25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, thans gedetineerd in P.I. Grave te Grave. De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 februari 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1: in de periode van medio oktober 2024 tot en met 9 september 2025 in de gemeente Venlo samen met (een) ander(

  1. en)heeft gehandeld in cocaïne; Feit 2: op 9 september 2025 in de gemeente Venlo samen met (een) ander(
  2. en)opzettelijk aanwezig heeft gehad 211,4 gram cocaïne. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. De verdachte dient onder feit 2 partieel te worden vrijgesproken van medeplegen. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat wel sprake is van medeplegen. De verdachte heeft namelijk verklaard dat hij de aangetroffen cocaïne voor iemand anders moest bewaren. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1 Bewijs De rechtbank acht bewezen dat de verdachte in de periode van medio oktober 2024 tot en met 9 september 2025 samen met een ander heeft gehandeld in cocaïne. Omdat de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten: - de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting; - het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het onderzoek aan de bij de verdachte aangetroffen Iphone 7 en Iphone 12 mini; - het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het onderzoek aan de bij de verdachte aangetroffen rode Iphone; - het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het onderzoek aan de bij de verdachte aangetroffen zwarte Iphone; - het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het onderzoek aan de bij de verdachte aangetroffen zilverkleurige Iphone. Feit 2 Bewijs De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 9 september 2025 opzettelijk 210,91 gram (bruto) cocaïne aanwezig heeft gehad. Omdat de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen integrale vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten: - de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting; - het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het aantreffen en de inbeslagname van twee plastic zakjes met wit poeder; - het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, inhoudende monsternames van de twee plastic zakjes met een totaal bruto gewicht van 210,91 gram; - het rapport van het NFI, inhoudende de conclusie dat de monsters cocaïne bevatten. Partiële vrijspraakoverweging Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van medeplegen. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij de aangetroffen cocaïne voor iemand anders moest bewaren niet aannemelijk. Deze verklaring vindt namelijk geen steun in het dossier. Het dossier bevat daarentegen wel aanwijzingen dat de verdachte zijn eigen voorraad cocaïne op verschillende plekken bewaarde. Deze aanwijzingen bestaan uit de TCI-melding dat hij daarvoor ‘beïnvloedbare meisjes’ gebruikt, uit de berichten in één van zijn telefoons over dames en adressen en uit de vondst van persoonlijke documenten van de verdachte bij twee van deze dames op twee van die adressen. Voor zover de opsteller van de tenlastelegging met ‘een ander’ ook het oog heeft gehad op de (ex-)vriendin van de verdachte – die tijdens de vondst op het betreffende adres stond ingeschreven – constateert de rechtbank nog dat de woning destijds onbewoond leek. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de verdachte de aangetroffen cocaïne alleen voor zichzelf heeft bewaard. Dat betekent dat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel zal worden vrijgesproken. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte T.a.v. feit 1 in de periode van medio oktober 2024 tot en met 9 september 2025, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; T.a.v. feit 2 op 9 september 2025 in de gemeente Venlo, opzettelijk aanwezig heeft gehad 210,91 gram (bruto) cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: T.a.v. feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; T.a.v. feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De straf en/of de maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gelet op het reclasseringsadvies gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het reclasseringsadvies d.d. 21 januari 2026. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd zich te kunnen verenigen met een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden bestaande uit een onvoorwaardelijk en een voorwaardelijk strafdeel. De raadsman heeft hierbij verzocht het onvoorwaardelijke strafdeel gelijk te stellen aan de duur van het voorarrest (van ongeveer vijfenhalve maand), zodat de verdachte het onvoorwaardelijke strafdeel bij eindvonnis al heeft uitgezeten. Dat vindt de raadsman passend gelet op het reclasseringsadvies en de goed bedoelde proceshouding van de verdachte. Wat de raadsman betreft zou daarnaast nog een forse taakstraf kunnen worden opgelegd, terwijl dat bij de eis van de officier van justitie wettelijk niet mogelijk is. De raadsman heeft verder aangevoerd dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan de proeftijd kunnen worden verbonden. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer 11 maanden schuldig gemaakt aan het medeplegen van de handel in cocaïne. De verdachte heeft verklaard dat hij hiermee is begonnen vanwege zijn schulden. De verdachte zou van een persoon geld hebben geleend om zijn schulden af te lossen en die persoon heeft hem overgehaald om in cocaïne te gaan handelen. De verdachte heeft verder verklaard dat hij door die persoon werd aangestuurd (en daarbij soms op zijn beurt weer iemand moest aansturen) en dat hij alle beslissingen over de handel (zoals welke prijzen moesten worden gehanteerd en of ‘acties’ mochten worden verlengd) aan die persoon moest voorleggen. De verdachte heeft zich in die zin dus als een ‘kleine jongen’ gepresenteerd. Naar het oordeel van de rechtbank strookt dit beeld echter niet met het beeld van de verdachte dat uit de diverse chatgesprekken in het dossier naar voren komt. Daaruit volgt namelijk dat de verdachte zelfstandig beslissingen over de handel en de daarbij te hanteren prijzen nam. Het dossier bevat überhaupt geen aanknopingspunten voor de verklaring van de verdachte dat die andere persoon bestaat, terwijl daarin berichten zijn opgenomen uit maar liefst vijf telefoons die de verdachte gebruikte om over zijn drugshandel te communiceren. Het dossier bevat bovendien verschillende aanwijzingen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de woningen van diverse vrouwen om zijn voorraad cocaïne bij op te slaan, terwijl de verdachte dit op de zitting heeft ontkend met alternatieve verklaringen voor belastende berichten die de rechtbank niet geloofwaardig vindt. Gelet hierop constateert de rechtbank dat de verdachte geen volledige openheid van zaken heeft gegeven, hoewel de verdachte wel gedeeltelijke verantwoordelijkheid voor de feiten heeft genomen door deze te bekennen. Het is algemeen bekend dat de handel in cocaïne gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. Daarnaast kan het gebruik van cocaïne tot ernstige schadelijke gevolgen voor de gebruikers daarvan leiden. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de handel in cocaïne en deze gevolgen. De rechtbank rekent het de verdachte ook aan dat hij na zijn eerste aanhouding op 23 juni 2025 toch weer is doorgegaan met de handel in cocaïne en daar pas mee is gestopt toen hij in voorarrest werd genomen. Uit het strafblad van de verdachte van 30 december 2025 volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De verdachte is wel eerder met politie en justitie in aanraking geweest en liep ten tijde van het bewezenverklaarde nog in een proeftijd, omdat hij in de tenlastegelegde periode is veroordeeld voor huiselijk geweld. De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies van 21 januari 2026, waarin staat dat de verdachte al langere tijd financiële problemen heeft. Bij eerdere justitiecontacten waren psychische klachten en overmatig alcoholgebruik onderliggend. Met name de gemoedstoestand van de verdachte, waarin een antisociale tendens naar voren komt, lijkt onderliggend geweest te zijn ten tijde van het huidige ten laste gelegde. Gezien zijn keuze voor hernieuwd delictgedrag, hij bekend is met de gevolgen daarvan en ogenschijnlijk alternatieven had, ziet de reclassering het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte als belangrijkste criminogene factoren. Daarnaast heeft de verdachte op dit moment ook problemen op diverse andere praktische leefgebieden zoals wonen en werken. De verdachte heeft hier inmiddels hulp bij van de uitkerende instantie, een bewindvoerder, zijn familie en zijn vriendin. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld en adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, dagbesteding, aflossing van schulden en beheersing van middelengebruik. De reclassering baseert haar advies op het delictscenario van de verdachte. De rechtbank baseert de straftoemeting op een ander delictscenario – zoals hierboven is toegelicht – en schat het recidiverisico daarom hoger in. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook een voorwaardelijk deel van wezenlijk belang is, nu er op die manier een stok achter de deur is om de verdachte er van te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen. Dit geldt temeer nu de financiële problemen van de verdachte nog niet zijn opgelost en de verdachte heeft verklaard dat hij vanwege zijn schulden in cocaïne is gaan handelen. In deze financiële problemen ziet de rechtbank daarom een groot risico voor recidive. De combinatie met het gegeven dat hij door bleef handelen na een tussentijdse veroordeling in een andere zaak en na een tussentijdse aanhouding in deze zaak, maakt dat de rechtbank een proeftijd voor de duur van 3 jaren passend acht. De rechtbank heeft acht geslagen op het Oriëntatiepunt voor straftoemeting van het LOVS bij het handelen in cocaïne gedurende een periode van 11 maanden. Het uitgangspunt is dat dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden wordt opgelegd. Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het reclasseringsadvies d.d. 21 januari 2026. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering. 7Het beslag Tijdens het politieonderzoek zijn de voorwerpen genoemd op de beslaglijst d.d. 30 december 2025 in beslag genomen. De rechtbank zal de drie telefoons en het geld zoals opgesomd op deze beslaglijst verbeurd verklaren. Deze voorwerpen behoren aan de verdachte toe. Met behulp van de telefoons heeft de verdachte de feiten begaan en het geldbedrag ziet de rechtbank als baten uit de feiten. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 zijn omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen: de veroordeelde zal zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt, waarbij de reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn en de veroordeelde zich voor de eerste afspraak binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan moet melden bij Reclassering Nederland, locatie Venlo, [Straat] (telefoonnummer: [telefoonnummer] ); de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd laten behandelen (gericht op psychische problematiek, cognitieve - en sociale vaardigheden en/of andere problematiek) door een forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt, waarbij de zorgverlener de wijze van behandeling bepaalt en onderdeel van de behandeling kan zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken; de veroordeelde zal zich inspannen voor het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding met een vaste structuur die bijdraagt aan het voorkomen van delictgedrag; e veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en verder geeft de veroordeelde de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden; de veroordeelde zal meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol, waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd; geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; Beslag - verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen: 3 STK GSM (G1837322, G1837325 en G1837396); 1.320,00 EUR Geld (G1837328). Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Vijn, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. N.P.J. van de Pasch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Bongers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2026. Buiten staat Mr. Van de Pasch is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat T.a.v. feit 1: hij, in of omstreeks de periode van medio oktober 2024 tot en met 9 september 2025, in de gemeente Venlo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van het materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; T.a.v. feit 2: hij, op of omstreeks 9 september 2025 in de gemeente Venlo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 211,4 gram (bruto) cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025153081-3, gesloten d.d. 19 november 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 559. De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 3 februari 2026. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 10 september 2025, pg. 17. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 18 september 2025, pg. 308-313. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 18 september 2025, pg. 315-320. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 18 september 2025, pg. 323-325. De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 3 februari 2026. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 9 september 2025, pg 279. Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] d.d. 21 oktober 2025, pg. 282-283. Het rapport van het NFI d.d. 17 oktober 2025, pg. 284-285.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.