ECLI:NL:RBLIM:2026:4849
RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/351289 / HA ZA 26-153 Vonnis in incident van 27 mei 2026 in de zaak van [persoon 1] , te [plaats 1] , eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: [partij A] , advocaat: mr. C.A.M.H. Vink, tegen 1 [B.V. 1] , te [plaats 2] , hierna te noemen: [B.V. 1] ,2. [B.V. 2], te [plaats 2] , hierna te noemen: [B.V. 2] ,3. [persoon 2], te [plaats 2] , hierna te noemen; [persoon 2] , gedaagde partijen in de hoofdzaak, verwerende partijen in het incident, gedaagden worden gezamenlijk aangeduid als: [partij B] , advocaat: mr. R. Sharaf.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2Het geschil in de hoofdzaak 2.1.
Kort samengevat stelt [partij A] het volgende. [B.V. 3] heeft met [partij B] een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan [B.V. 3] exclusief zou bemiddelen bij de verkoop van [B.V. 1] en bij verkoop een vergoeding zou ontvangen berekend aan de hand van de door partijen gedefinieerde meerwaarde. [partij B] zijn tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, onder meer doordat zij de uiteindelijke koopovereenkomst ter zake van [B.V. 1] buiten [B.V. 3] om hebben gesloten. Ook kwalificeert het handelen van [partij B] als een onrechtmatige daad. Verder hebben [partij B] de overeenkomst van opdracht niet rechtsgeldig opgezegd, althans kan een rechtsgeldige opzegging niet zonder financiële gevolgen blijven. [B.V. 3] heeft haar vordering op [partij B] gecedeerd aan [partij A] .
2.2. [partij A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:Primair
Subsidiair
Meer subsidiair
2.4. [partij B] stellen primair dat [partij A] niet alle relevante feiten naar voren heeft gebracht en daarmee artikel 21 Rv heeft geschonden. [partij B] stellen daarnaast dat zij op verzoek van [partij A] reeds op 30 januari 2026 de relevante pagina’s uit de koopovereenkomst hebben verstrekt. Indien [partij A] een verzoek zou hebben gedaan om aanvullende stukken, dan zouden deze door [partij B] zijn gegeven. Nu [partij A] reeds beschikt over pagina’s van de koopovereenkomst met daarin opgenomen de koopprijs, de betrokken partijen, de handtekeningenpagina alsmede diverse overige bepalingen, is het voor [partij B] volstrekt onduidelijk welke aanvullende informatie [partij A] nog wenst en welk belang hij daarbij dus heeft. [partij B] brengt thans – in aanvulling op de reeds aan [partij A] verstrekte stukken – nog een afschrift van het betaalbewijs van de koopsom alsmede een afschrift van de in het kadaster ingeschreven leveringsakte in het geding.
3De beoordeling in het incident 3.1.
In artikel 195 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. Artikel 194, eerste lid, tweede volzin, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing verklaard.
3.2.
Op grond van artikel 194 lid 1 Rv komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel van a) bepaalde gegevens toe aan b) een partij bij een rechtsbetrekking, als zij c) daarbij voldoende belang heeft, en d) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde gegevens beschikt. Degene die inzage, afschrift of uittreksel verzoekt, moet zijn belang daarbij duidelijk omschrijven en zo nodig onderbouwen.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] belang bij inzage in de door hem verzochte gegevens, nu deze stukken meer duidelijkheid kunnen verschaffen over de omvang van de door [partij A] gestelde vordering.
3.4.
Gelet op de stukken, die [partij B] (mede) naar aanleiding van de incidentele vordering in het geding hebben gebracht, is de rechtbank van oordeel dat aan de vordering is voldaan. De incidentele vordering zal daarom worden afgewezen.
3.5. [partij A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident. De proceskosten aan de zijde van [partij B] worden tot vandaag vastgesteld op: salaris advocaat € 653,00 nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in dictum) totaal € 842,00 3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De beslissing De rechtbank in het incident 4.1. wijst de vordering af, 4.2. veroordeelt [partij A] in de proceskosten van [partij B] , tot op heden begroot op € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [partij A] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij A] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, 4.3. veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 4.4. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaak 4.5. verwijst de zaak naar de rol van 8 juli 2026 voor conclusie van antwoord alsmede opgave verhinderdata aan de zijde van beide partijen voor een mondelinge behandeling in de periode juli tot en met december 2026, 4.6. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken. bijlage 3 en 4 bij de incidentele conclusie van antwoord