Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2026:3253
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23/1712 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [vestigingsplaats] (Limburg), [eiseres] , (gemachtigde: mr. A.A.M. van Hoorn), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (gemachtigde: mr. J.P. Stokkers).
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over vijf boetes die de minister heeft opgelegd en een waarschuwing die hij heeft gegeven aan [eiseres] in verband met verschillende overtredingen bij het werken met asbest. [eiseres] is het niet eens met de hoogte van de boetes en de waarschuwing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de boetes en de waarschuwing stand kunnen houden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank matigt de boetes namelijk vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De minister heeft de boetes echter terecht niet (verder) gematigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 2. Op 13 december 2022 heeft de minister [eiseres] vijf boetes opgelegd voor vijf overtredingen en met een apart besluit een waarschuwing preventieve stillegging gegeven. Met het bestreden besluit van 13 juni 2023 op de bezwaren van [eiseres] heeft de minister de opgelegde boetes gematigd vanwege het overschrijden van de beslistermijn. Voor het overige is de minister bij beide besluiten gebleven.
2.1. [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens [eiseres] , de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
4.1.
De minister heeft [eiseres] voor elke overtreding een boete opgelegd, met een totaal van € 29.700,-. Daarnaast heeft de minister een waarschuwing preventieve stillegging gegeven. De minister heeft verder informatie over de overtredingen openbaar gemaakt.
Moet de boete gematigd worden op grond van achteraf getroffen maatregelen?
Moet de boete gematigd worden op grond van maatregelen die zijn getroffen om ernstige gevolgen te voorkomen?
Moeten de boetes gematigd worden vanwege hun onderlinge samenhang?
14.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat een opeenstapeling van boetes niet zonder meer onevenredig is, enkel omdat overtredingen van vergelijkbare strekking worden beboet of omdat overtredingen worden beboet die betrekking hebben op dezelfde gedragingen of nalatigheden. Dit neemt niet weg dat de mate van samenhang van overtredingen in het kader van de evenredigheid een relevante factor kan zijn om de boete te matigen.
14.2.
De rechtbank toetst de evenredigheid zonder terughoudendheid.
De regels die in deze zaak zijn overtreden zien op preventie (artikel 4.45 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit)), toezicht op naleving van de asbestregels (artikel 4.47c van het Arbobesluit), bescherming van werknemers (artikel 4:54a van het Arbobesluit) en de deskundigheidseisen van het bedrijf, de toezichthouder en de persoon die daadwerkelijk de asbest verwijdert (artikel 4:54d van het Arbobesluit). Zoals de minister terecht overweegt, is er pas sprake van een voldoende veilige situatie als een bedrijf zich aan alle asbest gerelateerde regels uit het Arbobesluit houdt. Verder gaat het om ernstige overtredingen waarbij [eiseres] een verwijt kan worden gemaakt. [eiseres] heeft namelijk geen asbestinventarisatie opgevraagd en haar medewerkers zijn zonder asbest-gerelateerde instructie of bescherming aan het werk gezet en zijn daarbij blootgesteld aan asbest.
De omstandigheid dat [eiseres] normaal gesproken niet met asbest werkt doet daar niet aan af. Dit maakt de overtredingen niet minder ernstig. Dit verandert namelijk niet de mate van gevaar en risico dat ontstaat door de overtredingen onder meer voor [eiseres] werknemers. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de waarschuwing preventieve stillegging onevenredig?
Ambtshalve beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn 19. Bij boetes toets de rechtbank ambtshalve of er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Conclusie en gevolgen 22. Uit het voorgaande volgt dat de minister terecht de bestuurlijke boetes heeft opgelegd en deze terecht niet verder heeft gematigd. De rechtbank matigt de boete wel verder omdat op het moment dat zij uitspraak doet de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete; herroept het primaire besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de boete; stelt de totale boete vast op € 23.760,-. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit; bepaalt dat de minister [eiseres] het griffierecht van € 365,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van K. Timmermans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026 . griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 april 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:46 De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8:72 Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.
De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.
De bestuursrechter kan bepalen dat: a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. […] Arbeidsomstandighedenwet Artikel 28a. Bevel stillegging van werk in verband met recidive 1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar kan, nadat een overtreding van een voorschrift of verbod bij of krachtens deze wet is geconstateerd die bestuurlijk beboetbaar is gesteld of op grond van de Wet op de economische delicten strafbaar is gesteld, aan de werkgever of de zelfstandige een schriftelijke waarschuwing geven dat bij herhaling van de overtreding of bij een latere overtreding van eenzelfde in de waarschuwing aangegeven wettelijke verplichting of verbod of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen of verboden, door hem een bevel kan worden opgelegd dat door hem aangewezen werkzaamheden voor ten hoogste drie maanden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen. De artikelen 24, tweede lid, en 27, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing […] Artikel 34. Hoogte bestuurlijke boete en recidive Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan de overtreder op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.
De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is niet reeds aangewezen als toezichthouder.
De bestuurlijke boete die voor een overtreding kan worden opgelegd bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 6, eerste lid, of voor het niet naleven van een voorschrift of verbod bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 6, eerste lid, voor zover aangemerkt als overtreding, kan worden opgelegd bedraagt ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Onverminderd het derde en vierde lid verhoogt de op grond van het eerste lid aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete met 100 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het tiende lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting of verbod of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen en verboden, is geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.
De verhoging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het vijfde lid, bedraagt 200 procent indien zowel de overtreding als de eerdere overtreding, bedoeld in dat lid, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen als ernstige overtredingen.
Arbeidsomstandighedenbesluit Artikel 4.47c Melding 1. Uiterlijk twee dagen voor aanvang van de werkzaamheden wordt door de werkgever melding gedaan aan een daartoe aangewezen toezichthouder. Deze melding bevat tenminste een beknopte beschrijving van: de plaats waar de werkzaamheden worden verricht; de soorten en hoeveelheden asbesthoudende producten; de werkzaamheden die met asbest of asbesthoudende producten worden verricht, de werkmethoden alsmede de indeling van de concentraties asbestvezels in de lucht in een risicoklasse; het aantal betrokken werknemers; de datum en het tijdstip waarop de werkzaamheden aanvangen, alsmede de duur ervan; de maatregelen die zullen worden getroffen om blootstelling van werknemers aan asbest te beperken. […] Artikel 4.54a Asbestinventarisatie 1. In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, wordt de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten volledig geïnventariseerd voordat wordt aangevangen met de volgende werkzaamheden: het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken, met uitzondering van grondwerken, of objecten waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast; het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit de bouwwerken of objecten, bedoeld in onderdeel a; of het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen. […] Artikel 4.54d. Deskundigheid bij het werken met asbest 1. De volgende werkzaamheden, indien de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A, worden verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestverwijdering, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling: de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid; het reinigen van de arbeidsplaats nadat een handeling als bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, onderdeel a of b, is uitgevoerd. […] 5. De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden verricht door of onder voortdurend toezicht van een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken met asbest, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling. […] 7. Voor zover de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, mede worden verricht door een andere persoon dan de persoon, bedoeld in het vijfde lid, is deze andere persoon in het bezit van een certificaat vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.
Artikel 9.10a. Stillegging van werk in verband met recidive Na een herhaling van een overtreding of soortgelijke overtreding wordt een waarschuwing gegeven als bedoeld in artikel 28a, eerste lid, van de wet en indien een herhaling van die of een soortgelijke overtreding is geconstateerd als bedoeld in dat artikel van de wet, wordt een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen.
Indien een ernstige overtreding is geconstateerd, wordt in afwijking van het eerste lid, een waarschuwing als bedoeld in artikel 28a, eerste lid, van de wet gegeven bij de eerste overtreding en wordt, indien opnieuw dezelfde of een soortgelijke overtreding is geconstateerd die eveneens ernstig is, een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen.
Als een ernstige overtreding als bedoeld in het tweede lid wordt aangemerkt: a. een overtreding waarbij de werkgever of de zelfstandige willens en wetens handelingen verricht of nalaat in strijd met de wet of de daarop berustende bepalingen waardoor een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden dat de dood tot vrijwel onmiddellijk gevolg heeft gehad; b. een handelen of nalaten in strijd met de volgende artikelen:
1°. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.54d, eerste lid, 4.58, 4.59, eerste en tweede lid, 4.60, eerste en derde lid, 4.61, tweede lid, 4.61a, eerste en derde lid, 4.61b, eerste lid, 4.105, 4.108 en 4.109;
2°. van hoofdstuk 6: de artikelen 6:27, 6.29 en 6.29a. […] Beleidsregel openbaarmaking inspectiegegevens bij zware of ernstige asbestovertredingen Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op de volgende overtredingen: de artikelen 4.45, eerste lid en tweede lid, 4.46, 4.47a, eerste en derde lid, 4.48a, eerste en vierde lid, 4.50, vijfde lid, 4.51a, eerste tot en met het vierde lid, 4.54, 4.54a, eerste lid en 4.54d, eerste, vijfde en zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Artikel 3 1. De Inspectie SZW maakt in geval van overtreding van de in artikel 1 genoemde artikelen de volgende inspectiegegevens actief openbaar: de naam en vestigingsplaats van de rechtspersoon dan wel van de natuurlijke persoon; de geconstateerde overtreding; de datum waarop de overtreding is geconstateerd; e locatie waar het asbest aanwezig is of is geweest; welk bestuurlijk besluit is genomen, dan wel welke bestuurlijke besluiten zijn genomen vanwege de overtreding op grond van de artikelen 28a, 33 of 34 van de Arbeidsomstandighedenwet; of tegen de onder e bedoelde bestuurlijke besluiten een rechtsmiddel is ingesteld dan wel of daartoe nog de mogelijkheid bestaat. […] Beleidsboeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving Artikel 1. Boeteoplegging 1. In deze beleidsregel wordt onderscheid gemaakt tussen drie typen overtredingen, te weten: a. een zware overtreding (ZO), oftewel een overtreding die in de bijlage als ZO is aangemerkt en waarvoor direct een boete wordt gegeven; b. een overtreding met directe boete (ODB), oftewel een overtreding die in de bijlage als ODB is aangemerkt en waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt gegeven; en c. een overige overtreding (OO), oftewel een overtreding die in de bijlage als OO is aangemerkt en waarvoor eerst een waarschuwing of een kennisgeving van een eis tot naleving wordt gegeven, of een eis tot naleving wordt gesteld, en pas nadat dezelfde of een soortgelijke overtreding opnieuw wordt geconstateerd, wordt overgegaan tot boeteoplegging.
3a. Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid, en artikel 34 van de Arbeidsomstandighedenwet worden zeven categorieën normbedragen onderscheiden, te weten:
1°. het 1e normbedrag € 340;
2°. het 2e normbedrag € 750;
3°. het 3e normbedrag € 1500;
4°. het 4e normbedrag € 3000;
5°. het 5e normbedrag € 4500;
6°. het 6e normbedrag € 9000;
7°. het 7e normbedrag € 13500; […] 5. De totale bij een boetebeschikking op te leggen bestuurlijke boete bestaat, in geval er sprake is van meer dan één overtreding, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen. […] 7. In de bijlage bij deze beleidsregel is per artikel, artikellid of onderdeel daarvan, dat is aangemerkt als overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, aangegeven welk categorie normbedrag zal worden opgelegd en om welk type overtreding het gaat.
Tevens is in de bijlage aangegeven voor welke overtredingen een boete aan een werknemer kan worden opgelegd.
Een al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerd normbedrag is het uitgangsbedrag voor eventuele verdere boeteberekening. […] 10. Bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete kunnen één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en leiden tot verhoging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde boetenormbedrag: […] e. in het geval van een zware overtreding (ZO), wordt het boetenormbedrag vermenigvuldigd met twee; […] 11. Indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, kan dit leiden tot matiging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag. De volgende inspanningen kunnen leiden tot een matiging van 25% per onderdeel: a. als de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet; b. als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze; c. als er adequate instructies zijn gegeven; d. als er adequaat toezicht is gehouden.
Beleidsregel preventie stillegging arbeidswetten Artikel 4. Het achterwege laten van een waarschuwing of van een bevel tot preventieve stillegging Bij de overweging een waarschuwing of een bevel tot preventieve stillegging achterwege te laten in verband met de aard van de overtreding of de met de overtreding samenhangende omstandigheden wordt onder meer rekening gehouden met het type overtreding en de omvang van de overtreding.
Bij de overweging een waarschuwing of een bevel tot preventieve stillegging achterwege te laten in verband met de gevolgen van de overtreding wordt onder meer rekening gehouden met de maatschappelijke gevolgen en met de economische gevolgen voor derden.
Bij de overweging een waarschuwing of een bevel tot preventieve stillegging achterwege te laten kan rekening worden gehouden met het feit dat de toezichthouder de opgelegde boete heeft gematigd. […] Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) Artikel 6. Recht op een eerlijk proces 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden. […] Artikel 4.54a, eerste lid, van het Arbobesluit.
Artikel 4.47c, eerste lid, van Arbobesluit.
Artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbobesluit.
Artikel 4.54d, zevende lid, van het Arbobesluit.
Artikel 4.54d, vijfde lid, van het Arbobesluit.
Artikel 5:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel.
De Afdeling 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3362, r.o. 5.2; zie ook de Afdeling 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1187, r.o. 6.3.
De Afdeling 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5606, r.o. 6.2; 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:967, r.o. 3.2; 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1187, r.o. 5.2.
De Afdeling 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5606, r.o. 6.2.
Dat staat in artikel 9.10a, derde lid, aanhef en onder b, van het Arbobesluit.
De Afdeling 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4761, r.o. 14.
De Afdeling 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2242, r.o. 5.2.
De Afdeling 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5771, r.o. 8.1.
De Afdeling 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5606, r.o. 8.1.
Zo ook de Afdeling 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4761, r.o. 16.2.
Vergelijk College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 december 2025, ECLI:NL:CBB:2025:664, r.o. 7.4.