RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03.086617.25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 11 maart 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1975, gedetineerd in [P.I.] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. L.M. van den Dungen, advocaat kantoorhoudende te Venlo. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 februari
(1)werknemer binnen het bedrijf [schoonmaakbedrijf] die voldeed aan de vraagstelling van het onderzoeksteam. Het betroffen de gegevens van de volgende persoon: [verdachte] .; Geboortedatum: [geboortedag 1] 1975; [adres 2] . Naar aanleiding van een vordering op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering heeft [schoonmaakbedrijf] onder meer beantwoording van de in de vordering gestelde vragen verstrekt. Hierin is onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld: De start- en einddatum van de werkzaamheden van [verdachte] , geboren [geboortedag 1] 1975 via [schoonmaakbedrijf] bij [zorggroep 1] in Venlo waaronder ook de laatste dag dat [verdachte] rechtmatig toegang had tot [zorggroep 1] voor zijn werkzaamheden bij [schoonmaakbedrijf] : • startdatum: 08-07-2024; • einddatum: 13-02-2025. De aard en precieze locaties van de werkzaamheden van [verdachte] via [schoonmaakbedrijf] bij [zorggroep 1] in Venlo: • [zorggroep 1] woongroepen [letter 2] en [letter 1] en appartementen [letter 2] en [letter 3] en [zorggroep 2] . [verdachte] startte tussen 06:00-07:30 bij de woongroepen met het schoonmaken van de badkamers, de woonkamers, entree, de personeelstoilet, toiletten teamkamer en washokken. Om 09:00 ging [verdachte] weer terug naar [zorggroep 1] om hier de appartementen van de cliënten, de gangen, personeelstoilet, teamkamer en de trappen schoon te maken. De redenen en incidenten die hebben geleid tot het overplaatsen van [verdachte] naar een andere locatie dan [zorggroep 1] in Venlo, inclusief de communicatie die vanuit [zorggroep 1] in Venlo hierover is gedaan aan [schoonmaakbedrijf] en de datums waarop die incidenten zijn gemeld: Op 17-10-2024 kreeg ik, [naam 15] , telefoon van [naam 16] , onze contactpersoon bij [zorggroep 1] , dat er een incident had plaatsgevonden met een cliënt/bewoner. Ik ben meteen naar locatie [zorggroep 1] gegaan voor een gesprek met de teamleiders op locatie. Hier hebben we een gesprek gehad en we kregen toen te horen dat er een man bij de cliënt/bewoner van [zorggroep 1] op de kamer was geweest. Wij, [naam 17] , de teamleiders en ik, hebben er toen voor gekozen om hem bij locatie weg te halen en hem te plaatsen naar een andere locatie om onrust op locatie te voorkomen, aangezien hij de enige mannelijke medewerker was die er schoongemaakt heeft. We hebben de heer [verdachte] toen ook over het voorval verteld. Op 4 maart 2025 is onder [naam 1] ondergoed (goednummer PL2300-2025034890-1784653), beddengoed (laken) (goednummer PL2300-2025034890-1784656), een incontinentieluier (goednummer PL2300-2025034890-1784671), beddengoed (dekbedovertrek) (goednummer PL2300-2025034890-1784674) en een pyjamabroek (PL2300-2025034890-1784848) in beslag genomen. Door verbalisant [naam 18] werd op 4 maart 2025 een forensisch onderzoek verricht aan onderstaande sporendragers: Goednummer: PL2300-2025034890-1784653; SIN: AAPP1328NL; Object: kleding (ondergoed); Goednummer: PL2300-2025034890-1784656; SIN: AAPP1329NL; Object: beddengoed (laken); Merk/type: hoeslaken; Bijzonderheden: bebloed hoeslaken; Goednummer: PL2300-2025034890-1784671; SIN: AAPP1326NL; Object: verband; Merk/type: luier; Bijzonderheden: incontinentieluier; Goednummer: PL2300-2025034890-1784674; SIN: AAPP1327NL; Object: beddengoed (dekbedovertrek); Goednummer: PL2300-2025034890-1784848; SIN: AAPP1325NL; Object: kleding (nacht); Merk/type: pyjamabroek. Op 5 maart 2025 heeft voornoemde verbalisant de onderbroek, het hoeslaken, de luier, het dekbedovertrek en de pyjamabroek verpakt in een nieuwe ademende sealbag voorzien van genoemde SIN’s. In het rapport forensisch DNA-onderzoek van dr. M. Hidding van 20 maart 2025 is – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld: Pyjamabroek AAPP1325NL De pyjamabroek is aan de binnen- en buitenzijde met de phadebas speeksel afdrukmethode onderzocht op de aanwezigheid van amylase, een bestandsdeel van speeksel. Hierbij is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van speeksel op vier plekken aan de buitenzijde: ter hoogte van het rechterbovenbeen, de binnenzijde van rechterdijbeen, de knie en ter hoogte van het kruis. De vlek ter hoogte van het kruis is uitgeknipt en ingezet voor DNA-onderzoek (#05). Luier AAPP1326NL Van de luier zijn de sluitingen aan de binnen- en buitenzijde links en rechts bemonsterd (#01 en #02). Onderbroek AAPP1328NL Van de onderbroek is de tailleband aan de binnen- en buitenzijde ter hoogte van beide heupen bemonsterd (#01 t/m #04). De onderbroek is aan de binnen- en buitenzijde met de phadebas speeksel afdrukmethode aan de buitenzijde onderzocht op de aanwezigheid van amylase, een bestandsdeel van speeksel. Hierbij is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van speeksel op drie plekken aan de buitenzijde: aan de voorkant ter hoogte van de tailleband, ter hoogte van de venusheuvel en ter hoogte van het kruis. De vlek ter hoogte van het kruis is uitgeknipt en ingezet voor DNA-analyse (#05). Pyjamabroek amylase positieve vlek kruis AAPP1325NL#05 DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Mogelijk donor van DNA: verdachte [verdachte] (DNA-hoofdprofiel). Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. Luier sluiting links AAPP1326NL#01, onderbroek tailleband buitenkant t.h.v. linkerheup AAPP1328NL#01, onderbroek tailleband binnenkant t.h.v. linkerheup AAPP1328NL#02 en onderbroek amylase positieve vlek kruis AAPP1328NL#05 Mogelijke donor van DNA: verdachte [verdachte] . In het rapport forensisch DNA-onderzoek van dr. P.J. Herbergs van 1 mei 2025 is – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld: Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van verdachte [verdachte] in de bemonstering AAPP1326NL#01, AAPP1328NL#01, AAPP1328NL#02 en AAPP1328NL#05 is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen. Deze hypothesen zijn geformuleerd onder de aanname dat derde [naam 1] donor is. Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [naam 1] , [verdachte] en één onbekende persoon. Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van [naam 1] en twee onbekende personen. De resultaten van het onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is. In het NFI-rapport van dr. P.A. Maaskant-Van Wijk en J.M.A. Kruithof-Van Esch van 26 juni 2025 is – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld: Hoeslaken AAPP1329NL Het onderzoeksmateriaal betreft een hoeslaken waaruit een stuk van circa 10x10cm ontbreekt. Uit informatie in de aanvraag van de politie volgt dat dit stuk is uitgeknipt door de forensische opsporing. Het hoeslaken is met een forensische lichtbron en de zure fosfatasetest onderzocht op de aanwezigheid van sperma(vloeistof). Hierbij is, met name rondom de bloedsporen en nabij het uitgeknipte stuk, op meerdere locaties een indicatie verkregen voor de aanwezigheid sperma(vloeistof). Op basis van dit onderzoek zijn zes bemonsteringen van het hoeslaken genomen. Drie bemonsteringen, AAPP1329NL#01, #02 en #03, zijn genomen van bloedsporen waarbij ook een indicatie is verkregen voor de aanwezigheid van sperma(vloeistof). De bemonsteringen zijn veiliggesteld voor een DNA- en RNA-onderzoek. AAPP1329NL#01 DNA kan afkomstig zijn van minimaal twee personen: verdachte [verdachte] en slachtoffer [naam 1] . AAPP1329NL#03 DNA kan afkomstig zijn van minimaal twee personen: verdachte [verdachte] en slachtoffer [naam 1] . AAPP1329NL#01 en #03 Voor deze bemonsteringen is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen en dat slachtoffer [naam 1] één van de donoren is. DNA-mengprofielen AAPP1329NL#01 en #03 zijn elk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [naam 1] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [naam 1] en een willekeurige onbekende persoon. Bemonsteringen AAPP1329NL#01 en #03 Voor deze bemonsteringen is het resultaat van de RNA-celtypering ten aanzien van spermacellen en/of spermavloeistof geëvalueerd. De bewijskracht van de resultaten van het RNA-onderzoek naar de aanwezigheid van spermacellen en/of spermavloeistof is berekend met een gevalideerd statistisch rekenmodel. In dit model wordt de aanwezigheid van spermacellen en/of spermavloeistof gezamenlijk geëvalueerd. Het resultaat van het RNA-onderzoek aan bemonsteringen AAPP1329NL#01 en #03 is beschouwd onder het volgende hypothesepaar: Hypothese 1: De bemonstering bevat spermacellen en/of spermavloeistof en mogelijk andere type(
- n)cellen. Hypothese 2: De bemonstering bevat geen spermacellen en/of spermavloeistof maar wel mogelijk andere type(
- n)cellen. Het resultaat van het RNA-onderzoek is voor beide bemonsteringen veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is dan wanneer hypothese 2 waar is. Dit betekent dat het resultaat van het RNA-onderzoek aan elk van de bemonsteringen veel waarschijnlijker is wanneer de betreffende bemonstering spermacellen en/of spermavloeistof bevat, dan wanneer de bemonstering alleen andere typen cellen bevat. Met de term ‘veel waarschijnlijker’ wordt bedoeld dat de kans op het waarnemen van de onderzoeksresultaten 100 tot 10.000 keer groter wordt geacht wanneer de ene hypothese waar is, dan wanneer de andere hypothese waar is. [naam 19] deed namens [zorggroep 1] , [adres 3] te Venlo, aangifte en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Ik doe aangifte van diefstal van een sleutelbos. Deze sleutelbos is in eigendom van [zorggroep 1] . De sleutelbos die is weggenomen werd gebruikt tijdens nachtdiensten. Deze sleutelbos bevond zich in een afgesloten sleutelkast. In deze sleutelkast bevond zich een aantal sleutelbossen, waaronder de sleutelbos voor de nachtdienst. Deze sleutelkast was afgesloten door middel van een slot, dat opengemaakt moest worden met een sleutel. De sleutel die toegang had tot deze sleutelkast zat opgeborgen in een afzonderlijk sleutelkastje. Dit sleutelkastje was afgesloten door middel van een cijferslot. Beide sleutelkasten bevonden zich in het activiteitencentrum. De medewerkers van [zorggroep 1] en de schoonmakers hadden kennis van de cijfercode en hadden daardoor toegang tot het sleutelkastje. Op 12 november 2024, tijdens de aanvang van de nachtdienst, zagen medewerkers van de nachtdienst dat de sleutelbos van de nachtdienst miste uit de sleutelkast. De medewerkers zagen dat verder alle sleutelbossen aanwezig waren. De medewerkers die constateerden dat de sleutelbos miste, verstuurden een bericht naar alle collega’s met de vraag of iemand de sleutelbos mee naar huis had genomen. Hier kwam geen reactie op. In de weken daarop deden we vanuit [zorggroep 1] meerdere oproepen richting collega’s met de vraag of iemand de sleutelbos in bezit had. Ook hier kwam geen reactie op. Aan de sleutelbos die is weggenomen, hing een sleutel met de letters ‘GHS’ erin gegrafeerd. Dit staat voor Generale Hoofdsleutel. Dit houdt in dat je met deze sleutel alle gebouwen en kamers binnen kunt komen van de locatie van [zorggroep 1] aan de [adres 1] . Alle sloten van deze locatie konden opengemaakt worden met deze sleutel. Ook stond er een cijfercode op gegrafeerd, namelijk ‘ [cijfercode] ’. Deze code staat voor de locatie aan de [adres 1] . Dit is een unieke combinatie. De politie toonde mij tijdens het aangiftegesprek een foto van een sleutelbos die is aangetroffen. Ik zag op deze foto dat er een sleutel aan de sleutelbos zat waarop de letters ‘GHS’ en de cijfercode ‘ [cijfercode] ’ stonden. Ik wist dat op de sleutel die wij misten deze codes ook stonden. Ook zag ik dat de label en andere sleutels die wij misten aan de sleutelbos op de foto zaten. De sleutelbos op de getoonde foto herken ik als de sleutelbos die is weggenomen bij [zorggroep 1] . Getuige [naam 20] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Alle medewerkers die de code wisten, konden aan de nachtdienstloper. Voor de appartementen pakt de huishouddienst de loper, maar dat is niet uit het nachtdienstkastje. Dat is uit een algemeen kastje. Alleen hingen nachtdienstlopers er toen ook bij en dat is later veranderd toen die sleutel kwijtraakte. De sleutel die weg is, is de nachtdienstloper die toegang geeft tot de gebouwen en de kamers van de cliënten. Verbalisant [naam 21] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: Op 20 maart 2025 trad ik binnen in de woning [adres 2] bewoond door [verdachte] . In de woning werd een sleutelbos van [zorggroep 1] in beslag genomen. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en feit 2 De betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer De rechtbank stelt vast dat [naam 1] uitgebreid, gedetailleerd en consistent heeft verklaard over wat is voorgevallen op 17 oktober 2024, 28 december 2024 en 3 maart 2025 in de gemeente Venlo. [naam 1] heeft verklaard dat met haar seksuele handelingen (waaronder handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [naam 1] ) zijn verricht, te weten het zoenen op de mond, het betasten van de borsten en de billen en het plaatsen van vingers in en op de vagina en anus van [naam 1] . Ook heeft zij steeds hetzelfde signalement van de dader vermeld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [naam 1] niet is afgenomen conform de gebruikelijke zedenverhoormethodiek en niet voldoet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen, maar [naam 1] is gehoord door een zedenrechercheur die tevens gecertificeerd is in het horen van kwetsbare getuigen, in het bijzijn van de haar bekende behandelend psycholoog L. Teunissen en haar moeder, hetgeen, gelet op de situatie van [naam 1] , begrijpelijk is. [naam 1] is namelijk niet in staat op een normale manier te praten, maar zij is wel in staat om dingen te begrijpen zolang deze op een voor haar begrijpelijke wijze worden uitgelegd, zich te uiten als zij dingen niet begrijpt en ook in staat aan te geven welke seksuele handelingen er niet zijn verricht. De rechtbank heeft dan ook geen enkele reden om aan de verklaring van [naam 1] te twijfelen, te meer nu haar verklaring op cruciale punten wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen. De rechtbank neemt haar verklaring dan ook als uitgangspunt van de bewijsvoering. Betrokkenheid van de verdachte De verdachte was vanaf 8 juli 2024 via [schoonmaakbedrijf] werkzaam bij [zorggroep 1] in Venlo. Hij werkte onder andere bij [zorggroep 1] en deed de schoonmaak bij onder meer woongroep [letter 1] , waar [naam 1] verblijft. Na de melding op 17 oktober 2024, waarbij gebleken is dat een man de billen en borsten van [naam 1] heeft betast, is de verdachte bij deze locatie weggehaald en geplaatst op een andere locatie, nu hij de enige mannelijke medewerker was die daar had schoongemaakt. Na het voorval op 3 maart 2025 waarbij seksuele handelingen zijn verricht met [naam 1] is het laken, het dekbedovertrek, het ondergoed, de luier en de pyjamabroek van [naam 1] forensisch onderzocht. Op deze goederen is DNA-celmateriaal aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte, op basis waarvan de rechtbank vaststelt dat de verdachte ook daadwerkelijk de donor is van dat celmateriaal. De bevindingen dat er aanwijzingen zijn dat er spermacellen en/of spermavloeistof op het hoeslaken zijn aangetroffen, waarbij de verdachte donor kan zijn van het aangetroffen DNA-mengprofiel, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders opgevat worden dan dat het om sperma van de verdachte gaat. De rechtbank is van oordeel dat de aangetroffen sporen kunnen worden gezien als dadersporen. Deze feiten en omstandigheden, die alleszins wijzen op het daderschap van de verdachte, behoeven een aannemelijke verklaring van de verdachte, die hij niet heeft gegeven. Vanaf 12 november 2025 werd een sleutelbos van de nachtdienst van [zorggroep 1] vermist. Op 20 maart 2025 is bij de doorzoeking van de woning van de verdachte deze sleutelbos, waaraan de nachtdienstloper zat waarmee toegang kan worden verkregen tot de gebouwen en de kamers van de bewoners, aangetroffen. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er dan ook van uit dat het de verdachte is geweest die met [naam 1] seksuele handelingen heeft verricht (die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam), te meer nu [naam 1] ook heeft verklaard dat het drie keer dezelfde man betrof. Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario vindt zijn weerlegging in de hierboven opgenomen bewijsmiddelen. Opzetverkrachting- en aanranding Van opzetverkrachting en -aanranding is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen (die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam) heeft verricht, terwijl hij – al dan niet in voorwaardelijke zin – wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet te willen en de verdachte dit seksuele contact toch heeft voortgezet. De rechtbank is van oordeel dat bij [naam 1] de wil tot seksueel contact met de verdachte ontbrak en dat dit voor de verdachte duidelijk was. Zo heeft de verdachte haar handen vastgehouden om te voorkomen dat zij zou gaan bellen, zodat een zorgmedewerker zou worden opgeroepen. Los van het voorgaande, merkt de rechtbank op dat [naam 1] vanwege haar beperkingen al kan worden gezien als iemand die machteloos en willoos is. Conclusie De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [naam 1] op 3 maart 2025 heeft verkracht en in de periode van 17 oktober 2024 tot en met 3 maart 2025 meermalen heeft aangerand. Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3 Ook acht de rechtbank, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, feit 3 wettig en overtuigend bewezen. De verklaring van de verdachte dat hij de sleutel van een stagiaire zou hebben ontvangen en nooit meer heeft ingeleverd, acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu hij nooit een naam van die stagiaire heeft gegeven en zijn verklaring aldus niet verifieerbaar is. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte 1 op 3 maart 2025, in de gemeente Venlo, met een persoon, te weten [naam 1] seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten: - het zoenen op de mond van die [naam 1] , - het betasten van de borsten van die [naam 1] , - het betasten van de billen van die [naam 1] , - het plaatsen van zijn vinger(
- s)in en op de vagina van die [naam 1] , - het plaatsen van zijn vinger(
- s)in en op de anus van die [naam 1] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [naam 1] daartoe de wil ontbrak; 2 in de periode van 17 oktober 2024 tot en met 3 maart 2025, in de gemeente Venlo, telkens meermalen, met een persoon, te weten [naam 1] seksuele handelingen heeft verricht, te weten: - het zoenen op de mond van die [naam 1] , - het betasten van de borsten van die [naam 1] , - het betasten van de billen van die [naam 1] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [naam 1] daartoe de wil ontbrak; 3 in de periode van 1 november 2024 tot en met 30 november 2024, in de gemeente Venlo, een sleutel (een loper), die aan [zorggroep 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: feit 1: opzetverkrachting; in eendaadse samenloop gepleegd met feit 2: opzetaanranding, meermalen gepleegd; feit 3: diefstal. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte C.M.A. Matton, psychiater, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 3 juli 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren. Bij de verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling met ernstige beperkingen in de vorm van een licht verstandelijke beperking. De licht verstandelijke beperking was tijdens alle feiten aanwezig. De psychiater kan geen uitspraak doen over of de licht verstandelijke beperking de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten beïnvloedde, omdat er geen zicht is gekomen op het delictscenario doordat de verdachte de feiten ontkent en hij geen openheid over zijn seksualiteitsbeleving geeft. Hierdoor kan er voor geen van de feiten een advies over het toerekenen worden gegeven. W.A. van Eeden, GZ-psycholoog, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 4 juli 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren. Er is sprake van een licht verstandelijke beperking met daarmee samenhangend een beperkt algemeen adaptief functioneren en een beperkt sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau. Dit was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Door de ontkennende houding van de verdachte en het ontbreken van een delictscenario is geen zicht gekomen op zijn beweegredenen of denkprocessen ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Hierdoor kan niet worden vastgesteld óf en op welke wijze de beperkingen, voortkomend uit de licht verstandelijke beperking, daadwerkelijk hebben doorgewerkt in zijn gedragskeuzes en in zijn vermogen hierop te sturen. Er kan worden vastgesteld dat de verdachte – ondanks zijn beperking – in staat wordt geacht het ontoelaatbare van het hem tenlastegelegde gedrag in te zien en het is niet aannemelijk dat er sprake was van het volledig ontbrekend inzicht of zelfsturing. Tegelijkertijd geldt dat, gezien de beperkte cognitieve en sociaal-emotionele capaciteiten van de verdachte, onzeker is in hoeverre hij de gevolgen van zijn gedrag volledig heeft kunnen overzien, de negatieve consequenties adequaat heeft kunnen inschatten, en zijn gedrag daarop heeft kunnen afstemmen. Ook is onduidelijk of hij de emotionele impact van het tenlastegelegde op het slachtoffer volledig begrijpt. Ten aanzien van de mate van toerekenen met betrekking tot alle tenlastegelegde feiten moet worden geconcludeerd dat op basis van het huidige onderzoek geen advies mogelijk is. Zowel volledig als verminderd toerekenen kan niet met voldoende onderbouwing worden geadviseerd, maar ook niet worden afgeraden. Hoewel de deskundigen geen advies kunnen geven over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de rapportages aanleiding geven feit 1 en feit 2 in licht verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen, nu sprake is van een licht verstandelijke beperking die ten tijde van de tenlastegelegde feiten aanwezig was en de verdachte hoogstwaarschijnlijk de gevolgen van zijn handelen niet volledig heeft kunnen overzien en zijn gedrag daarop heeft kunnen afstemmen. Daar er geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar. De rechtbank heeft de mate van toerekening bij haar oordeelsvorming over de op te leggen straf en maatregel betrokken. 6De straf en de maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf van vier jaren met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. De duur van de tbs-maatregel is niet gemaximeerd, nu een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van [naam 1] . Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen. De officier van justitie heeft bij het formuleren van de eis rekening gehouden met het strafblad van de verdachte, de dubbelrapportage, het reclasseringsrapport, de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, de ernst van de feiten, de proceshouding van de verdachte en de kwetsbare positie van [naam 1] . 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht bij het opleggen van een straf en/of maatregel rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte functioneert op een licht verstandelijk beperkt niveau, leeft een eenzaam bestaan en heeft slechts een zeer beperkte kring van sociale contacten. De verdediging is het niet eens met het advies van de deskundigen tot de oplegging van de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege. De tbs-maatregel met voorwaarden biedt voldoende waarborgen. Tot slot betwist de verdediging de noodzaak van de oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel na oplegging van een tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege, nu de tbs-maatregel reeds voorziet in intensieve behandeling, toezicht en terugvalpreventie. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De strafbare feiten De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer vijf maanden op drie dagen schuldig gemaakt aan aanranding en verkrachting van [naam 1] . De seksuele handelingen bestonden uit het zoenen op de mond, het betasten van de borsten en billen en het plaatsen van zijn vingers in en op de vagina en anus van [naam 1] . [naam 1] is meervoudig gehandicapt, immobiel en heeft last van spasmen waardoor zij onder meer moeite heeft met bewegen. [naam 1] is aldus een kwetsbare, fysiek onmachtige vrouw en kon zich lichamelijk geheel niet weren. De verdachte heeft bij zijn handelen zijn wetenschap over de lichamelijke beperkingen en het hem bekende gegeven dat [naam 1] kwetsbaar was volledig naast zich neergelegd. Daar komt bij dat deze seksuele handelingen plaatsvonden in de kamer van [naam 1] , terwijl zij in haar bed lag en dit bij uitstek een plek is waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen. De verdachte heeft daartoe voor de laatste twee dagen de nachtdienstloper gestolen om zodoende toegang te verkrijgen tot de groepswoning waar [naam 1] verblijft. Deze berekenende handelswijze rekent de rechtbank de verdachte aan. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [naam 1] . Zij was en is zeer kwetsbaar. Slachtoffers van zulke feiten ondervinden vaak langdurig psychisch nadelige gevolgen. Dat geldt ook voor [naam 1] . [naam 1] kampt met gevoelens van onveiligheid, stress en angst en slaapt slecht. De verdachte heeft haar fysieke en psychische welzijn ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. De straf Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere reactie dan oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte waaruit blijkt dat de verdachte ver terug ook in het verleden zich schuldig heeft gemaakt aan onder meer het bezit van kinderporno en het hebben van seks met een minderjarige. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd. De rechtbank houdt rekening met de Pro Justitia rapportages zoals hiervoor genoemd, waaruit blijkt dat bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking en de conclusie van de rechtbank dat de door hem gepleegde feiten onder invloed van deze problematiek zijn gepleegd en dat feit 1 en feit 2 in licht verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Alles afwegende komt de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, tot het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De maatregel van terbeschikkingstelling Indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechtbank gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld indien zij tot het oordeel komt dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld (artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht). Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, kan de rechtbank tevens verpleging van overheidswege gelasten (artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht). C.M.A. Matton (psychiater) heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerapporteerd: Gebaseerd op de gescoorde risicotaxatie-instrumenten wordt het recidiverisico op soortgelijke zedendelicten als hoog ingeschat. Geadviseerd wordt om de verdachte in een kliniek te plaatsen waar onderzocht kan worden of er nog mogelijkheden voor behandeling zijn gericht op zijn seksualiteit en ter vermindering van het hoge recidiverisico. Wil een behandeling enige kans van slagen hebben, dan zal de verdachte openheid over zijn seksualiteit moeten geven. Mocht hij dit niet kunnen of niet willen, dan is een (nieuwe) behandelpoging ter verlaging van het recidiverisico niet zinvol. Dit omdat de in 2018 geboden behandeling in de FPA (de rechtbank begrijpt: in het kader van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor onder meer het onttrekken van een minderjarige (beneden de twaalf jaren oud) aan het wettig gezag en het bezit van kinderporno) volgens de klinisch neuropsycholoog destijds niet heeft geleid tot verlaging van het hoge risico op zijn seksueel grensoverschrijdend (delict)gedrag. Wanneer behandeling ter vermindering van het hoge recidiverisico niet mogelijk is, dan resteert alleen externe begrenzing en controle om het risico te verlagen. Er zal dan een omgevingsprothese moeten worden gecreëerd, waarbij vanuit een klinische setting wellicht toegewerkt kan worden naar een beschermde woonvorm. Geadviseerd wordt om een tbs-maatregel met dwangverpleging aan de verdachte op te leggen vanwege het hoge recidiverisico op zedendelicten en de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling met ernstige beperkingen bij een onduidelijke seksualiteitsbeleving. Gezien de ernst van de beperkingen voortkomend uit zijn verstandelijke beperking is het aannemelijk dat de verdachte niet (voldoende) begrijpt welk effect zijn seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft op het slachtoffer, (mede) waardoor hij niet (voldoende) intrinsiek gemotiveerd is en/of kan raken om zijn gedrag aan te passen en te (laten) onderzoeken of behandeling hierbij kan helpen. Een tbs-maatregel met voorwaarden is niet haalbaar door ontbrekend probleembesef en probleeminzicht van de verdachte en de vermoedelijke afwezige responsiviteit voor behandeling. Hoewel de verdachte zich vermoedelijk wel aan alle voorwaarden zal houden zal dit hoogstwaarschijnlijk niet leiden tot gedragsverandering, waardoor het recidiverisico zal oplopen zodra de externe begrenzing wordt verlaagd. W.A. van Eeden (GZ-psycholoog) heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerapporteerd: Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Geadviseerd wordt de verdachte te plaatsen in een klinische behandelsetting die gespecialiseerd is in de behandeling van zedendelinquenten met een licht verstandelijke beperking (LVB). Gezien het verhoogde recidiverisico wordt een behandelsetting met een passend beveiligingsniveau noodzakelijk geacht. Indien de verdachte bij een hernieuwde behandelpoging wederom weigert openheid te geven over zijn seksualiteit en het delictgedrag, wordt geadviseerd de behandeling tijdig te richten op risicobeheersing en het versterken van beschermende factoren. Hierbij kan gedacht worden aan het opbouwen van een zinvolle dagbesteding, passend bij zijn cognitieve en sociaal-emotionele mogelijkheden, gecombineerd met voldoende toezicht om het recidiverisico beheersbaar te houden. Op termijn kan worden toegewerkt naar plaatsing binnen een forensisch beschermde woonvoorziening. De rechtbank wordt geadviseerd om aan de verdachte een tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Dit advies is gebaseerd op het hoge recidiverisico en het gevaar dat de verdachte voor de maatschappij kan vormen, wat de noodzaak tot beveiliging van de maatschappij en risicohantering verantwoord. Binnen het kader van de tbs-maatregel is het mogelijk om gericht te werken aan de eerder genoemde behandeldoelen en geleidelijk toe te werken naar eventuele resocialisatie. Daarbij kan het behandeltraject flexibel worden aangepast aan het actuele recidiverisico en de benodigde maatregelen om risico’s te beheersen en de veiligheid van derden te waarborgen. Hoewel de verdachte zich in het verleden aan voorwaarden heeft kunnen houden in engere zin, is zijn behandelmotivatie gering gebleken en heeft hij zich beperkt geconformeerd aan inhoudelijke behandeling. Gezien zijn verstandelijke beperking is het bovendien de vraag in hoeverre hij eventuele gestelde voorwaarden en de consequenties van het overtreden daarvan volledig kan overzien. Om die reden wordt een tbs met voorwaarden als onvoldoende haalbaar geacht. Gelet op het bewezenverklaarde en hetgeen hiervoor (ook onder 5.) met betrekking tot de rapportages van de deskundigen is opgenomen, wordt voldaan aan de vereisten om een tbs-maatregel op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat het onverantwoord is om de verdachte zonder enige vorm van behandeling op termijn weer deel te laten nemen aan de samenleving. Er bestaat immers een groot risico dat als de verdachte onbehandeld blijft hij opnieuw een delict zal plegen waarbij de veiligheid van personen ernstig gevaar zal lopen. Mede gelet op de problematiek van de verdachte is dan ook een verplicht zorgkader nodig. Uit het advies van de deskundigen blijkt dat een tbs met voorwaarden vanwege onder meer ontbrekend probleembesef en probleeminzicht en zijn geringe behandelmotivatie niet tot de mogelijkheden behoort. Een eerdere behandeling van de verdachte in 2018 in een FPA heeft ook niet tot verlaging van het recidiverisico geleid, omdat de verdachte onder meer geen openheid wenste te geven over zijn seksualiteit. De rechtbank concludeert, mede op grond van bovenstaand advies, dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van tbs noodzakelijk maken. De rechtbank zal derhalve de verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 ter beschikking stellen en bevelen dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. De maatregel van tbs met verpleging van overheidswege wordt mede opgelegd voor een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten opzetverkrachting en opzetaanranding, meermalen gepleegd. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan en zal derhalve niet worden gemaximaliseerd. De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr Op grond van artikel 38z Sr kan de rechtbank – ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen – een verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen. Dit betreft – kort gezegd – een toezichtsmaatregel die na afloop van de gevangenisstraf en de tbs-maatregel tenuitvoergelegd kan worden. In het reclasseringsrapport van 30 januari 2026 is – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld: De reclassering onderschrijft het hoog ingeschatte risico op herhaling van zedenfeiten als de verdachte terugkeert in de samenleving zonder externe begrenzing. De factoren die hebben bijgedragen aan het plegen van de tenlastegelegde feiten zullen, indien de verdachte terugkeert in de maatschappij, aanwezig zijn. Er is sprake van een hoog risico op recidive, een gebrek aan probleembesef en probleeminzicht en daarnaast heeft hij geen profijt gehad van eerder doorlopen behandeling. Gebleken is dat de behandeling niet geleid heeft tot gedragsverandering. Men adviseerde destijds vanuit FPA Stevig vooral in te zetten op een omgevingsprothese. Dit alles overwegend maakt dat de reclassering inschat dat er een aannemelijk gevaarsrisico in de verdere toekomst is, en dat bescherming van de veiligheid van de maatschappij noodzakelijk is. De reclassering adviseert dan ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Deze maatregel maakt het mogelijk om, voor het aflopen van het opgelegde juridische kader, opnieuw een risicotaxatie af te nemen van het dan aanwezige gevaarsrisico. Daarmee kan een plan van aanpak worden opgesteld ter voorkoming van nieuw delictgedrag en ter voorkoming van belastend gedrag ten aanzien van slachtoffers en getuigen. Mede gelet op de inschatting van de deskundigen en de reclassering en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte, ook na beëindiging van de tbs-maatregel, langdurig onder toezicht te stellen, noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico te kunnen terugdringen c.q. op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank legt daarom de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr op aan de verdachte. 7De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de benadeelde partij Vordering benadeelde partij [naam 1] (feit 1 en feit 2) Namens de benadeelde partij [naam 1] heeft mr. K.D. Regter met betrekking tot feit 1 en feit 2 een schadevergoeding gevorderd van € 100,- ter zake van materiële schade, bestaande uit de post ‘kleding en beddengoed’, en € 15.000,- ter zake van immateriële schade. Tevens is namens [naam 1] verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vordering benadeelde partij [naam 2] (feit 1 en feit 2) De benadeelde partij [naam 2] , de moeder van [naam 1] , heeft met betrekking tot feit 1 en feit 2 een schadevergoeding gevorderd van € 17.500,- ter zake van affectieschade. Tevens heeft [naam 2] verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vordering benadeelde partij [naam 3] (feit 1 en feit 2) De benadeelde partij [naam 3] , de vader van [naam 1] , heeft met betrekking tot feit 1 en feit 2 een schadevergoeding gevorderd van € 17.500,- ter zake van affectieschade. Tevens heeft [naam 3] verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie Vordering benadeelde partij [naam 1] (feit 1 en feit 2) De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering. De vordering is voldoende onderbouwd. Vorderingen benadeelde partijen [naam 2] (feit 1 en feit 2) en [naam 3] (feit 1 en feit 2) De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hoewel de hoogte van het bedrag voldoende is onderbouwd, is het de vraag of op dit moment is vast te stellen dat aan het wettelijke criterium voor het toekennen is voldaan. De wet (art. 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) vereist immers dat er sprake is van blijvend letsel en dat volgt nog onvoldoende uit de nu voorhanden zijnde rapportages. Wel is het begrijpelijk dat hetgeen [naam 1] is aangedaan impact heeft (gehad) en zal hebben op haar ouders dat om een financiële genoegdoening vraagt. 7.3 Het standpunt van de verdediging Vordering benadeelde partij [naam 1] (feit 1 en feit 2) Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft zij verzocht het gevorderde schadebedrag flink te matigen, gelet op vergelijkbare zaken. Vorderingen benadeelde partijen [naam 2] (feit 1 en feit 2) en [naam 3] (feit 1 en feit 2) Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft zij tevens verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering dan wel de vorderingen af te wijzen, nu de wettelijke grondslag voor toewijzing van affectieschade ontbreekt. Objectief kan niet worden vastgesteld dat het tenlastegelegde heeft geleid tot ernstig en blijvend letsel bij [naam 1] . Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vorderingen sterk te matigen. 7.4 Het oordeel van de rechtbank Vordering benadeelde partij [naam 1] (feit 1 en feit 2) De onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde feiten zijn bewezenverklaard. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van die bewezenverklaarde strafbare feiten schade heeft geleden. De materiële schade bestaande uit de post ‘kleding en beddengoed (€ 100,-)’ is door de verdediging inhoudelijk niet betwist. De vordering komt de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de vordering met betrekking tot de materiële schade voor toewijzing in aanmerking komt. [naam 1] heeft lichamelijk letsel opgelopen. Zij is ook onder behandeling van een psycholoog. Uit de brief van de psycholoog blijkt dat het vanwege de complexe beperkingen van [naam 1] moeilijk is vast te stellen of [naam 1] ook geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. Gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en gevolgen die het voor [naam 1] heeft gehad is evenwel evident dat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. De rechtbank acht een bedrag van € 15.000,- billijk. De rechtbank zal het schadebedrag vaststellen op een totaalbedrag van (€ 100,- + € 15.000,- =) € 15.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 3 maart 2025. De rechtbank zal over dit bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten door de benadeelde partij, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, tot heden begroot op nihil. Vorderingen benadeelde partijen [naam 2] (feit 1 en feit 2) en [naam 3] (feit 1 en feit 2) Voor toewijzing van affectieschade, zoals bedoeld in artikel 6:107 lid 1 sub b BW, is onder meer vereist dat ernstig en blijvend letsel is ontstaan bij het slachtoffer (te weten: bij [naam 1] ). Hoewel het verdriet van de ouders en de enorme impact goed voorstelbaar is, kan de rechtbank op basis van de stukken op dit moment niet vaststellen dat er sprake is van ernstig en blijvend letsel bij [naam 1] . De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen hun vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. 8Het beslag De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder de verdachte inbeslaggenomen sleutelbos wordt teruggegeven aan de rechthebbende: zorglocatie ‘ [zorggroep 1] .’ De rechtbank zal de teruggave van de sleutelbos gelasten aan de rechthebbende. 9De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 55, 57, 241, 243 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 10De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte voor feiten 1, 2 en 3 tot een gevangenisstraf van vier jaren; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gelast dat de verdachte voor feiten 1 en 2 ter beschikking wordt gesteld; beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd; Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel - legt aan de verdachte op de maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking; Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1] (feit 1 en feit 2) toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van € 15.100,00, bestaande uit € 100,- aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 3 maart 2025 tot de dag der algehele voldoening; veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, tot heden begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [naam 1], van € 15.100,00, bestaande uit € 100,00 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 3 maart 2025 tot aan de dag van de volledige voldoening; bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen; verklaart de benadeelde partij [naam 2] (feit 1 en feit 2) niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil; verklaart de benadeelde partij [naam 2] (feit 1 en feit 2) niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil; Beslag - gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de rechthebbende: 1 STK Sleutel (PL2300-2025034890-G1789182). Dit vonnis is gewezen door mr. H.E.G. Peters, voorzitter, mr. A.K. Kleine en mr. B. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2026. Buiten staat Mr. A.K. Kleine is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat 1 hij op of omstreeks 3 maart 2025, in de gemeente Venlo, met een persoon, te weten [naam 1] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten: - het zoenen op en/of in de mond van die [naam 1] , - het betasten van de borsten van die [naam 1] , - het betasten van de billen van die [naam 1] , - het plaasten van zijn vinger(
- s)in en/of op de vagina van die [naam 1] , - het plaatsen van zijn vinger(
- s)in en/of op de anus van die [naam 1] , terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [naam 1] daartoe de wil ontbrak; 2 hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2024 tot en met 3 maart 2025, in de gemeente Venlo, telkens meermalen, althans eenmaal met een persoon, te weten [naam 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten: - het zoenen op en/of in de mond van die [naam 1] , - het betasten van de borsten van die [naam 1] , - het betasten van de billen van die [naam 1] , terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [naam 1] daartoe de wil ontbrak; 3 hij in of omstreeks de periode van 1 november 2024 tot en met 30 november 2024, in de gemeente Venlo, een sleutel (een loper), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [zorggroep 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Dienst Regionale Recherche, documentcode PL2379-2025043890 (onderzoeksnummer LBRBC25035 / JAZZ), gesloten d.d. 22 juli 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 471 en een aanvulling op het proces-verbaal d.d. 21 augustus 2025, pagina 473 tot en met 609. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 maart 2025, pagina 51-59. Een schriftelijk bescheid, te weten het forensisch medisch letselrapportage van de Forensische Dienst Limburg d.d. 26 maart 2025, pagina 520, 521 en 525. Proces-verbaal van aangifte van [naam 2] d.d. 17 maart 2025, pagina 23-25 en 28. Bijlagen bij het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] d.d. 17 maart 2025, pagina 33 en 38. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] d.d. 4 maart 2025, pagina 73-74. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] d.d. 5 maart 2025, pagina 79-80. Proces-verbaal van bevindingen, pagina 364. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 10] d.d. 17 maart 2025, pagina 109 en 111. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 11] d.d. 6 mei 2025, pagina 142-143. Bijlage bij het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 11] d.d. 6 mei 2025, pagina 148-149. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 13] d.d. 26 april 2025, pagina 137-139. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2025, pagina 305. Bijlagen bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 april 2025, pagina 324-325. Kennisgevingen van inbeslagneming d.d. 4 maart 2025, pagina 463-467. Proces-verbaal forensisch onderzoek stukken van overtuiging (SVO) d.d. 17 maart 2025, pagina 526-528. Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport forensisch DNA-onderzoek van dr. M. Hidding d.d. 20 maart 2025, pagina 563-566. Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport forensisch DNA-onderzoek van dr. P.J. Herbergs d.d. 1 mei 2025, pagina 590-591. Een schriftelijk bescheid, te weten het NFI-rapport van dr. P.A. Maaskant-Van Wijk en J.M.A. Kruithof-Van Esch d.d. 26 juni 2025, pagina 599 en 602-605. Proces-verbaal van aangifte van [naam 19] namens [zorggroep 1] d.d. 24 maart 2025, pagina 69-70. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 20] d.d. 6 maart 2025, pagina 100-101. Proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 20 maart 2025, pagina 211-212.