Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2026:3638
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 26/584 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2026 in de zaak tussen Tennis Padel Geuldal, uit Valkenburg, verzoekster (gemachtigde: mr. M. van Aken), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul (gemachtigden: mr. N.C.M. van Bijnen en R. Pellegrom).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] , uit Valkenburg (gemachtigde: mr. L.M.A. Schrieder).
Procesverloop Bij besluit van 24 februari 2026 (hierna: het dwangsombesluit) heeft het college aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege overschrijding van de geluidsnormen door verzoekster.
Verzoekster heeft op 11 maart 2026 tegen het dwangsombesluit bezwaar gemaakt en heeft daarbij aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij zijn [naam] en [naam] namens verzoekster verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en [naam] . Het college en de derde-partij hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen Inleiding 1. Verzoekster is gevestigd aan de [adres] in Valkenburg (Houthem - St. Gerlach). Op die locatie zijn vijf tennisbanen en twee padelbanen gerealiseerd op basis van een op 30 juni 2017 aan verzoekster verleende omgevingsvergunning.
Het dwangsombesluit 3. Na overleggen met verzoekster en uitgevoerde onderzoeken naar de gestelde geluidsoverlast heeft het college op 7 mei 2024 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kenbaar gemaakt aan verzoekster. Het college heeft aan dat voornemen onder meer een geluidsonderzoek ten grondslag gelegd, uitgevoerd door Antea Group, naar de gestelde geluidsoverlast bij de woning van de omwonende. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 januari 2024. Het college heeft zich in het voornemen, onder verwijzing naar dat rapport, op het standpunt gesteld dat sprake is van overtreding van de geluidsnormen uit artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit Milieubeheer (hierna: het Abm). Het college heeft daarbij geconcludeerd dat de overschrijding van de geluidsnormen bij de woning van de omwonende specifiek ziet op het geluid dat afkomstig is van het padelspel in de avondperiode (19:00 – 23:00 uur). Ook heeft het college uit het geluidsonderzoek geconcludeerd dat bij volledige benutting van de faciliteiten van de sportlocatie van verzoekster, tennis en padel, niet wordt voldaan aan geluidsnormen voor de avondperiode. Het college heeft vervolgens, in overleg met de omwonende en in afwachting van een permanente oplossing voor de geluidsoverlast, geen gevolg gegeven aan het voornemen om een last onder dwangsom aan verzoekster op te leggen.
Het verzoek om voorlopige voorziening 7. Verzoekster heeft op 11 maart 2026 tegen het dwangsombesluit bezwaar gemaakt en tevens aan de voorzieningenrechter verzocht om het dwangsombesluit te schorsen tot zes weken na bekenmaking van het besluit op het bezwaar. Verzoekster stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden en (subsidiair) dat het college vanwege bijzondere omstandigheden van handhavend optreden had moeten afzien. Verzoekster bestrijdt dat sprake is van een overtreding en bestrijdt in dat verband ook het akoestisch onderzoek van Antea Group dat aan het dwangsombesluit ten grondslag ligt. Verder voert verzoekster aan dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Zij wijst er in dat verband op dat de padelbanen vergund zijn en dat daarvoor ook een milieumelding is geaccepteerd. Dit maakt volgens verzoekster dat handhavend optreden onevenredig is. Verzoekster wijst daarbij ook op overleg dat plaatsvindt tussen partijen over een structurele oplossing en op het maatschappelijk belang dat de sportvereniging dient, waarmee het college volgens verzoekster onvoldoende rekening heeft gehouden.
Beoordeling door de voorzieningenrechter Uitgangspunten bij de beoordeling 8. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure slechts is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van (in dit geval) de bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. In dat verband verricht de voorzieningenrechter een afweging tussen het belang van verzoekster bij schorsing van het dwangsombesluit (en dus bij het ook in de avonduren padel kunnen spelen) en het belang van in dit geval met name de omwonende bij het dwangsombesluit (en dus bij het uitblijven van geluid van padel in de avonduren).
Belangenafweging 11. Over het belang van verzoekster overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
11.1.
De begunstigingstermijn van het dwangsombesluit is op 18 maart 2026 geëindigd (twee weken na verzending van de last op 3 maart 2026). Het college heeft op 13 maart 2026 ingestemd met uitstel van het uitvoeren van controles tot (na) de uitspraak van de voorzieningenrechter.
11.2.
De opgelegde last, zoals concreet geformuleerd door het college, heeft voor verzoekster tot gevolg dat het gebruik van de padelbanen in de avonduren, tussen 20:48 en 23:00 uur, moet worden gestaakt althans zodanig moet worden teruggebracht dat hiermee aan de geluidsnormen wordt voldaan. Dit betreft dus ongeveer de laatste twee speeluren per dag. De voorzieningenrechter mag ervan uitgaan dat het college binnen de daarvoor geldende wettelijke termijnen op het bezwaar van verzoekster beslist. In dit geval loopt de uiterlijke termijn voor het college om een besluit op bezwaar te nemen af op 12 augustus 2026. Als het dwangsombesluit niet wordt geschorst moet verzoekster (in ieder geval) tot die tijd, om aan de opgelegde last te kunnen voldoen, het gebruik van de padelbanen in de avonduren na 20:48 uur zodanig beperken dat daarmee aan de geluidsnormen kan worden voldaan. Op elk ander moment in de week, tijdens de openingstijden, mag wel padel worden gespeeld en tennis mag onbeperkt worden gespeeld. Daar komt bij dat ter zitting is gebleken dat het gebruik van de padelbanen na 20:48 uur, zoals opgenomen in de last, niet per definitie betekent dat daarmee ook sprake is van een overtreding van de geluidsnorm. Ter zitting is namelijk gebleken dat andere opties voor verzoekster om aan de geluidsnormen te kunnen voldoen – daargelaten de formulering van de last op dit onderdeel waarop de voorzieningenrechter onder 17 nader ingaat – niet zijn uitgesloten.
Verzoekster heeft verder in ieder geval sinds het voornemen van 7 mei 2024 ook al ruim de tijd gehad om te overleggen met de gemeente over mogelijke oplossingen om aan de geluidsnormen te voldoen of om maatregelen te treffen ter voorkoming van (de overigens wel betwiste) overschrijding van de geluidsnormen.
11.3.
Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft verzoekster gesteld dat indien het dwangsombesluit niet wordt geschorst en verzoekster nu al aan de last zou moeten voldoen, het voortbestaan van de vereniging in gevaar komt door het vertrekken van leden. Pas ter zitting heeft verzoekster dit nader geconcretiseerd door haar stelling dat dit leidt tot een verwachte vermindering van het ledenaantal met 40 %. Verzoekster heeft dit echter niet met gegevens of bijvoorbeeld verklaringen onderbouwd. Ook heeft verzoekster niet onderbouwd dat het niet mogelijk is om de competitie die nu blijkbaar in de avonduren plaatsvindt, te verplaatsen naar bijvoorbeeld overdag in het weekend. Verzoekster heeft daarnaast ook geen andere feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat het verbeuren van dwangsommen voor verzoekster onomkeerbare (financiële) gevolgen heeft.
11.4.
Zonder de onder 11.3 bedoelde nadere onderbouwing acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat door de onder 11.2 genoemde beperking (geen padel na 20:48 uur tot het besluit op bezwaar) leidt tot het in gevaar komen van het voortbestaan van de vereniging. Dat betekent niet dat de voorzieningenrechter niet het belang van verzoekster ziet, maar wel dat de voorzieningenrechter niet kan uitgaan van de door verzoekster gestelde zwaarte daarvan.
12.1.
De omwonende heeft al in 2018 om handhaving verzocht en stelt dat hij al jaren last heeft van geluid afkomstig van de tennis- en padelbanen. Onderhavig dwangsombesluit is het eerste daadwerkelijke handhavingsbesluit dat het college heeft genomen. Gelet op de situering van de woning van de omwonende ten opzichte van de padelbanen heeft de omwonende belang bij naleving van de geluidsnormen en gezien de lange duur van het handhavingstraject kan dit belang urgent genoemd worden. Het dwangsombesluit leidt er in ieder geval toe dat de omwonende in de avonduren minder geluidsoverlast zal ervaren.
Is het dwangsombesluit evident onrechtmatig?
De omstandigheid dat tussen twee deskundigen verschil van inzicht bestaat over de opzet en de resultaten van het uitgevoerde geluidsonderzoek, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om op voorhand die conclusie te trekken. Onderhavige procedure leent zich niet voor een grondige beoordeling van dit geschilpunt. Het is aan het college om in bezwaar hierop gemotiveerd in te gaan. Indien het besluit op bezwaar vervolgens aan de rechtbank zal worden voorgelegd en gemotiveerd wordt betwist op dit onderdeel, kan de rechtbank ertoe besluiten zijn eigen deskundige (de Stichting Advisering bestuursrechtspraak) om advies te vragen. De voorzieningenrechter laat gelet op het voorgaande ook in het midden of het akoestisch onderzoek voldoende is als constatering van overtredingen.
De conclusie uit het voorgaande is dat de voorzieningenrechter in hetgeen is aangevoerd door verzoekster geen aanleiding ziet voor het oordeel dat sprake is van evidente onrechtmatigheid.
Conclusie 19. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.A.M. Bergmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026. de griffier is verhinderd voorzieningenrechter Deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 april 2026 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 7.10, eerste lid en derde van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken, en kan die termijn voor ten hoogte zes weken worden verdaagd.
Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Artikel 4:13 van de Awb.