Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2026:4261
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 22/2328, ROE 24/4072 en ROE 24/4458 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen [eiseres] uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire), en de minister van Financiën (gemachtigden: mr. M.A.N. van de Kerkhoff, mr. M.M.J. Hoek).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de besluiten van de minister van 12 september 2022, 16 augustus 2024 en 10 oktober 2024 (de bestreden besluiten). Met het eerste besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is hij bij zijn besluit op het inzageverzoek van eiseres van 4 april 2022 gebleven. Met het tweede besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen zijn voorlopige conclusie op het verzoek om schadevergoeding van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Met het derde besluit heeft de minister het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank beslist in deze uitspraak ook op de verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen en de verzoeken om vergoeding van vertragingsschade.
1.1 De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken op 22 januari 2026 gelijktijdig op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank De beroepszaken Wat ging aan het instellen van de beroepen vooraf?
Wat voert eiseres in de beroepszaken aan en slaagt dit?
ROE 22/2328 (inzage in de FSV) 8. Eiseres is het er in deze zaak niet mee eens dat de minister niet alle stukken aan haar verstrekt. Het gaat eiseres om de screenprints van haar registratie in de FSV (de screenprints). Eiseres vindt dat de minister de screenprints aan haar moet verstrekken. Eiseres is door de gemeente als fraudeur aangemerkt en heeft problemen gehad met haar uitkering. Zij wil weten hoe dit kon gebeuren en vermoedt dat gegevens die in de FSV zijn opgenomen met de gemeente zijn gedeeld.
8.1 Eiseres wijst op de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] dat het uitgangspunt is mensen zo veel mogelijk inzage te geven in hun registratie in de FSV en dat mensen daar recht op hebben op grond van de AVG. Eiseres vindt dat zij in elk geval op grond van de artikelen 8:42 en 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) recht heeft op de screenprints. Daarbij wijst zij op het arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018. Eiseres vindt ook dat de minister artikel 6 EVRM schendt als de minister haar de screenprints niet verstrekt. Zij verwijst verder nog naar verschillende algemene stukken/publicaties. Dit om te onderbouwen dat de minister een onjuist standpunt inneemt met betrekking tot de stukken die op de zaak betrekking hebben en/of dat niet zomaar kan worden uitgegaan van wat de minister stelt.
Artikel 15 van de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke duidelijkheid te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te krijgen van die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van de AVG is de betrokkene de mogelijkheid te geven zich van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en om de juistheid van de persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren.
9.1 Een verwerkingsverantwoordelijke is op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verplicht aan de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens van de betrokkene die onder zijn verantwoordelijkheid worden verwerkt. Deze verplichting houdt niet in dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een kopie te verstrekken van de stukken waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een verwerkingsverantwoordelijke mag deze stukken verstrekken, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, zoals een overzicht van de persoonsgegevens. Als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15 van de AVG wordt voldaan.
9.2 Soms is het nodig dat informatie in een bepaalde context wordt geplaatst om de informatie te kunnen begrijpen. Dat kan met zich meebrengen dat de verwerkingsverantwoordelijke dan niet met een overzicht kan volstaan en de stukken moet verstrekken waarin de persoonsgegevens staan maar dan wel alleen voor zover dat nodig is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten op grond van artikel 15 van de AVG uit te kunnen oefenen. Een recht op inzage van persoonsgegevens is iets anders dan een recht op toegang tot bestuurlijke stukken. Artikel 15 van de AVG is niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke stukken te verzekeren.
ROE 24/4072 (voorlopige conclusie schadevergoedingsverzoek FSV) 17. Het bestreden besluit in deze zaak is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb; een besluit op bezwaar. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997 kan de minister niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is op het beroep te beslissen.
ROE 24/4458 (definitief besluit schadevergoedingsverzoek FSV) 22. Ook een zaak van openbare orde is de bevoegdheid van de rechtbank om op een beroep te beslissen. De rechtbank is van oordeel dat zij niet bevoegd is om op het beroep van eiseres tegen het definitieve besluit op het verzoek om schadevergoeding van eiseres voor haar registratie in de FSV te beslissen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024. De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat de bestuursrechtelijke weg in een geval als dit niet openstaat en dat hierover alleen bij de burgerlijke rechter kan worden geprocedeerd. De Afdeling heeft uitgebreid toegelicht hoe zij tot dit oordeel komt. De rechtbank ziet daarin reden te volstaan met een verwijzing naar die uitspraak. Dat eiseres de weg naar de civiele rechter niet als een ‘effective remedy’ ziet als bedoeld in artikel 13 van het EVRM geeft geen aanleiding die uitspraak niet te volgen. De rechtbank komt hierdoor aan wat eiseres verder in deze zaak nog aanvoert niet meer toe.
De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn en vertragingsschade 23. Eiseres verzoekt om vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld.
ROE 22/2328 25. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres door de minister op 29 juni 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met bijna twee jaren overschreden. De minister heeft op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel aan de rechtbank te wijten. Dit betekent dat eiseres een schadevergoeding toekomt van € 2.000,-. Omdat de termijnoverschrijding aan de rechtbank is te wijten zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen.
ROE 24/4072 en ROE 24/4458 26. De redelijke termijn is in beide zaken begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres door de minister op 12 augustus 2024 dan wel 23 oktober 2024 en loopt in beide zaken tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is in beide zaken op het moment van de uitspraak nog niet overschreden.
ROE 22/2328, ROE 24/4072 en ROE 24/4458 27. Eiseres heeft in alle zaken gevraagd om een schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente over na te betalen bedragen. Dit verzoek is niet toewijsbaar. Van vertragingsschade is niet gebleken en ook niet dat vertragingsschade zal intreden.
Conclusie en gevolgen 28. De rechtbank mag niet beslissen op het beroep dat geregistreerd is onder zaaknummer ROE 24/4458. Het beroep gaat over schade die eiseres stelt te hebben geleden als gevolg van haar registratie in de FSV en daarover kan zij alleen een vordering bij de burgerlijke rechter instellen. De andere twee beroepen zijn ongegrond omdat niet slaagt wat eiseres in die beroepszaken aanvoert. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de bestreden besluiten blijven in stand.
Eén verzoek om schadevergoeding worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-. De andere verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.
Griffierecht en proceskosten In de beroepszaken 29. Eiseres heeft in alle zaken een beroep op betalingsonmacht gedaan. Eiseres voldoet in de zaak met zaaknummer ROE 22/2328 niet aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht. Op grond van de door haar overgelegde stukken is haar inkomen hoger dan het drempelbedrag. De griffier heeft het beroep op betalingsonmacht daarom terecht afgewezen.
ROE 22/2328 31. Eiseres is het er in deze zaak niet mee eens dat zij voor de behandeling van het beroep in deze zaak griffierecht heeft moeten betalen. Zij vindt het heffen van griffierecht in zaken als deze in strijd met artikel 6 EVRM.
ROE 22/2328, ROE 24/4072 en ROE 24/4458 34. Er is in geen van de beroepszaken aanleiding voor een veroordeling van de minister in de proceskosten van eiseres.
Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding dat wordt toegewezen 35. Omdat één verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen, moet de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ook een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiseres in verband met dat schadevergoedingsverzoek heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten Bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) een bedrag van € 467,- moeten vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van het verzoek op de zitting. Het verzoek is namelijk op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen.
Wat overigens nog aan de orde is geweest ROE 22/2328 36. Eiseres heeft in deze zaak een brief overgelegd van de Belastingdienst van 29 juli 2023 waarin zij geïnformeerd wordt over de uitkomst van het onderzoek naar de gevolgen die haar registratie in de FSV voor haar heeft gehad. In de brief staat dat eiseres niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. Eiseres ziet deze brief als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb en stelt zich op het standpunt dat het beroep ook betrekking heeft op deze brief.
Beslissing De rechtbank:
ROE 24/4458
ROE 22/2328 en ROE 24/4072
ROE 22/2328
ROE 22/2328, ROE 24/4072 en ROE 24/4458
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
Griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voor een betere leesbaarheid van de uitspraak noemt de rechtbank eiseres in de uitspraak ook als daar zou moeten staan de gemachtigde van eiseres namens eiseres.
ECLI:NL:HR:2018:672.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 2 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:647), de uitspraak van de ABRvS van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:487), de uitspraak van de ABRvS 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5088) en het arrest van het Hof van Justitie van 4 mei 2023 (ECLI:EU:C:2023:369).
ECLI:NL:HR:2015:874.
ECLI:NL:RVS:2026:978.
ECLI:NL:RVS:AA6762.
ECLI:NL:RVS:2024:2891.
Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Awb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3853).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak genoemd in noot 9.
Zie de uitspraak van de ABRvS van 13 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:783).
ECLI:NL:RVS:2025:2730.