Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2026:4249
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 22/1659 en ROE 24/4441 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen [eiser] uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire) en de minister van Financiën (gemachtigden: mr. M.A.N. van de Kerkhoff, mr. M.M.J. Hoek, mr. R. Sheichote en Mr. S. Peterse).
Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op de beroepen van eiser tegen de besluiten van de minister van 4 juli 2022 en 7 oktober 2024 (de bestreden besluiten). De minister is met deze besluiten gebleven bij zijn besluiten op de inzageverzoeken van eiser van 23 november 2021 en 8 februari 2022. De rechtbank beslist in deze uitspraak ook op de verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken op 14 januari 2026 gelijktijdig op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister deelgenomen. De gemachtigden Van de Kerkhof en Hoek namens de minister voor de Belastingdienst (ROE 22/1659) en de gemachtigden Sheikchote en Peterse namens de minister voor de Belastingdienst Toeslagen (ROE 24/4441).
Beoordeling door de rechtbank De beroepszaken Wat ging aan het instellen van de beroepen vooraf?
Wat voert eiser in de beroepszaken aan en slaagt dit?
ROE 24/4441 (het eerste inzageverzoek ) Kennelijk ongegrond bezwaar 9. Eiser voert in deze zaak allereerst aan dat zijn bezwaar niet evident ongegrond is. Eiser verwijst naar een passage uit de wetsgeschiedenis met voorbeelden waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar. Eiser voert daarnaast aan dat de minister vijf pagina’s nodig heeft om het bezwaar te weerleggen en dat het bezwaar daarom ook niet kennelijk ongegrond kan zijn. Eiser vindt dat hij ten onrechte niet is gehoord naar aanleiding van het bezwaar. Eiser wijst de rechtbank op wat hij de Belastingdienst op 23 augustus 2024 heeft voorgehouden: dat hij met de brief van 20 augustus 2024 niet de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft gekregen en dat de minister het besluit op het inzageverzoek in strijd met artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet aan zijn gemachtigde bekend heeft gemaakt.
Strijd met het dienstbaarheidsbeginsel 11. Het komt eiser verder voor dat de minister met het bestreden besluit geen openheid van zaken heeft willen geven door niet de stukken te verstrekken die hij van belang vindt om de minister te kunnen controleren. Dat is volgens eiser in strijd met het dienstbaarheidsbeginsel in artikel 2:4a van de Awb.
ROE 24/4441 (eerste inzageverzoek) en ROE 22/1659 (tweede inzageverzoek) Bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde 13. In beide zaken voert eiser aan dat de bekendmaking van het besluit op het inzageverzoek in strijd is met artikel 2:1 van de Awb en dat dit tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden.
De stukken 15. In beide zaken voert eiser aan dat hij het er niet mee eens is dat de minister niet alle stukken aan hem verstrekt. Alhoewel eiser in beide zaken niet precies hetzelfde aanvoert, ziet de rechtbank in de toelichting op de zitting van de gemachtigde van eiser aanleiding hierover één oordeel te geven. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting in beide zaken toegelicht dat het gaat om de screenprints van de registratie van eiser in de FSV (de screenprints).
15.1 Eiser vindt dat de minister de screenprints aan hem moet verstrekken. De Belastingdienst (Toeslagen) heeft zijn geloofwaardigheid verloren en moet daarom zijn stellingen onderbouwen, aldus eiser. Eiser stelt dat hij de screenprints nodig heeft. Zonder de screenprints kan hij niet controleren of het klopt dat zijn persoonsgegevens die zijn opgenomen in de FSV niet met derden zijn gedeeld. Hij moet ook over de screenprints kunnen beschikken om in het kader van een eventueel schadeverzoek over zijn registratie in de FSV zijn bewijspositie veilig te kunnen stellen.
15.2 Eiser wijst op de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] dat het uitgangspunt is mensen zo veel mogelijk inzage te geven in hun registratie in de FSV en dat mensen daar recht op hebben op grond van de AVG. Eiser vindt dat hij in elk geval op grond van de artikelen 8:42 en 7:4 van de Awb recht heeft op de screenprints. Daarbij wijst hij op het arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018. Eiser vindt ook dat de minister artikel 6 EVRM, artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en de beginselen van fair play en equality of arms schendt als de minister hem de screenprints niet verstrekt. Hij verwijst verder nog naar verschillende algemene stukken/publicaties. Dit om te onderbouwen dat de minister een onjuist standpunt inneemt met betrekking tot de stukken die op de zaak betrekking hebben en/of dat niet zomaar kan worden uitgegaan van wat de minister stelt.
Artikel 15 van de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke duidelijkheid te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te krijgen van die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van de AVG is de betrokkene de mogelijkheid te geven zich van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en de juistheid van de persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren.
16.1 Een verwerkingsverantwoordelijke is op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verplicht aan de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens van de betrokkene die onder zijn verantwoordelijkheid worden verwerkt. Deze verplichting houdt niet in dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een kopie te verstrekken van de stukken waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een verwerkingsverantwoordelijk mag deze stukken verstrekken, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, zoals een overzicht van de persoonsgegevens. Als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15 van de AVG wordt voldaan.
16.2 Soms is het nodig dat informatie in een bepaalde context wordt geplaatst om de informatie te kunnen begrijpen. Dat kan met zich meebrengen dat de verwerkingsverantwoordelijke dan niet met een overzicht kan volstaan en de stukken moet verstrekken waarin de persoonsgegevens staan maar dan wel alleen voor zover dat nodig is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten op grond van artikel 15 van de AVG uit te kunnen oefenen. Een recht op inzage van persoonsgegevens is iets anders dan een recht op toegang tot bestuurlijke stukken. Artikel 15 van de AVG is niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke stukken te verzekeren.
ROE 24/4441 (eerste inzageverzoek) Dagboek Persoonsgericht Intensief Toezicht (PIT) 24. Eiser betwist in deze zaak verder nog dat stukken uit Dagboek PIT niet meer kunnen worden verstrekt. Eiser baseert zich op een uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 24 november 2022. In die uitspraak staat dat na het bestreden besluit nog delen van Dagboek PIT zijn teruggevonden.
De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn en vertragingsschade 26. Eiser verzoekt om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld.
ROE 22/1659 28. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 25 maart 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met meer dan twee jaren overschreden. De minister heeft op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel aan de rechtbank te wijten.
ROE 24/4441 29. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 7 januari 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met meer dan twee jaren overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is aan de minister en de rechtbank te wijten.
ROE 22/1659 en ROE 24/4441 30. De zaken zijn door de rechtbank gezamenlijk behandeld. Omdat de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp komt eiser één schadevergoeding toe per fase van gezamenlijke behandeling ingaande met de indiening van het tweede beroep op 21 oktober 2024. Op dat moment was in beide zaken de redelijke termijn met meer dan zes maanden overschreden. Daarna is de redelijke termijn nog eens met meer dan twaalf maanden overschreden. Dit betekent dat eiser in beide zaken een schadevergoeding toekomt van € 1.000,- en voor beide zaken samen nog een schadevergoeding van € 1.500,-. De termijnoverschrijding is in de ene zaak geheel aan de rechtbank te wijten en in de andere zaak aan de minister en de rechtbank. Daarom zal de minister voor de termijnoverschrijding van de minister € 1.000,- en € 740,- moeten betalen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) voor de termijnoverschrijding van de rechtbank € 1.000,- en het andere deel van € 1.500,- te weten € 760,-.
ROE 24/4441 31. Eiser heeft in deze zaak ook gevraagd om een schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bedragen. Dit verzoek is niet toewijsbaar. Van vertragingsschade is niet gebleken en ook niet dat vertragingsschade zal intreden.
Conclusie en gevolgen 32. De beroepen zijn ongegrond omdat niet slaagt wat eiser in de beroepszaken aanvoert. Eiser krijgt dus geen gelijk en de bestreden besluit blijven bestaan.
De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 3.500,-. Het verzoek om vergoeding van vertragingsschade wordt afgewezen.
Griffierecht en proceskosten In de beroepszaken 33. Eiser heeft in beide zaken een beroep op betalingsonmacht gedaan. Eiser voldoet in beide zaken niet aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht. Op grond van de door hem overgelegde stukken is zijn inkomen hoger dan het drempelbedrag. De griffier heeft de beroepen op betalingsonmacht daarom terecht afgewezen.
ROE 22/1659 34. Eiser is het er in deze zaak niet mee eens dat hij voor de behandeling van het beroep griffierecht heeft moeten betalen. Eiser vindt het heffen van griffierecht in zaken als deze in strijd met het beginsel van fair trail.
ROE 22/1659 en ROE 24/4441 36. Eiser krijgt in beide zaken de betaalde griffierechten niet terug omdat de beroepen ongegrond zijn en er overigens geen aanleiding is te bepalen dat de minister de griffierrechten moet vergoeden. Er is ook geen aanleiding voor een veroordeling van de minister in de proceskosten van eiser.
Met betrekking tot de verzoeken om schadevergoeding 37. Omdat de verzoeken om schadevergoeding worden toegewezen en de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoedingen moeten betalen, moeten de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), ieder voor de helft, een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiser in verband met de schadevergoedingsverzoeken heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten Bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift dat op beide termijnoverschrijdingen ziet. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent dat de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) elk een bedrag van € 233,50 moeten vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van de verzoeken op de zitting. De verzoeken zijn namelijk op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
Griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voor een betere leesbaarheid van de uitspraak noemt de rechtbank eiser in de uitspraak ook als daar zou moeten staan de gemachtigde van eiser namens eiser.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ABRvS) van 14 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:195).
ECLI:NL:HR:2018:672.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 2 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:647), de uitspraak van de ABRvS van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:487), de uitspraak van de ABRvS 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5088) en het arrest van het Hof van Justitie van 4 mei 2023 (ECLI:EU:C:2023:369).
ECLI:NL:HR:2015:874.
ECLI:NL:RVS:2026:978.
ECLI:NL:RBNNE:2022:4502.
Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Awb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3853).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak genoemd in noot 9.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:910) en de uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3853).
Zie de uitspraak van de ABRvS van 13 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:783).