ECLI:NL:RBLIM:2026:2380
RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/348314 / HA ZA 25-545 Vonnis in incident bij vervroeging van 18 maart 2026 in de zaak van 1. [erfgenaam 1] , in haar hoedanigheid van erfgenaam-vereffenaar en gevolmachtigde in de nalatenschap van [erflater], te [plaats 1] ,2. [erfgenaam 2] , in zijn hoedanigheid van erfgenaam-vereffenaar in de nalatenschap van [erflater], te [plaats 2] ,3. [erfgenaam 3] , in haar hoedanigheid van erfgenaam-vereffenaar in de nalatenschap van [erflater], te [plaats 1] ,4. [erfgenaam 4] , in zijn hoedanigheid van erfgenaam-vereffenaar in de nalatenschap van [erflater], te [plaats 2] ,5. [erfgenaam 5] , in haar hoedanigheid van erfgenaam-vereffenaar in de nalatenschap van [erflater] , te [plaats 3] , eisende partijen in de hoofdzaak, eisende partijen in het incident, hierna samen te noemen: eisers, advocaat: mr. I.K. Decupere, tegen [persoon] , te [plaats 1] , gedaagde partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident, hierna te noemen: [persoon] , advocaat: mr. R.H.L. van de Laar.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 t/m 9, de akte overleggen productie (na aanbrengen) met productie 10 de akte vermeerdering/wijziging eis tevens instelling incidentele vordering tot oproeping derden ex artikel 118 Rv, de conclusie van antwoord, de antwoord akte/ incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De feiten 2.1.
Op [datum 1] 2024 is te [plaats 4] overleden de heer [erflater] (hierna: erflater), geboren te [geboorteplaats] (Indonesië) op 3 [datum 2] 1934, laatstelijk woonachtig te [plaats 4] .
2.2.
Blijkens de akte van erfrecht van 5 september 2024 heeft erflater niet over zijn nalatenschap beschikt bij uiterste wil. Erflater heeft op grond van het versterfrecht als zijn enige erfgenamen achtergelaten zijn zeven nog in leven zijnde kinderen, de twee afstammelingen van zijn vooroverleden zoon alsmede de drie afstammelingen van zijn vooroverleden dochter.
2.3.
De erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.
2.4.
De erfgenamen hebben blijkens de akte van erfrecht aan [erfgenaam 1] een (beperkte) volmacht verstrekt om hen te vertegenwoordigen ter zake het beheer als bedoeld in artikel 3:170 lid 2 BW over de nalatenschap, alsmede ter zake van de vereffening van de nalatenschap van erflater.
3 3. Het geschilin de hoofdzaak 3.1.
Eisers stellen dat [persoon] het financiële beheer over het vermogen van erflater, tijdens zijn leven, heeft overgenomen op het moment dat de echtgenote van erflater is overleden. Eisers zijn van mening dat [persoon] de financiën van erflater niet op correcte wijze en/of in het belang van erflater heeft gevoerd en dat [persoon] zich onrechtmatig heeft verrijkt ten koste van het vermogen en welzijn van erflater.
3.2.
Eisers vorderen – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. [persoon] zal veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording over het door haar gevoerde beheer over het vermogen van erflater over de periode van 1 januari 2016 tot 7 mei 2024, over de bankrekening van erflater bij ING Bank met nummer [rekeningnummer] , een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 of dagdeel dat [persoon] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,00, althans op straffe van verbeurte van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;
dat de rechtbank ex artikel 3:185 lid 1 BW juncto artikel 3:184 BW de verdeling zal gelasten op de wijze zoals bij randnummers 6 en 7 van de akte vermeerdering/wijziging eis uiteen is gezet;subsidiair: dat de rechtbank zelf de verdeling van de nalatenschap zal gelasten, rekening houdend naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang en met inachtneming van de vorderingen die eisers jegens [persoon] namens de nalatenschap hebben ingesteld;6. [persoon] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, eventuele beslagkosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 163,00 zonder betekening en € 255,00 met betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
3.3. [persoon] heeft geen bezwaar tegen de vermeerdering/wijziging van eis. in het incident 3.4. Eisers vorderen om de nog niet in de procedure betrokken deelgenoten op de voet van artikel 118 Rv in het geding te mogen betrekken. De nog niet in de procedure betrokken erfgenamen betreffen: [erfgenaam 6] , [erfgenaam 7] , [erfgenaam 8] , [erfgenaam 9] , [erfgenaam 10] en [erfgenaam 11] . Ter onderbouwing van de incidentele vordering stellen eisers dat in het geval van een verdelingsvordering, zoals in onderhavige zaak, sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Alle erfgenamen dienen derhalve in het geding te worden betrokken.
3.5. [persoon] heeft geen bezwaar tegen de incidentele vordering tot oproeping van derden ex artikel 118 Rv en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
4De beoordeling in het incident 4.1.
De vordering in de hoofdzaak tot verdeling van de nalatenschap van de overleden vader van partijen betreft een ondeelbare rechtsverhouding. De overige erfgenamen dienen daarom in de procedure te worden betrokken. De rechtbank zal eisers in de gelegenheid stellen [erfgenaam 6] , [erfgenaam 7] , [erfgenaam 8] , [erfgenaam 9] , [erfgenaam 10] en [erfgenaam 11] alsnog ex artikel 118 Rv op te roepen tegen na te melden roldatum.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten wordengecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. in de hoofdzaak 4.3.
De rechtbank verwijst de zaak naar de rol van 15 april 2026 voor oproeping van [erfgenaam 6] , [erfgenaam 7] , [erfgenaam 8] , [erfgenaam 9] , [erfgenaam 10] en [erfgenaam 11] .
5De beslissing De rechtbank in het incident 5.1. stelt eisers in de gelegenheid [erfgenaam 6] , [erfgenaam 7] , [erfgenaam 8] , [erfgenaam 9] , [erfgenaam 10] en [erfgenaam 11] alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv om op de rolzitting van 15 april 2026 in het geding te verschijnen, met dien verstande dat:
5.2. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partijde eigen kosten draagt, in de hoofdzaak 5.3. verwijst de zaak naar de rol van 15 april 2026 voor oproeping van [erfgenaam 6] , [erfgenaam 7] , [erfgenaam 8] , [erfgenaam 9] , [erfgenaam 10] en [erfgenaam 11] , 5.4. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken. productie 1 bij dagvaarding productie 2 bij dagvaarding productie 3 bij dagvaarding