Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2026:4259
RECHTBANK LIMBURG Bestuursrecht zaaknummers: ROE 23/615 en ROE 24/4211 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen [eiseres] uit [woonplaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire), en de minister van Financiën, (gemachtigden: mr. M.A.N. van de Kerkhoff, mr. M.M.J. Hoek).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de besluiten van (inmiddels) de minister van 17 februari 2023 en 17 september 2024 (de bestreden besluiten). Met het eerste besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is de minister bij zijn besluit op het inzageverzoek van eiseres van 6 april 2022 gebleven. Met het tweede besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen zijn besluit op het verzoek om schadevergoeding van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank beslist in deze uitspraak ook op het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen (in ROE 23/615) en op de verzoeken om vergoeding van vertragingsschade.
1.1 De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken op 23 februari 2026 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft deze zaken samen behandeld met de zaken met zaaknummers: ROE/22/2755, ROE/23/1496, ROE 23/1593 en ROE 23/1594. De rechtbank doet in de zaken van de andere eiser/eiseressen afzonderlijk uitspraak en in deze uitspraak dus alleen uitspraak op de beroepen en verzoeken van eiseres.
De rechtbank heeft in het verzoek geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en wijst het verzoek af. Wat eiseres aanvoert geeft geen reden te oordelen dat het onderzoek in deze zaken niet volledig zijn geweest. Dit alleen al omdat het aantreffen van die datakluis en wat daar uit zou kunnen komen niet tot een andere uitkomst van deze zaken kan leiden gelet op de vragen die in deze zaken voorliggen.
Beoordeling door de rechtbank De beroepszaken Wat ging aan het instellen van de beroepen vooraf?
Wat voert eiser in de beroepszaken aan en slaagt dit?
ROE 23/615 (inzageverzoek) Bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde 7. Eiseres voert in deze zaak aan dat de bekendmaking van het bestreden besluit in strijd is met artikel 2:1 van de Awb en dat dit tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden.
De stukken 9. Eiseres voert ook aan dat zij het er niet mee eens is dat de minister niet alle stukken aan haar verstrekt. Het gaat eiseres om de screenprints van haar registratie in de FSV (de screenprints). Eiseres stelt dat zij de screenprints nodig heeft om te kunnen controleren wat de minister beweert.
9.1 Eiseres wijst op de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën Van Rij dat het uitgangspunt is mensen zo veel mogelijk inzage te geven in hun registratie in de FSV en dat mensen daar recht op hebben op grond van de AVG. Eiseres vindt dat zij in elk geval op grond van de artikelen 8:42 en 7:4 van de Awb recht heeft op de screenprints. Daarbij wijst zij op het arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018. Zij verwijst verder nog naar verschillende algemene stukken/publicaties. Dit om te onderbouwen dat de minister een onjuist standpunt inneemt met betrekking tot de stukken die op de zaak betrekking hebben en/of dat niet zomaar kan worden uitgegaan van wat de minister stelt.
Artikel 15 van de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke duidelijkheid te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te krijgen van die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van de AVG is de betrokkene de mogelijkheid te geven zich van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en om de juistheid van de persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren.
10.1 Een verwerkingsverantwoordelijke is op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verplicht aan de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens van de betrokkene die onder zijn verantwoordelijkheid worden verwerkt. Deze verplichting houdt niet in dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een kopie te verstrekken van de stukken waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een verwerkingsverantwoordelijke mag deze stukken verstrekken, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, zoals een overzicht van de persoonsgegevens. Als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15 van de AVG wordt voldaan.
10.2 Soms is het nodig dat informatie in een bepaalde context wordt geplaatst om de informatie te kunnen begrijpen. Dat kan met zich meebrengen dat de verwerkingsverantwoordelijke dan niet met een overzicht kan volstaan en de stukken moet verstrekken waarin de persoonsgegevens staan maar dan wel alleen voor zover dat nodig is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten op grond van artikel 15 van de AVG uit te kunnen oefenen. Een recht op inzage van persoonsgegevens is iets anders dan een recht op toegang tot bestuurlijke stukken. Artikel 15 van de AVG is niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke stukken te verzekeren.
De persoonsgegevens waarvan inzage is geweigerd 17. Eiseres voert verder aan dat de motivering van de geweigerde inzage heel vaag is en niet op juistheid te controleren is. Eiseres vindt niet aannemelijk gemaakt dat de minister aan de uitzonderingsgrond toepassing kon geven.
18.1 Omdat het klopt dat op grond hiervan de juistheid van de geweigerde inzage niet te controleren is en dus alleen op grond hiervan niet kan worden beoordeeld of de minister toepassing aan deze uitzonderingsgrond heeft mogen geven, heeft de rechtbank op de zitting met partijen besproken dat zij de geweigerde inzage kan beoordelen met kennisneming van de geweigerde persoonsgegevens. De minister was bereid deze persoonsgegevens met een verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb aan de rechtbank te overleggen. De rechtbank heeft de beperkte kennisneming als gerechtvaardigd beoordeeld. Omdat de rechtbank van eiseres geen toestemming heeft gekregen om de geweigerde persoonsgegevens in te zien, kan de rechtbank de geweigerde inzage niet beoordelen. Dit komt voor risico van eiseres. De rechtbank ziet op grond van de informatie die zij wel heeft geen reden om aan de juistheid van de beslissing van de minister te twijfelen. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet.
Het delen van persoonsgegevens met de gemeente 19. Eiseres voert ook nog aan dat het antwoord van de minister op de vraag of gegevens zijn gedeeld met de gemeente veel te algemeen is. Eiseres vindt de enkele opmerking dat nog eens om een controle op BSN-nummer is gevraagd onvoldoende om ervan uit te kunnen gaan dat eiseres niet op de lijst staat van personen van wie persoonsgegevens in de FSV met andere instanties zijn gedeeld. Eiseres wijst erop dat de Belastingdienst op grote schaal persoonsgegevens in de FSV met andere instanties heeft gedeeld.
De rechtbank vindt met de door de minister overgelegde e-mails over de controle op BSN-nummer verder voldoende aannemelijk dat deze controle is verricht en dat eiseres niet op de lijst staat van personen van wie persoonsgegevens in de FSV met andere instanties zijn gedeeld. De enkele omstandigheid dat de Belastingdienst op grote schaal persoonsgegevens in de FSV met andere instanties heeft gedeeld geeft onvoldoende reden om te oordelen dat dit in dit geval toch is gebeurd en dat dus niet kan worden aangenomen dat de controle is verricht en de uitkomst is dat persoonsgegevens van eiseres die in de FSV staan niet met andere instanties zijn gedeeld. Voor zover eiseres dus heeft willen aanvoeren dat het bestreden besluit niet goed gemotiveerd is en de inzage onvolledig is geweest slaagt dit niet.
Dagboek Persoonsgericht Intensief Toezicht (PIT) 21. Eiseres betwist tot slot dat stukken uit Dagboek PIT niet meer kunnen worden verstrekt.
ROE 24/4211 (schadevergoeding registratie FSV) 23. Het bestreden besluit in deze zaak is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb; een besluit op bezwaar. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997 (waarnaar de Afdeling in de door de minister aangehaalde uitspraak verwijst) kan de minister daarom niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is op het beroep te beslissen. De rechtbank beslist als volgt.
Bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde 25. Eiseres voert in deze zaak aan dat het besluit op het verzoek om schadevergoeding in strijd met artikel 2:1 en artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bekend is gemaakt.
Motiveringsgebrek 27. Eiseres verwijst naar wat zij in bezwaar heeft aangevoerd over dat de minister niet duidelijk heeft gemaakt waarom geen rechtsmiddel tegen de afwijzing van het schadeverzoek kan worden aangewend.
De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn en vertragingsschade ROE 23/615 29. Eiseres verzoekt om vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld.
ROE 23/615 en ROE 24/4211 32. Eiseres vraagt in beide zaken ook om een schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bedragen. Dit verzoek is niet toewijsbaar. Van vertragingsschade is niet gebleken en ook niet dat de schade zal intreden.
Conclusie en gevolgen 33. De beroepen zijn ongegrond omdat niet slaagt wat eiseres in de beroepszaken aanvoert. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de bestreden besluiten blijven in stand.
Het verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 2.000,-. De andere verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.
Griffierechten en proceskosten In de beroepszaken ROE 23/615 34. Omdat de rechtbank in deze zaak het bevoegdheidsgebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeert heeft eiseres recht op vergoeding van de proceskosten die zij voor de behandeling van het beroep heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de vergoeding vast op een bedrag van € 1.868,-. De rechtbank telt één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen van de gemachtigde op de zitting. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 1 toe. De rechtbank heeft voor de behandeling van het beroep geen griffierecht geheven. De minister hoeft het griffierecht daarom niet te vergoeden.
ROE 24/2311 35. Eiseres heeft in deze zaak een beroep op betalingsonmacht gedaan. Eiseres voldoet niet aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht. Op grond van het door haar overgelegde stuk is haar inkomen gelijk aan en dus niet lager dan het drempelbedrag. De griffier heeft het beroep op betalingsonmacht daarom terecht afgewezen.
Met betrekking tot de verzoeken om schadevergoeding die worden toegewezen 37. Omdat het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen en de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen, moeten de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ook een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiseres in verband met het schadevergoedingsverzoek heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent dat de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) elk een bedrag van € 233,50 moeten vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van het verzoek op de zitting. Het verzoek is namelijk op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen.
Wat overigens nog aan de orde is geweest ROE 23/615 38. Eiseres heeft in deze zaak een brief overgelegd van de Belastingdienst van 29 juli 2023 waarin zij geïnformeerd wordt over de uitkomst van het onderzoek naar de gevolgen die de registratie in de FSV voor haar heeft gehad. In de brief staat dat eiseres niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. Eiseres ziet deze brief als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb en stelt zich op het standpunt dat het beroep ook betrekking heeft op deze brief.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
Griffier Rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voor een betere leesbaarheid van de uitspraak noemt de rechtbank eiseres in de uitspraak ook als daar zou moeten staan de gemachtigde van eiseres namens eiseres.
Zie ro 6.
Zie brief van 9 maart 2026.
ECLI:NL:HR:2018:672.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 2 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:647), de uitspraak van de ABRvS van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:487), de uitspraak van de ABRvS 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5088) en het arrest van het Hof van Justitie van 4 mei 2023 (ECLI:EU:C:2023:369).
ECLI:NL:HR:2015:874.
ECLI:NL:RVS:2026:978.
Zie ro 2.
ECLI:NL:RVS:AA6762.
De uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2891).
ECLI:NL:RVS:2024:2891.
Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Awb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3853).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak genoemd in noot 13.
ECLI:NL:RVS:2025:2730.