Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2026:2487
RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 12083666 \ CV EXPL 26-638 Vonnis in kort geding van 17 maart 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. E.H.G.G.M. Beurskens, tegen 1 [gedaagde 1] B.V., te [plaats 2] , gemachtigde: mr. Ph.W.A.M. van Roy, 2. [gedaagde 2], h.o.d.n. [bedrijf], te [plaats 3] , niet verschenen, gedaagde partijen, hierna te noemen: [gedaagden ] , 1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
2Het geschil 2.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] tot betaling van: het loon tijdens ziekte over de periode 2 juni (de kantonrechter begrijpt in het licht bezien van het gestelde in het lichaam van de dagvaarding dat hier nog toegevoegd dient te worden: 2025) tot en met het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te weten het netto equivalent van een gemiddeld bruto bedrag van € 1.801,95 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen voorziening, de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid van het loon, te rekenen vanaf de eerste van de maand volgend op de maand waarvoor betaald had moeten zijn tot de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging vanaf de vierde dag na de dag waarop de voldoening had moeten geschieden tot de dag van volledige betaling, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen voorziening, de proceskosten en nakosten.
2.2. [gedaagde 1] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3De beoordeling 3.1. [gedaagde 2] is niet verschenen, maar krachtens artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt ook jegens hem geoordeeld en beslist in dit vonnis op tegenspraak.
3.2.
Uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat het gaat om een spoedeisende zaak waarin, gelet op het belang van [eiser] en de aard van de hoofdvordering die strekt tot betaling van loon, een onmiddellijke voorziening bij voorraad geboden is.
3.3.
Beoordeeld dient te worden of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. De kantonrechter dient daarbij uit te gaan van de feiten met de beperkte onderzoeksmogelijkheden die het kort geding hem biedt, aangezien bewijslevering in deze procedure in beginsel niet plaatsvindt.
3.4.
Voor [eiser] is niet duidelijk wie nu formeel zijn werkgever is, zodat hij zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] heeft gedagvaard. [eiser] heeft als productie 1 bij dagvaarding een arbeidsovereenkomst in het geding gebracht die is gesloten tussen [eiser] en [gedaagde 1] en is ondertekend door [gedaagde 2] van [bedrijf] . [gedaagde 1] heeft onweersproken gesteld dat deze arbeidsovereenkomst buiten medeweten en zonder toestemming van haar enig directeur is opgesteld en ondertekend door [gedaagde 2] van [bedrijf] . Volgens [gedaagde 1] was [gedaagde 2] niet bevoegd om [gedaagde 1] te vertegenwoordigen of namens haar arbeidsovereenkomsten aan te gaan. Zowel [eiser] als [gedaagde 1] stellen zich op het standpunt dat [gedaagde 2] het loon uitbetaalde, de inhoud van de werkzaamheden bepaalde, instructies gaf en toezicht hield op de werkzaamheden. [gedaagde 1] heeft verder onweersproken gesteld dat zij uitsluitend administratieve werkzaamheden verrichtte, bestaande uit het verzorgen van de loonstroken op basis van de door [gedaagde 2] aangeleverde gegevens. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de vorderingen jegens [gedaagde 1] dienen te worden afgewezen.
3.5.
De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren, aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Daartoe wordt overwogen dat het op de weg van [gedaagde 1] had gelegen om buiten rechte duidelijkheid te verschaffen, hetgeen zij niet heeft gedaan. De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde 1] op 24 december 2025 gesommeerd om tot betaling van het loon over te gaan. Mr. Van Roy heeft bij emailbericht van 31 december 2025 laten weten dat hij de juridische belangen van [gedaagde 1] behartigt en dat hij na overleg met zijn cliënte [gedaagde 1] op de zaak terug zal komen. Echter een reactie is uitgebleven.
3.6.
Voor de vordering tegen [gedaagde 2] is de vraag slechts of deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Dat is niet het geval. De vordering zal worden toegewezen.
3.7. [gedaagde 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.