Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2026:4332
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 24/4314 en ROE 25/176 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de deken van de Orde van Advocaten Limburg.
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over twee lasten onder dwangsom die aan eiser zijn opgelegd wegens het niet tijdig aanleveren van de door de deken opgevraagde gegevens, en over de invordering van een verbeurde dwangsom. Eiser is het niet eens met deze lasten en het invorderingsbesluit en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de deken de lasten onder dwangsom heeft mogen opleggen. De deken is daartoe bevoegd en de lasten zijn evenredig en voldoende duidelijk geformuleerd. Eiser krijgt ten aanzien van de lasten dus geen gelijk en de beroepen daartegen zijn dus ongegrond. De rechtbank komt in deze uitspraak verder tot het oordeel dat eiser de dwangsom waarop het invorderingsbesluit ziet niet heeft verbeurd. Het beroep daartegen is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 2. Op 4 juni 2024 heeft de deken aan eiser een last onder dwangsom opgelegd (last 1). Deze last houdt in dat eiser op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht is om binnen drie weken de opgave CCV individueel over het jaar 2023 in te dienen op straffe van een dwangsom van € 500,- per week dat niet aan de last wordt voldaan, met een maximum van € 5.000,-.
2.1.
Met het bestreden besluit 1 van 12 september 2024 op het bezwaar van eiser is de deken bij dat besluit gebleven.
3.1.
Met het bestreden besluit 2 van 7 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de deken bij dat besluit gebleven.
4.1.
De deken heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
Beoordeling door de rechtbank Waar gaan de zaken over 7. Eiser is sinds 2008 werkzaam als advocaat. Hij voert zijn kantoor in de vorm van een eenmanszaak.
7.1.
De deken heeft eiser bij herhaling verzocht om de opgave CCV individueel over het jaar 2023 in te dienen. Toen eiser dat naliet heeft de deken last 1 opgelegd. Eiser heeft vervolgens binnen de begunstigingstermijn de opgave ingediend, zodat hij geen dwangsom heeft verbeurd.
7.2.
De deken heeft eiser ook bij herhaling verzocht om de opgave Kengetallen, Kantooropgave en inlichtingen 2024 in te dienen. Toen eiser dat naliet heeft de deken last 2 opgelegd. Eiser heeft uiteindelijk na afloop van de begunstigingstermijn de opgave ingediend. De deken heeft eiser een week na afloop van de begunstigingstermijn laten weten dat hij een dwangsom van € 500,- had verbeurd. Eiser heeft deze dwangsom betaald. De deken heeft eiser vervolgens met het invorderingsbesluit van 26 mei 2025 laten weten dat eiser een tweede dwangsom van € 500,- had verbeurd en dat de deken deze dwangsom zou invorderen.
Toetsingskader 9. De deken wordt in artikel 45a van de Advocatenwet (Aw) aangewezen als toezichthouder van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met inbegrip van toezicht op verordeningen van de Nederlandse orde van advocaten en enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
9.1.
De deken beschikt als toezichthouder in de zin van artikel 5:11 Awb bij het uitoefenen van zijn taak over diverse bevoegdheden, waaronder het vorderen van inlichtingen en de inzage van zakelijke gegevens en bescheiden. Artikel 5:20, eerste lid, van de Awb, bepaalt dat een ieder verplicht is aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
9.2.
De grenzen van de genoemde toezichthoudende bevoegdheden van de deken worden gevormd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het voorschrift van artikel 5:13 van de Awb, dat bepaalt dat een toezichthouder van zijn bevoegdheden slechts gebruik mag maken voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is (het evenredigheidsbeginsel), dat ook reeds in artikel 5:20, eerste lid, van de Awb, is verwoord. Uitgangspunt daarbij is dat de deken een ruime beoordelingsvrijheid heeft.
9.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Is de deken bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom?
Kent de uitvraag van informatie een voldoende rechtsgrond?
13.1.
De rechtbank acht verder van belang dat de uitvraag van informatie door de deken is gebaseerd op zijn toezichthoudende taak op de naleving door advocaten in het arrondissement van onder meer het bepaalde bij of krachtens de Aw (artikel 45a , eerste lid, van de Aw) en het bepaalde bij of krachtens de Wet ter voorkoming van Witwassen en financieren van terrorisme (artikel 24, tweede lid, Wwft). De deken kan ten behoeve van dat toezicht op grond van artikel 5:16 van de Awb inlichtingen vorderen. Met het specifiek opvragen van financiële informatie kan de deken nagaan of wordt voldaan aan de administratieplicht van artikel 6.5 van de Verordening op de advocatuur (Voda). Bovendien geven de financiële kengetallen de deken inzicht in mogelijke (financiële) risico’s van een advocatenkantoor. Dat maakt toezicht op onder meer het kerndoel van de advocatuur, het belang van een goede rechtsbedeling, en de kernwaarden mogelijk. Een kwetsbare financiële positie kan immers een bedreiging vormen voor de continuïteit van het kantoor, de onafhankelijkheid en integriteit van de advocaat en de kwaliteit van de dienstverlening, waardoor rechtszoekenden (ernstig) kunnen worden benadeeld.
13.2.
Dat met de uitvraag inbreuk wordt gemaakt op eisers privacy is niet zonder meer aannemelijk. De deken heeft terecht gesteld dat er enkel om financiële informatie van het advocatenkantoor, in dit geval de eenmanszaak, wordt gevraagd. Het betreft dus enkel zakelijke (financiële) informatie over de uitvoering van de advocatenpraktijk en niet van eiser in privé. Voor zover de gevraagde informatie over eisers praktijk hem ook privé betreft, overweegt de rechtbank dat de gevraagde gegevens beperkt zijn in omvang en reeds behoren tot de eisers administratie uit hoofde van zijn verplichting om een behoorlijke administratie te voeren. Daarmee is geen sprake van een zodanig zware inbreuk op grondrechten dat het verzoek om informatie niet langer mag worden gebaseerd op een algemeen geformuleerde toezichtsbepaling. De uitvraag van financiële gegevens kent daarmee een voldoende rechtsgrond met artikel 45a van de Aw en artikel 5:20, eerste lid, van de Awb. Een specifiekere grondslag is naar het oordeel van de rechtbank niet nodig.
Het gebruik van de verkregen gegevens 14. Eiser stelt zich op het standpunt dat de met de uitvraag verkregen gegevens gebruikt kunnen worden in een tuchtzaak. Volgens eiser wordt hiermee misbruik van bevoegdheid gemaakt en is er sprake van een schending van het nemo tenetur-beginsel.
Is de uitvraag evenredig en proportioneel?
17.1.
Voor het genoemde preventieve toezicht is het essentieel dat voldoende informatie wordt verzameld op grond waarvan financiële risico’s op een voor alle advocaten uniforme wijze worden geanalyseerd en vroegtijdig kunnen worden gesignaleerd. Op grond van de verzamelde informatie wordt een eerste data analyse gedaan, waarna voor zover nodig nader onderzoek op maat wordt gedaan. Dat betekent dat de uitgevraagde informatie relevant is voor de toezichthoudende taak van de deken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitvraag een passende en noodzakelijke maatregel is om het beoogde doel, namelijk inzicht krijgen in de financiële risico’s bij advocatenkantoren, te bereiken. De rechtbank volgt de deken ook in zijn standpunt dat de wijze waarop de uitvraag plaatsvindt het minst belastend is, omdat elke advocaat de gevraagde financiële cijfers toch al paraat heeft.
Dat om informatie wordt gevraagd waarover eiser als eenmanszaak niet hoeft te beschikken is de rechtbank niet gebleken. Het door eiser genoemde voorbeeld van debiteuren en crediteuren gaat niet op, nu uit artikel 6.5 van de Voda volgt dat eiser verplicht is om een balans op te maken en daaruit volgt dat de cijfers over debiteuren en crediteuren beschikbaar moeten zijn. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het bovendien om beperkte informatie die wordt gevraagd en het invullen via een beschikbaar portaal kost weinig tijd, waardoor de uitvraag ook minder belastend is dan bijvoorbeeld een kantoorbezoek of het indienen van een (dure) accountantsverklaring. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de last voldoende duidelijk?
Is de zienswijze van eiser voldoende meegewogen?
Invorderingsbesluit last 2 22. Op 26 mei 2025 heeft de deken een invorderingsbesluit genomen. In dat besluit staat dat eiser pas op 2 december 2024 volledig aan last 2 heeft voldaan. Dat is twee volle weken na afloop van de begunstigingstermijn. Eiser heeft gelet daarop twee maal een dwangsom van € 500,- verbeurd. De eerste dwangsom van € 500,- had eiser reeds vrijwillig betaald. Met het besluit gaat de deken over tot invordering van de tweede € 500,-.
Conclusie en gevolgen 25. De beroepen tegen de lasten onder dwangsom zijn ongegrond.
25.1.
Het beroep van rechtswege tegen het invorderingsbesluit is gegrond. De rechtbank zal dat besluit vernietigen.
25.2.
Omdat het beroep tegen het invorderingsbesluit gegrond is, moet de deken het door eiser betaalde griffierecht in de zaak ROE 25/176 van € 194,- aan eiser vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerkende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten (lasten onder dwangsom) ongegrond; verklaart het beroep van rechtswege tegen het invorderingsbesluit van 26 mei 2026 gegrond; vernietigt het invorderingsbesluit; bepaalt dat de deken het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van M.L. Neumann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026 griffier rechter De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 4 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Advocatenwet Artikel 45a, eerste lid De deken van de orde in het arrondissement is belast met het toezicht op de naleving door advocaten die kantoor houden in dat arrondissement van het bepaalde bij of krachtens deze wet met inbegrip van toezicht op de zorg die zij als advocaten behoren te betrachten ten opzichte van degenen wiens belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, inbreuken op verordeningen van de Nederlandse orde van advocaten en enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:11 Onder toezichthouder wordt verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Artikel 5:13 Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Artikel 5:16 Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.
Artikel 5:17 Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.
Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.
Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.
Artikel 5:20 Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. (…) Het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is, is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het eerste lid. (…) Artikel 5:32, eerste lid Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Waaronder de Verordening op de advocatuur (Voda).
Gedragsregel 29.
Artikel 5:16 van de Awb.
Artikel 5:17 van de Awb.
Artikel 10a van de Aw.
Zie onder meer Kamerstukken II 2011/12, 32382, nr. 10, p. 33.
Ten aanzien van de eerste verbeurde dwangsom van € 500,- heeft de deken geen invorderingsbesluit genomen, zodat daartegen ook geen beroep van rechtswege is ontstaan. Aan een beoordeling van eventuele beroepsgronden die eiser tegen de eerste dwangsom van € 500,- heeft gericht komt de rechtbank daarom niet toe.
Er is geen sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.