Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2026:4254
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23/1496 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres] uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire), en de Minister van Financiën (gemachtigden: mr. M.A.N. van de Kerkhoff, mr. M.M.J. Hoek).
Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiseres tegen het besluit van de minister van 12 juni 2023 (het bestreden besluit). De minister is met het bestreden besluit bij de toewijzing van het inzageverzoek van eiseres van 2 september 2022 gebleven. De rechtbank beslist ook op het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen en op het verzoek om vergoeding van vertragingsschade.
1.1 De rechtbank heeft het beroep en de verzoeken op 23 februari 2026 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft deze zaak samen behandeld met de zaken met zaaknummers: ROE 22/2755, ROE 23/615, ROE 23/1593, 23/1594 en ROE 24/4211. De rechtbank doet in de zaken van de andere eiser/eiseressen afzonderlijk uitspraak en in deze uitspraak dus alleen uitspraak op het beroep en de verzoeken van eiseres.
Beoordeling door de rechtbank De beroepszaken Wat ging aan het instellen van het beroep vooraf?
Wat voert eiseres in beroep aan en slaagt dit?
Bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde 5. Eiseres voert eerst aan dat de bekendmaking van het besluit op het inzageverzoek in strijd is met artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat dit tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden.
De stukken 7. Eiseres voert verder aan dat zij het er niet mee eens is dat de minister niet alle stukken aan haar verstrekt. Eiseres vindt dat de minister alle stukken aan haar moet verstrekken. Zij stelt een groot belang te hebben bij alle stukken in verband met genoegdoening/compensatie, (im)materiële schadevergoeding en in algemene zin dat vaststaat dat de minister gegevens die in de FSV zijn opgenomen met derden heeft gedeeld. Zij wil inzicht krijgen in wat er is gebeurd en bewijs veiligstellen en verzamelen. Eiseres stelt dat zij jaren onder het vergrootglas van de gemeente heeft gelegen en wil weten hoe dat komt.
7.1 Eiseres wijst op de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] dat het uitgangspunt is mensen zo veel mogelijk inzage te geven in hun registratie in de FSV en dat mensen daar recht op hebben op grond van de AVG. Zij verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 september 2022. Eiseres vindt dat zij in elk geval op grond van de artikelen 8:42 en 7:4 van de Awb recht heeft op alle stukken. Eiseres verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018 en verschillende algemene stukken/publicaties. Dit laatste om te onderbouwen dat de minister een onjuist standpunt inneemt met betrekking tot de stukken die op de zaak betrekking hebben en/of dat niet zomaar kan worden uitgegaan van wat de minister stelt.
Artikel 15 van de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke duidelijkheid te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te krijgen van die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van de AVG is de betrokkene de mogelijkheid te geven zich van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en de juistheid van de persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren.
9.1 Een verwerkingsverantwoordelijke is op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verplicht aan de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens van de betrokkene die onder zijn verantwoordelijkheid worden verwerkt. Deze verplichting houdt niet in dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een kopie te verstrekken van de stukken waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een verwerkingsverantwoordelijk mag deze stukken verstrekken, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, zoals een overzicht van de persoonsgegevens. Als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15 van de AVG wordt voldaan.
9.2 Soms is het nodig dat informatie in een bepaalde context wordt geplaatst om de informatie te kunnen begrijpen. Dat kan met zich meebrengen dat de verwerkingsverantwoordelijke dan niet met een overzicht kan volstaan en de stukken moet verstrekken waarin de persoonsgegevens staan maar dan wel alleen voor zover dat nodig is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten op grond van artikel 15 van de AVG uit te kunnen oefenen. Een recht op inzage van persoonsgegevens is iets anders dan een recht op toegang tot bestuurlijke stukken. Artikel 15 van de AVG is niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke stukken te verzekeren.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de minister te verzoeken de screenprints over te leggen of om toepassing te geven aan haar bevoegdheden om een onderzoek ter plaatse in te (laten) stellen en de FSV in te (laten) zien zoals door eiseres gevraagd.
Dagboek Persoonsgericht Intensief Toezicht (PIT) 16. Eiseres betwist verder nog dat stukken uit Dagboek PIT niet meer kunnen worden verstrekt.
Ontvangst stukken in bezwaar 18. Eiseres vindt dat zij de stukken in bezwaar eerder had kunnen en moeten krijgen. Zij verwijst naar wat zij tijdens de hoorzitting daarover heeft aangevoerd.
De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn en vertragingsschade 20. Eiseres verzoekt ook om vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld.
Het verzoek om schadevergoeding worden toegewezen tot een bedrag van € 1.500,-. Het verzoek om vergoeding van vertragingsschade wordt afgewezen.
Griffierecht en proceskosten In de beroepszaak 25. Eiseres heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan. Eiseres voldoet niet aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht. Op grond van de door haar overgelegde stukken is haar inkomen hoger dan het drempelbedrag. De griffier heeft het beroep op betalingsonmacht daarom terecht afgewezen. Omdat eiseres griffierecht ziet als een financieel obstakel om toegang tot de rechter te krijgen verwijst de rechtbank om haar te informeren nog naar de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019.
Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding 27. Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moet betalen, moet de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ook een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiseres in verband met het schadevergoedingsverzoek heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) een bedrag van € 467,- moet vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van het verzoek op de zitting. Het verzoek is op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen.
Wat overigens nog aan de orde is geweest 28. Eiseres heeft in deze procedure een brief overgelegd van de Belastingdienst van 29 juli 2023 waarin zij geïnformeerd wordt over de uitkomst van het onderzoek naar de gevolgen die haar registratie in de FSV voor haar heeft gehad. In de brief staat dat eiseres niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. Eiseres ziet deze brief als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb en stelt zich op het standpunt dat het beroep ook betrekking heeft op deze brief.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voor een betere leesbaarheid van de uitspraak noemt de rechtbank eiseres in de uitspraak ook als daar zou moeten staan de gemachtigde van eiseres namens eiseres.
ECLI:NL:RBDHA:2022:11521.
ECLI:NL:HR:2018:672.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 2 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:647), de uitspraak van de ABRvS van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:487), de uitspraak van de ABRvS 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5088) en het arrest van het Hof van Justitie van 4 mei 2023 (ECLI:EU:C:2023:369).
ECLI:NL:HR:2015:874.
ECLI:NL:RVS:2026:978.
Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Awb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van18 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3853).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak genoemd in noot 8.
ECLI:NL:RVS:2019:783.
ECLI:NL:RVS:2025:2730.