Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2026:1852
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 24/2880 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, gevestigd in [vestigingsplaats] , (gemachtigden: mr. M. Stultiens en mr. L. Pronk), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, het college (gemachtigden: mr. J.R.P. Lamers, mr. R.C.H. Schrömbges en J.D. Oegema).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] , [derde-partij 2] en [derde-partij 3] , uit [woonplaats] , (gemachtigde: mr. C.R. Jansen).
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen (dichtzetten) van een overkapping (hierna ook aangeduid als de opslagloods) aan de [adres 1] in [plaats] . Eiseres is niet eens met deze weigering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
Procesverloop 3. Met het besluit van 26 oktober 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen (dichtzetten) van een overkapping. Met het bestreden besluit van 28 maart 2024 op het bezwaar van de derde-partij heeft het college de omgevingsvergunning herroepen en de aanvraag alsnog geweigerd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 7. Eiseres is eigenaar van de gronden aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] . Zij woont in een bedrijfswoning op dat perceel en de groepsaccommodatie [naam groepsaccommodatie] is ook op dat perceel gevestigd. Eiseres exploiteert deze groepsaccommodatie via de eenmanszaak ‘Groepsaccommodatie Sport- en Vakantiecentrum [naam groepsaccommodatie] ’. De derde-partij betreft [derde-partij 1] en [derde-partij 2] die aan de [adres 3] wonen en [derde-partij 3] die aan de [adres 4] woont.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 13. Het bestreden besluit is genomen op grond van de Wabo. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit vóór 1 januari 2024 is ingediend, volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. Dit betekent dat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024 met aanverwante wetgeving, van toepassing blijft op deze zaak.
Heeft het college de omgevingsvergunning mogen weigeren?
14.1.
De rechtbank stelt vast dat een vergunning voor de opslagloods is aangevraagd voor het gebruik als privéopslag bij de bedrijfswoning, terwijl uit een controle op 18 september 2023 van een toezichthouder is gebleken dat in de opslagloods ook bedrijfsmatig ten behoeve van de groepsaccommodatie opslag plaatsvond. Eiseres heeft ook erkend dat ten tijde van het bestreden besluit zowel privé als bedrijfsmatige opslag in de opslagloods plaatsvond. De rechtbank stelt verder vast dat de omgevingsvergunning vervolgens door het college geweigerd is, omdat deze bedrijfsmatige opslag volgens het college niet is toegelaten volgens de regels van het bestemmingsplan. De rechtbank zal in het hiernavolgende uitsluitend ingaan op de vraag of het college de omgevingsvergunning op die grond terecht heeft geweigerd en daarbij in het midden laten of privé-opslag wel is toegelaten (omdat partijen daarover niet van mening verschillen).
14.2.
De opslagloods is onder andere gelegen binnen de bestemming “Recreatie – Verblijfsrecreatie” van het bestemmingsplan.
14.3.
In artikel 46.1, onder a van het bestemmingsplan is bepaald dat onder strijdig gebruik met de bestemmingen in ieder geval wordt verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor en/of als het (bedrijfsmatig) vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten en mest; een en ander, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de gronden en behoudens indien het gebruik blijkens de regels is toegestaan.
14.4.
Uit deze bepaling volgt volgens de rechtbank dat bedrijfsmatige opslag (ten behoeve van de groepsaccommodatie) niet in de opslagloods mag plaatsvinden. De uitzondering genoemd in artikel 46.1 (het gedeelte achter ‘tenzij’) maakt dit, in tegenstelling tot wat eiseres beweert, niet anders. Voor de uitzondering geldt namelijk dat het gebruik binnen de regels moet zijn toegestaan. Dat hier niet het geval: binnen de bestemming “Recreatie- verblijfsrecreatie” wordt geen opslag toegelaten. Er is dus, nu sprake is van (bedrijfsmatige) opslag, sprake van strijd met het bestemmingsplan.
14.5.
De rechtbank overweegt dat het college bij het bestreden besluit mocht betrekken dat de opslagloods feitelijk (mede) in gebruik was voor bedrijfsmatige opslag, ondanks dat de aanvraag enkel op privé opslag zag. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).
14.6.
De rechtbank is concluderend van oordeel dat het college bij het bestreden besluit heeft kunnen overwegen dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de opslagloods zal worden gebruikt ten behoeve van opslag voor de groepsaccommodatie en dus in strijd met het bestemmingsplan is. Het college heeft op grond daarvan de aanvraag om een omgevingsvergunning kunnen weigeren. De overige beroepsgronden, met uitzondering van het beroep op het vertrouwensbeginsel, worden dan ook niet inhoudelijk besproken. Zoals ter zitting bevestigd heeft eiseres de overige beroepsgronden ten overvloede aangevoerd.
Is er sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel?
15.1.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 7:11 van de Awb volgt dat in bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats dient te vinden met inachtneming van alle relevante belangen en dat deze heroverweging ruimte biedt om gebreken te herstellen. Dat het primaire besluit in bezwaar is heroverwogen impliceert redelijkerwijs dat die heroverweging ertoe kan leiden dat een standpunt van een bestuursorgaan wijzigt ten opzichte van een eerder ingenomen standpunt in het primair besluit zoals dat ook hier is gebeurd. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is de rechtbank dan ook niet gebleken.
Conclusie en gevolgen 16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Drent, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
De griffier is verhinderd rechter de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 februari 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In zaaknummer ROE 23/1932.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3140 en van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4254.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2861, r.o. 4.1.