RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/344595 / HA ZA 25-361 Vonnis van 25 februari 2026 in de zaak van 1 [eisende partij 1] , te [plaats] ,
- [eisende partij 2] BV, te [plaats] , eisende partijen, advocaat: mr. G.J.J.A. van Zeijl, tegen GEMEENTE SITTARD-GELEEN, te Sittard, gedaagde partij, advocaat: mr. L.L.M.A.A. de Vor. Partijen zullen hierna [eisende partij 1] , [eisende partij 2] en de Gemeente worden genoemd. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 t/m 14- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 10 - de mondelinge behandeling van 13 januari 2026 ter gelegenheid waarvan door beide partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [eisende partij 1] woont in de woning, staande en gelegen aan [adres] . Op datzelfde adres is [eisende partij 2] gevestigd. 2.
- Op 1 maart 2018 hebben inwoners van [straat] zich tot de Gemeente gewend met het verzoek de verkeersveiligheid te verbeteren in en rondom [straat] . Na gesprekken en onderzoek heeft de Gemeente in 2020 het project Herinrichting [straat] geïntroduceerd. De weg [straat] zou worden vernieuwd en heringericht met verkeersremmende maatregelen, klinkers en parkeervakken. Daarnaast zou de riolering worden vervangen met als doel de wateroverlast bij zware buien aan te pakken. 2.
- De Gemeente heeft haar plannen rondom het project steeds met de buurtbewoners gedeeld, onder meer door de ontwerptekeningen online te publiceren en op te hangen tegen de zijwand van [huis] ( [huisnummer 1] ). [eisende partij 1] heeft in 2021 kennisgenomen van de opgehangen tekeningen en de plannen van de Gemeente. 2.
- [eisende partij 1] heeft vervolgens contact opgenomen met de Gemeente en zijn zorgen geuit over de gevolgen van de plannen voor de bereikbaarheid van zijn oprit. 2.
- Naar aanleiding van de contacten tussen [eisende partij 1] en de Gemeente heeft [naam 1] (hierna: [naam 1] ) namens de Gemeente op 4 mei 2021 naar [eisende partij 1] gemaild, waarbij de vetgedrukte tekst het antwoord van [naam 1] is op de door [eisende partij 1] gestelde vragen (niet vetgedrukte tekst): “Spijtig genoeg heb ik nog altijd geen enkele reactie uwerzijds mogen ontvangen. Hieraan toevoegend. • De ingetekende inrit is smaller dan de inrit van [huisnummer 2] (zie bijlage 1). Waarom? Op [huisnummer 3] zijn bedrijfsactiviteiten gevestigd zoals u, normalerwijze heeft getoetst, de smalle ingetekende inrit leidt tot onnodige verkeershinder en manoeuvreren tijdens de verkeerbewegingen gericht aan [huisnummer 3] . Uw inrit is verbreed van 5 naar 7 m1 en hierdoor ruim genoeg om te manoeuvreren. • Waarom komt de 3D impressie niet overeen met de tekening (bijlage 2)? Hierop heeft u de parkeerstrook aan [huisnummer 4] getekend, hetgeen ook wenselijk is. Graag verheldering. Op de [website] kunt u de juiste impressie zien. Deze komt ook overeen met de daar gepubliceerde tekening. Het ontwerp is aangepast in verband met de parkeerbehoefte, daaruit is gebleken dat er meer parkeerplaatsen nodig zijn. We hebben een nieuwe indeling gemaakt om aan de parkeerbehoefte te voldoen. De parkeerplaatsen zijn beschikbaar voor iedereen die daar wil parkeren. • Een en ander is destijds op locatie voorbesproken met de heer [naam 2] , gezien hier klaarblijkelijk niets mee gedaan is, wie neemt zijn taken over als contactpersoon? Dat is ondergetekende. • Graag een duidelijke breedtemaatvoering aangeven van de inrit zoals hieronder gevraagd. Dit betreft 7 meter .” 2.
- De ontwerptekeningen zijn hierop aangepast. In de oude situatie was ter hoogte van de oprit van [eisende partij 1] en van de oprit van zijn buren een aflopende stoep ingetekend en tussen de twee opritten een verhoogde stoep. In het nieuwe ontwerp is de verlaagde stoep doorgetrokken. Zie hieronder links de oude situatieschets en rechts de nieuwe situatieschets (pagina’s 6 en 8 van de conclusie van antwoord, producties 5 en 6 bij conclusie van antwoord). [afbeeldingen geanonimiseerd] Oud Nieuw 2.
- De herinrichtingswerkzaamheden ter hoogte van het perceel op [huisnummer 3] zijn in april en mei 2023 uitgevoerd. Tijdens de herinrichtingswerkzaamheden heeft [eisende partij 1] bij de uitvoerder geklaagd over de kwartbochtband (verhoogde stoeprand) rondom de boom (zie groene gedeelte op afbeelding hierboven). Dit heeft er bij de uitvoering toe geleid dat de linker kwartbochtband ter hoogte van de oprit van [eisende partij 1] verder naar links is gelegd, zodat de inritbreedte in één lijn ligt met de doorrijbreedte van de oprit. 2.
- [eisende partij 1] heeft bij mails van 9 en 16 mei 2023 bij de Gemeente geklaagd en aangegeven dat de Gemeente zich niet aan de gemaakte afspraken zou houden. Partijen hebben op 25 april 2025 ter plaatse een meting verricht. Uit de meting volgt dat de inrit, gemeten vanaf de rechter perceelsgrens tot aan de kwartbochtband 7,1 meter bedraagt. 3Het geschil 3.
- [eisende partij 1] en [eisende partij 2] vorderen – samengevat – een verklaring voor recht dat de Gemeente toerekenbaar tekort is geschoten althans onrechtmatig heeft gehandeld door geen inrit (doorgang) te (doen) realiseren met een minimale breedte van zeven meter, gemeten vanuit het midden van de oprit van het perceel aan [adres] . Daarnaast vorderen [eisende partij 1] en [eisende partij 2] dat de Gemeente wordt veroordeeld om binnen één maand de inrichting aan de [straat] te [plaats] zodanig te (doen) wijzigen dat alsnog een inrit (doorgang) met een minimale breedte van zeven meter ontstaat. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] vorderen dat de rechtbank aan deze veroordeling een dwangsom verbindt van € 500,00 per dag dat de Gemeente niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 50.000,
- Tot slot vorderen [eisende partij 1] en [eisende partij 2] dat de Gemeente wordt veroordeeld in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.
- De Gemeente voert verweer. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- [eisende partij 1] stelt dat de Gemeente haar toezegging om een inrit van 7 meter te realiseren niet is nagekomen. Volgens [eisende partij 1] houdt een redelijke uitleg van de gemaakte afspraken in, dat bedoelde 7 meter moet worden gemeten vanuit het midden van zijn oprit, zodat naar rechts en links een afstand van 3,50 meter had moeten worden gerealiseerd. Nu is een inrit van 7 meter, gemeten vanaf de erfgrens, gerealiseerd, zodat de afstand vanuit het midden van de oprit naar de kwartbochtband (links) minder is dan 3,50 meter. Feitelijk houdt dit in dat de inrit ongeveer één meter naar links verplaatst zou moeten worden althans verbreed moet worden, aldus [eisende partij 1] . 4.
- De Gemeente betwist dat sprake is van een toezegging. Voor zover al sprake zou zijn van een toezegging, voert de gemeente aan dat zij die toezegging ook is nagekomen, nu tussen partijen niet ter discussie staat dat ter hoogte van het perceel van [eisende partij 1] een inrit van meer dan 7 meter is gerealiseerd. De Gemeente wijst erop dat zij de inrit heeft gerealiseerd volgens de ontwerpplannen die zij destijds aan de buurt heeft gecommuniceerd. 4.
- Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een toezegging aan de zijde van de Gemeente die zij niet zou zijn nagekomen, omdat de Gemeente een inrit van 7 meter heeft aangekondigd en heeft gerealiseerd. Voor zover dus sprake zou zijn van een toezegging, moet de vordering reeds op die grond worden afgewezen. Daarvoor is het volgende redengevend. 4.
- De gestelde toezegging houdt in “Uw inrit is verbreed van 5 naar 7 m1 en hierdoor ruim genoeg om te manoeuvreren.” en is door de Gemeente nader uitgewerkt in de ontwerptekeningen die zij met de buurt, waaronder [eisende partij 1] , heeft gedeeld. Vaststaat dat er een inrit is gerealiseerd van meer dan 7 meter, terwijl de geciteerde tekst geen aanknopingspunt biedt voor de stelling van [eisende partij 1] dat de betrokken 7 meter gemeten moeten worden vanaf het midden van de oprit op zijn perceel. Nu [eisende partij 1] zich op het rechtsgevolg beroept, rust op hem de stelplicht en bij betwisting de bewijslast van zijn stellingen (artikel 150 Rv). [eisende partij 1] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit hij had mogen afleiden dat de gemeente de aangekondigde inrit van 7 meter anders zou hebben bedoeld dan de wijze waarop deze inrit thans is gerealiseerd. Dat klemt temeer nu de Gemeente in haar e-mail wijst op de plannen, die [eisende partij 1] ook had kunnen inzien, waarin de uitwerking van de inrit volgens de interpretatie van de Gemeente blijkt. Daarmee heeft [eisende partij 1] niet aan zijn stelplicht voldaan, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. 4.
- Reeds op die grond is van het niet nakomen van de beweerde toezegging geen sprake. Daarmee ontvalt de grondslag van al het gevorderde, zodat de vordering integraal voor afwijzing gereed ligt. De overige geschilpunten die partijen verdeeld houden, behoeven dan ook geen bespreking meer. Proceskosten 4.
- [eisende partij 1] en [eisende partij 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op: - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.120,00 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.
- De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. 5De beslissing De rechtbank 5.
- wijst de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] af, 5.
- veroordeelt [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij 1] en [eisende partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- veroordeelt [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.
- verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. dr. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.