Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2026:4251
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 22/893, ROE 22/1658 en ROE 24/4783 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen [eiser] uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire), en de minister van Financiën, (gemachtigden: mr. M.A.N. van de Kerkhoff, mr. M.M.J. Hoek).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de besluiten van de minister van 29 maart 2022, 4 juli 2022 en 29 oktober 2024 (de bestreden besluiten). Met de eerste twee besluiten heeft de minister de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en is de minister bij zijn besluiten op de inzageverzoeken van eiser van 15 november 2021 en 4 februari 2022 gebleven. Met het derde besluit heeft de minister het bezwaar van eiser tegen zijn besluit op het verzoek om schadevergoeding van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank beslist in deze uitspraak ook op de verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen en het verzoek om vergoeding van vertragingsschade.
1.1 De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken op 14 januari 2026 gelijktijdig op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank De beroepszaken Wat ging aan het instellen van de beroepen vooraf?
Wat voert eiser in de beroepen aan en slaagt dit?
ROE 22/893 (eerste inzageverzoek) Bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde 8. Eiser voert aan dat de bekendmaking van het besluit op het inzageverzoek in strijd is met artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat dit tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden.
ROE 22/893 en ROE 22/1658 (eerste en tweede inzageverzoek) De stukken 10. In beide zaken voert eiser aan dat hij het er niet mee eens is dat de minister niet alle stukken aan hem verstrekt. Alhoewel eiser in beide zaken niet precies hetzelfde aanvoert, ziet de rechtbank in de omstandigheid dat het eiser gaat om screenprints van de registratie van eiser in de FSV (de screenprints) aanleiding hierover één oordeel te geven.
10.1 Eiser vindt dat de minister de screenprints aan hem moet verstrekken. De Belastingdienst heeft zijn geloofwaardigheid verloren en moet daarom zijn stellingen onderbouwen, aldus eiser. Eiser stelt dat hij de screenprints nodig heeft. Zonder de screenprints kan hij niet controleren wat de minister beweert. Hij moet ook over de screenprints kunnen beschikken om in het kader van een eventueel schadeverzoek over zijn registratie in de FSV zijn bewijspositie veilig te kunnen stellen.
10.2 Eiser wijst op de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] dat het uitgangspunt is mensen zo veel mogelijk inzage te geven in hun registratie in de FSV en dat mensen daar recht op hebben op grond van de AVG. Eiser vindt dat hij in elk geval op grond van de artikelen 8:42 en 7:4 van de Awb recht heeft op de screenprints. Daarbij wijst hij op het arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018. Eiser vindt ook dat de minister artikel 6 EVRM schendt als de minister hem de screenprints niet verstrekt. Hij verwijst verder nog naar verschillende algemene stukken/publicaties. Dit om te onderbouwen dat de minister een onjuist standpunt inneemt met betrekking tot de stukken die op de zaak betrekking hebben en/of dat niet zomaar kan worden uitgegaan van wat de minister stelt.
Artikel 15 van de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke duidelijkheid te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te krijgen van die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van de AVG is de betrokkene de mogelijkheid te geven zich van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en om de juistheid van de persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren.
11.1 Een verwerkingsverantwoordelijke is op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verplicht aan de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens van de betrokkene die onder zijn verantwoordelijkheid worden verwerkt. Deze verplichting houdt niet in dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een kopie te verstrekken van de stukken waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een verwerkingsverantwoordelijke mag deze stukken verstrekken, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, zoals een overzicht van de persoonsgegevens. Als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15 van de AVG wordt voldaan.
11.2 Soms is het nodig dat informatie in een bepaalde context wordt geplaatst om de informatie te kunnen begrijpen. Dat kan met zich meebrengen dat de verwerkingsverantwoordelijke dan niet met een overzicht kan volstaan en de stukken moet verstrekken waarin de persoonsgegevens staan maar dan wel alleen voor zover dat nodig is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten op grond van artikel 15 van de AVG uit te kunnen oefenen. Een recht op inzage van persoonsgegevens is iets anders dan een recht op toegang tot bestuurlijke stukken. Artikel 15 van de AVG is niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke stukken te verzekeren.
Het delen van persoonsgegevens met de gemeente 19. Eiser voert aan dat zijn persoonsgegevens die in de FSV zijn opgenomen met de gemeente Sittard-Geleen moeten zijn gedeeld omdat de gemeente zijn persoonsgegevens bij de Belastingdienst heeft opgevraagd al vóórdat hij een uitkering bij de gemeente heeft aangevraagd.
Dagboek Persoonsgericht Intensief Toezicht (PIT) 21. Eiser betwist verder nog dat stukken uit Dagboek PIT niet meer kunnen worden verstrekt.
ROE 24/4783 (schadevergoeding registratie FSV) 23. Het bestreden besluit in deze zaak is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb; een besluit op bezwaar. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997 (waarnaar de Afdeling in de door de minister aangehaalde uitspraak verwijst) kan de minister daarom niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is op het beroep te beslissen. De rechtbank beslist als volgt.
De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn en vertragingsschade 30. Eiser verzoekt ook om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld.
ROE 22/893 32. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 31 december 2021 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met meer dan twee jaren overschreden. De minister heeft op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel aan de rechtbank te wijten.
ROE 22/1658 33. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 24 maart 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met meer dan twee jaren overschreden. De minister heeft op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel aan de rechtbank te wijten.
ROE 22/893 en ROE 22/1658 34. Deze zaken zijn door de rechtbank gezamenlijk behandeld. Omdat de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp komt eiser één schadevergoeding toe per fase van gezamenlijke behandeling ingaande met de indiening van het tweede beroep op 1 augustus 2022. De redelijke termijn is in beide zaken pas daarna overschreden. Dit betekent dat eiser voor beide zaken samen één schadevergoeding toekomt van € 2.500,-. Omdat de termijnoverschrijdingen aan de rechtbank zijn te wijten zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen.
ROE 24/4783 35. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 21 augustus 2024 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is op het moment van de uitspraak nog niet overschreden.
ROE 22/893 en ROE 24/4783 36. Eiser heeft in deze zaken ook gevraagd om een schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bedragen. Dit verzoek is niet toewijsbaar. Van vertragingsschade is niet gebleken en ook niet dat de schade zal intreden.
Conclusie en gevolgen 37. De beroepen zijn ongegrond omdat niet slaagt wat eiser in de beroepszaken aanvoert. Eiser krijgt dus geen gelijk en de bestreden besluiten blijven in stand.
Twee verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 2.500,-. De andere verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.
Griffierechten en proceskosten In de beroepszaken ROE 22/1658 en ROE 24/4783 38. Eiser heeft in beide zaken een beroep op betalingsonmacht gedaan. Eiser voldoet niet aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht. Op grond van de door hem overgelegde stukken is zijn inkomen hoger dan het drempelbedrag. De griffier heeft de beroepen op betalingsonmacht daarom terecht afgewezen.
ROE 22/893 en ROE 22/1658 39. Eiser is het er in deze zaken niet mee eens dat hij voor de behandeling van de beroepen griffierecht heeft moeten betalen. Eiser vindt het heffen van griffierecht in zaken als deze onredelijk en in strijd met het beginsel van fair trail.
ROE 22/893 en ROE 22/1658 41. Eiser krijgt in deze zaken de betaalde griffierechten niet terug omdat de beroepen ongegrond zijn en er overigens geen aanleiding is te bepalen dat de minister de griffierrechten moet vergoeden.
ROE 22/893, ROE 22/1658 en ROE 24/4783 42. Er is in geen van de zaken aanleiding voor een veroordeling van de minister in de proceskosten van eiser.
Met betrekking tot de verzoeken om schadevergoeding die worden toegewezen 43. Omdat twee verzoeken om schadevergoeding worden toegewezen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoedingen moeten betalen, moet de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ook een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiser in verband met de schadevergoedingsverzoeken heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift dat op beide termijnoverschrijdingen ziet. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) een bedrag van € 467,- moeten vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van de verzoeken op de zitting. De verzoeken zijn namelijk op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen.
Wat overigens nog aan de orde is geweest Roe 22/1658 44. Eiser heeft in deze zaak een brief overgelegd van de Belastingdienst van 29 juli 2023 waarin hij geïnformeerd wordt over de uitkomst van het onderzoek naar de gevolgen die hem registratie in de FSV voor hem heeft gehad. In de brief staat dat eiser niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. Eiser ziet deze brief als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb en stelt zich op het standpunt dat het beroep ook betrekking heeft op deze brief.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voor een betere leesbaarheid van de uitspraak noemt de rechtbank eiser in de uitspraak ook als daar zou moeten staan de gemachtigde van eiser namens eiser.
ECLI:NL:HR:2018:672.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 2 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:647), de uitspraak van de ABRvS van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:487), de uitspraak van de ABRvS 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5088) en het arrest van het Hof van Justitie van 4 mei 2023 (ECLI:EU:C:2023:369).
ECLI:NL:HR:2015:874.
ECLI:NL:RVS:2026:978.
ECLI:NL:RVS:AA6762.
De uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2891).
ECLI:NL:RVS:2024:2891.
ECLI:NL:CRVB:2022:1201, RBOBE:2024:6375 en RBNHO:2015:1087.
Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Awb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3853).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak genoemd in noot 11.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:910) en de uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3853).
Zie de uitspraak van de ABRvS van 13 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:783).
ECLI:NL:RVS:2025:2730.