RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 22/2643 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert, het college (gemachtigden: mr. A.G. Kerkhof en M.H.P. Lucassen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding van verzoeker. Verzoeker stelt hier recht op te hebben, omdat hij door onrechtmatige besluitvorming en handelingen van de gemeente Nederweert zowel materiële als immateriële schade heeft geleden 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verzoeker geen recht heeft op een schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Verzoeker krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met de brief van 7 juli 2022 heeft verzoeker het college en de gemeenteraad van Nederweert aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. 2.1. Met de brief van 4 oktober 2022 heeft het college geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor de door verzoeker gestelde schade. Het verzoek om schadevergoeding wordt niet gehonoreerd. 2.2. Op 9 november 2022 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de brief van 4 oktober 2022. 2.3. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 21 mei 2025 gevoegd behandeld met het beroep van verzoeker met zaaknummer ROE 22/2836. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van het college. 2.5. Na de zitting zijn de beroepen gesplitst en is in ieder beroep afzonderlijk uitspraak gedaan. Voorgeschiedenis 3. Verzoeker was sinds 1 maart 1978 werkzaam bij de gemeente Nederweert, laatstelijk in de functie van senior beleidsmedewerker milieu bij de afdeling Bouwen en Milieu. Het college heeft verzoeker met ingang van 1 november 2010 primair op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie en subsidiair op grond van verstoorde verhoudingen ontslag verleend (ontslagbesluit). Bij uitspraak van 2 augustus 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB), beslissend op het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2010, de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Daarbij heeft de CRvB geoordeeld dat het college bevoegd was verzoeker te ontslaan vanwege ernstig en duurzaam verstoorde verhoudingen. De CRvB heeft zelf in de zaak voorzien en verzoeker alsnog een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering toegekend. 3.1. Verzoeker heeft zich niet kunnen neerleggen bij dit ontslag en de omstandigheden daaromheen. Dit heeft geleid tot een groot aantal bestuursrechtelijke-, civielrechtelijke-, strafrechtelijke-, tuchtrechtelijke en klachtrechtelijke procedures tegen de gemeente Nederweert en organen van en personen die werkzaam zijn (geweest) bij of voor deze gemeente. Verzoeker heeft ook een enorme hoeveelheid verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, Wet open overheid, Wet bescherming persoonsgegevens en Algemene Verordening Gegevensbescherming ingediend bij de gemeente Nederweert, maar ook bij andere bestuursorganen. Daarnaast heeft hij een klacht tegen de gemeente Nederweert ingediend bij de Ombudsman en is op zijn verzoek een bejegeningsonderzoek gestart door het Huis voor de Klokkenluiders. Verder heeft verzoeker een vloed aan brieven en e-mails aan de gemeente Nederweert gezonden die direct of indirect verband hielden met zijn ontslag; een aantal daarvan gingen over het aansprakelijk stellen van de gemeente Nederweert voor de door hem gestelde geleden schade. 3.2. Verzoeker heeft in 2014 een vordering ingesteld bij de civiele rechter om de gestelde schade vergoed te krijgen. De procedure is geëindigd met het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 29 mei 2018. Het Hof heeft het vonnis van de rechtbank waartegen hoger beroep bij het Hof was gericht vernietigd en zich onbevoegd verklaard om van het geschil kennis te nemen. Het Hof heeft de gemeente Nederweert gevolgd in zijn verweer dat verzoekers vordering uitsluitend via een verzoekschriftprocedure, als bedoeld in artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), had moeten worden ingesteld. 3.3. Daarna heeft verzoeker in 2020 een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt. Bij uitspraak van 15 maart 2022 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om het verzoek om schadevergoeding in behandeling te nemen, omdat de schadeoorzaken die volgens verzoeker tot de door hem gestelde schade hebben geleid, hebben plaatsgevonden vóór 1 juli 2013 en dus het recht van toepassing was dat gold vóórdat de verzoekschriftprocedure in werking trad. 3.4. Verzoeker heeft daarop op 11 april 2022 bij het college en de gemeenteraad van Nederweert een verzoek tot het nemen van een zelfstandig schadebesluit ingediend. Hij stelt materiële en immateriële schade te hebben geleden door het handelen van de gemeente Nederweert in verband met zijn ontslag. Het college heeft met het besluit op bezwaar van 8 november 2022 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en verzoekers schadeverzoek afgewezen vanwege verjaring. Verzoeker heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank (dit is de gevoegde zaak bekend onder zaaknummer ROE 22/2836). In deze zaak wordt vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan. 3.5. Verzoeker heeft op 7 juli 2022 bij het college en de gemeenteraad van Nederweert een verzoekschriftprocedure ingediend, voor zover de door hem gestelde materiële en immateriële schade ziet op schade geleden ná 1 juli 2013. Dit is de start van de onderhavige procedure. Beoordeling door de rechtbank 4. Voor de in deze uitspraak genoemde artikelen verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak. Is er sprake van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:90, eerste lid, van de Awb? 5. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de brief van het college van 4 oktober 2022, waarbij zijn verzoek om schadevergoeding van 7 juli 2022 werd afgewezen. 5.1. Dit beroepschrift van 9 november 2022 – gelet op de inhoud ervan in combinatie met de brief van 7 juli 2022, waarin staat dat het verzoek betrekking heeft op schade van ná 1 juli 2013 – vat de rechtbank op als een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:90, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank om het college op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de materiële en immateriële schade, die verzoeker stelt door toedoen van het college te hebben geleden. Immers, de reactie van het college van 4 oktober 2022 op de brief tot aansprakelijkstelling van 7 juli 2022 is niet vatbaar voor bezwaar en beroep. 5.2. Voor zover verzoeker in beroep heeft aangevoerd dat het college hem ten onrechte niet heeft gehoord en hem ook geen termijn heeft gegeven voor het overleggen van bewijsstukken, overweegt de rechtbank dat het college daartoe helemaal niet verplicht is in het kader van deze verzoekschriftprocedure. Het is de rechtbank die beslist op het verzoek tot schadevergoeding, niet het college. Het college kan alleen reageren op verzoekers brief tot aansprakelijkstelling van 7 juli 2022, maar zelfs dat hoeft hij in het kader van de verzoekschriftprocedure niet te doen. Inhoudelijk oordeel 6. De rechtbank stelt vast dat verzoeker het verzoek tot aansprakelijkheidstelling voor schade zowel heeft gericht aan de gemeenteraad als aan het college. De gemeenteraad heeft op 27 september 2022 de afhandeling van dat verzoek overgedragen aan het college. De rechtbank zal dan ook alleen het college aanmerken als verwerende partij. De schade die verzoeker vergoed wil krijgen 7. Verzoeker heeft de gestelde schade gespecificeerd in zijn brief van 7 juli 2022. Als materiële schade heeft verzoeker opgevoerd de kosten voor het zelf inschakelen van een psycholoog respectievelijk psychiater voor de periode 1 juli 2013 tot en met 2020 (te weten: € 3.080,-) en de schade als gevolg van pensioenbreuk, die ontstaan is doordat de gemeente Nederweert hem ook na 1 juli 2013 niet heeft ondersteund bij het vinden van ander werk (re-integratietaak). Verzoeker heeft in dit verband verwezen naar zijn posttraumatische stressstoornis (PTSS). Deze diagnose is bij verzoeker vastgesteld in 2014. Op 1 juli 2014 heeft verzoeker zich ziekgemeld bij de uitkeringsinstantie. Verzoeker meent dat door de PTSS en de houding van de gemeente hij zich niet kon richten op de arbeidsmarkt en de toekomst. Verzoeker wil deze pensioenschade vergoedt krijgen van 1 juli 2013 tot aan de datum van zijn AOW-gerechtigde leeftijd in 2023, te specificeren bij afzonderlijke opgave. 7.1. Verder heeft verzoeker € 25.000,- aan immateriële schade gevorderd. De grondslag voor deze vordering ligt volgens verzoeker in het feit dat de gemeente Nederweert hem volledig heeft genegeerd in en na de re-integratieperiode en na de diagnose PTSS in 2014. Eiser meent dat als de gemeente zich aan de wettelijke regels en beleidsregels had gehouden, hij vrijwel zeker nooit gezondheidsklachten had gekregen. Door de houding en gedrag van de gemeente is verzoeker van mening dat hij een ernstig trauma heeft opgelopen. De volgende acht gebeurtenissen laten naar de mening van verzoeker zien hoe hij is behandeld door de gemeente Nederweert: niet optreden tegen grensoverschrijdend gedrag (pesten); geen procedurele fairheid in de ontslagprocedure; niet naleving van de zorgplicht door de gemeente; het onthouden van de gemeente van een toegezegde vertrouwenspersoon; geen hulp van de gemeente bij het zoeken naar het vinden van een nieuwe baan; onjuiste of tekortschietende omgang met klachten en meldingen; door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) onjuist informeren van de Vaste Kamercommissie Binnenlandse Zaken; onrechtmatig stopzetten van de na-wettelijke uitkering. Toetsingskader 8. De verzoekschriftprocedure is in werking getreden op 1 juli 2013 en niet van toepassing op schade die het gevolg is van schadeoorzaken van vóór 1 juli 2013. Op grond van het overgangsrecht blijft op verzoeken om vergoeding van die schade het recht van toepassing dat vóór 1 juli 2013 gold. 8.1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt als gevolg van onder meer een onrechtmatig besluit, een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar belanghebbende is. 8.2. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moet de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiten bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat er een oorzakelijk verband is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. De bewijslast ten aanzien van de gestelde schade en de omvang daarvan en van het causale verband tussen deze schade en het onrechtmatige besluit ligt in beginsel bij de verzoeker. 8.3. Deze rechtspraak geldt ook in het geval waar het gaat om een onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar in de zin van artikel 1, van de Ambtenarenwet, belanghebbende is. 8.4. De rechtbank zal hierna de door verzoeker gestelde schade bespreken. De materiële schade 9. Verzoeker heeft de kosten van het eigen risico voor het zelf inschakelen van een psycholoog/psychiater voor de periode 2013-2020 opgevoerd als schade. 9.1. De rechtbank moet eerst vaststellen aan welke maatstaf dit onderdeel van het verzoek tot schadevergoeding dat door verzoeker is ingediend, moet worden getoetst. Anders gezegd, waar is deze schade door veroorzaakt? Is er sprake van onrechtmatig overheidshandelen dat deze schade heeft veroorzaakt? En is dat handelen te herleiden naar een besluit, waarvan de onrechtmatigheid is vastgesteld, of naar een onrechtmatige handeling? 9.2. Verzoeker stelt onder meer dat hij zijn ontslag geen plaats heeft kunnen geven en dat het college (onder verwijzing naar een brief van 13 september 2013) tijdens zijn dienstverband adviezen van de bedrijfsarts en het UWV niet heeft opgevolgd en hem destijds geen vertrouwenspersoon heeft toegewezen. Verzoeker stelt dat hij daardoor de hulp heeft moeten inroepen van een psycholoog/psychiater om geestelijk niet onderuit te gaan. 9.3. Dat verzoeker zijn ontslag geen plaats heeft kunnen geven is te herleiden tot het ontslagbesluit. De rechtbank is – anders dan verzoeker – van oordeel dat het ontslagbesluit van verzoeker niet onrechtmatig is. De eerste ontslaggrond (ongeschiktheid) is weliswaar gesneuveld in hoger beroep bij de CRvB, maar de tweede ontslaggrond (verstoorde arbeidsverhouding) is overeind gebleven. Verder zag de gegrondverklaring van het hoger beroep op een motiveringsgebrek, omdat er geen ontslagregeling was toegekend (in verband met de tweede ontslaggrond). De CRvB heeft de rechtsgevolgen in stand gelaten en zelf in de zaak voorzien door aan het ontslag alsnog de minimaal vereiste ontslagregeling te verbinden. Verzoeker heeft met terugwerkende kracht alsnog deze ontslagregeling gekregen met wettelijke rente. De schade, die eiser geleden heeft als gevolg van de afwikkeling van het ontslag, is dus al vergoed en dat er nog andere schade is geweest, die voortvloeit uit het niet in eerste instantie toekennen van de juiste ontslagregeling, is niet gebleken. Het ontslag van verzoeker is – gelet op het voorgaande – dan ook rechtmatig. 9.4. Wat er verder ook zij van het ontslagbesluit, dit rechtmatige besluit en ook de door verzoeker gestelde onrechtmatige handelingen van de gemeente tijdens verzoekers werkzame periode, waaronder het niet toekennen van een vertrouwenspersoon, zijn gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan vóór 1 juli 2013 of zijn gevolgen van het handelen van de gemeente van vóór die datum. Deze schade hoort niet binnen deze verzoekschriftprocedure thuis en is hoe dan ook verjaard, omdat de vordering niet tijdig meer is gestuit na de tweede helft van 2018. Deze schade kan dus ook om die reden niet worden toegewezen. 9.5. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat hij materiële schade heeft geleden door pensioenbreuk doordat de gemeente hem ook na 1 juli 2013 niet goed aan een baan zou hebben geholpen. 9.6. De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel verzoekers eigen verantwoordelijkheid is om een nieuwe baan te vinden. Verzoeker beroept zich op wat de gemeente in zijn ogen allemaal voor hem had moeten doen, zoals bijvoorbeeld bemiddelen bij de Regionale Uitvoeringsdienst. Gebleken is dat in 2013 de gemeente verzoeker heeft aangemeld bij een re-integratiebureau. Hiermee heeft de gemeente voldoende inspanningen verricht voor de re-integratie van verzoeker als zijn ex-ambtenaar. Niet is gebleken dat het college zich in dit kader niet aan enige wettelijke verplichting heeft gehouden en zodoende onrechtmatig tegen verzoeker heeft gehandeld. Dat verzoeker zich niet kon vinden in de aan hem opgelegde sollicitatieplicht van het betreffende re-integratiebureau en dus niet verder wilde met dit bureau komt voor zijn eigen rekening en risico. Nu er geen sprake is van onrechtmatig handelen van het college, kan verzoeker de vermeende schade niet verhalen op het college. 9.7. Verder heeft verzoeker aangegeven dat hij materiële schade heeft geleden, omdat de gemeente niet het gesprek met hem is aangegaan over zijn PTSS. De rechtbank volgt het standpunt van het college dat het niet aangaan of het weigeren van een gesprek niet kan worden herleid tot een onrechtmatige handeling als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Voor zover verzoeker heeft bedoeld te betogen dat hij als gevolg van zijn PTSS (pensioen)schade heeft geleden, overweegt de rechtbank dat verzoeker op zitting heeft verklaard dat de PTSS het gevolg is van het pesten op de werkvloer en (de uitvoering van) het ontslag (het verzaken van de gemeente van zijn zorgplicht). Dit pestgedrag en het ontslag heeft plaatsgevonden vóór 1 juli 2013, een periode die buiten het kader van deze verzoekschriftprocedure valt. De diagnose PTSS is echter in 2014 gesteld door de Stichting ’45; dat is dus wel na 1 juli 2013. De vordering van schade voortvloeiend uit PTSS is echter verjaard, omdat verzoeker met betrekking tot deze schade in de periode na het vonnis van gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch op 29 mei 2018 (in een vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter) geen concrete stuitingsbrief meer naar de gemeente Nederweert heeft geschreven. De gestelde schade kan dus niet aan verzoeker worden toegewezen. De immateriële schade 10. Verzoeker heeft gesteld schade te hebben geleden, omdat de gemeente hem (kort gezegd) volledig heeft genegeerd en hij daardoor gezondheidsklachten (een trauma) heeft gekregen, is ontslagen en dit ontslag geen plek heeft kunnen geven. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een achttal handelingen van de gemeente naar voren gebracht. 10.1. Voor wat betreft de volgende door eiser aangevoerde handelingen – waarbij de rechtbank verder in het midden laat of deze onrechtmatig zijn – is de rechtbank van oordeel dat de schadeoorzaken daarvan betrekking hebben op de periode vóór 1 juli 2013 of hun grondslag in die periode hebben: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.