Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2026:5306
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 25/2411 en 25/2584 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaken tussen [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , allen uit [woonplaats] (gemachtigden: [eiser 1] en [eiser 2] ) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade (gemachtigde: mr. B. Jussen).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting Burgerinitiatief de Dirigent, gevestigd in Kerkrade, (vergunninghoudster).(gemachtigde: A.H.P. Maarschalkerweerd).
Samenvatting 1.1.
Het college heeft een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het bouwen van een kunstwerk, genaamd ‘de Dirigent’, op het Museumplein in Kerkrade. Dit kunstwerk speelt fanfaremuziek af zodra voorbijgangers binnen een straal van 2,5 meter langslopen. Eisers, die allen in de [straatnaam 1] in [woonplaats] wonen, zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe in twee verschillende beroepschriften een aantal beroepsgronden aan. Het ene beroepschrift is ingediend door [eiser 2] , mede namens de zeven andere eisers. Het andere beroepschrift is ingediend door [eiser 10] . Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de twee beroepen van eisers. De rechtbank ziet gelet op de grotendeels overlappende beroepsgronden aanleiding om de beroepsgronden uit beide beroepschriften samen te voegen en zal deze gronden dan ook gezamenlijk in deze uitspraak behandelen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor de bouw van het kunstwerk heeft mogen verlenen. Eisers krijgen geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 2. Het college heeft met het besluit van 20 mei 2025 een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit verleend aan vergunninghoudster voor het bouwen van een kunstwerk.
2.1.
Eisers hebben tegen het besluit van 20 mei 2025 bezwaar gemaakt. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 17 september 2025 (het bestreden besluit) bij de vergunningverlening gebleven.
2.2. [eiser 10] en [eiser 2] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. [eiser 2] heeft daarbij mede namens de zeven andere eisers beroep ingesteld. [eiser 10] heeft uitsluitend beroep ingesteld namens zichzelf.
Beoordeling door de rechtbank Het wettelijk kader 4. Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
4.1.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Uit artikel 22.281 van het omgevingsplan (de bruidsschat) volgt echter dat deze verplichting in dit geval als bevoegdheid gelezen moet worden. De wetgever heeft daarmee willen ondervangen dat vanwege artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving per 1 januari 2024 geen mogelijkheid meer bestaat (zoals onder het oude recht wel het geval was) om de omgevingsvergunning voor een activiteit die voldoet aan de binnenplanse beoordelingsregels uit het tijdelijk deel van een omgevingsplan, op andere gronden te kunnen weigeren.
Hiermee is dus beoogd om het oude recht te continueren, met dien verstande dat vanaf 1 januari 2024 sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in plaats van de onder het oude recht geldende norm van een goede ruimtelijke ordening. Dat betekent concreet dat het college de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het omgevingsplan al dan niet te gebruiken. De rechtbank toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen redelijkerwijs tot zijn besluit heeft kunnen komen. 4.2. Op de plek waar het kunstwerk moet komen, gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bestemmingsplan ‘Kerkrade Oost 3’ (bestemmingsplan). Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Kerkrade (omgevingsplan).
Op de betreffende plek geldt de bestemming ‘Verkeer’ en de dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie 5’.
4.3.
In voorliggend geval is sprake van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit omdat uit artikel 25.1.2. van voornoemd bestemmingsplan volgt dat het verboden is om het kunstwerk te bouwen zonder omgevingsvergunning.
4.4.
De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage.
Participatie 5. Eisers voeren aan dat van participatie in feite geen sprake is geweest omdat zij pas na de publicatie van de vergunning over het plan zijn geïnformeerd. Daarnaast betogen eisers dat in de aanvraag weliswaar is vermeld dat participatie heeft plaatsgevonden, maar dat daarin niet is toegelicht op welke wijze die participatie heeft plaatsgevonden en op welke manier derden daarbij zijn betrokken. Volgens eisers kleeft er daarom aan de aanvraag een gebrek en had het college de aanvraag om die reden buiten behandeling moeten stellen.
Het verslag van de hoorzitting 7. Eisers voeren aan dat het verslag van de hoorzitting onvolledig is. Volgens eisers zijn bepaalde punten die tijdens de hoorzitting zijn besproken niet in het verslag opgenomen. Het verslag geeft daardoor geen volledig beeld van het verloop van de hoorzitting.
Is de vergunningverlening onzorgvuldig voorbereid?
Mocht het college uitgaan van het akoestisch onderzoek van Bureau Acht?
Deze woningen liggen namelijk op een grotere afstand van het kunstwerk. Dat het college in zijn brief van 9 april 2025 ook heeft verzocht om een berekening voor de straat van eisers, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat een verzoek om aanvullende stukken in het kader van de voorbereiding van een omgevingsvergunning niet betekent dat die stukken ook noodzakelijkerwijs aan de besluitvorming ten grondslag moeten worden gelegd. Het is uiteindelijk aan het college om te beoordelen of het beschikt over voldoende gegevens om de aanvraag zorgvuldig te kunnen beoordelen. Het college heeft zowel in de beslissing op bezwaar als ter zitting toegelicht dat het met de berekeningen voor de dichtstbijzijnde woning over voldoende informatie beschikte.
De rechtbank kan die toelichting volgen. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat Bureau Acht nog een aanvullende berekening heeft gemaakt op 7 november 2025 voor de dichtstbijzijnde woning aan de straat van eisers. Uit die berekening volgt dat daar geen overschrijding van het maximaal toegestane geluidsniveau zal plaatsvinden. Wat eisers verder hebben aangevoerd, geeft ook geen aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het rapport gevolgde redenering of de aansluiting van de conclusies daarop. De enkele stelling dat geen geluidsmetingen zijn uitgevoerd maar enkel berekeningen, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende voor het oordeel dat het rapport ondeugdelijk is.
Ook volgt de rechtbank eisers niet dat een geluidsmeting als uitgangspunt voor de berekeningen is gebruikt. Zowel het college als vergunninghoudster hebben in de processtukken en ter zitting toegelicht dat de geluidstest van 22 april 2025 heeft plaatsgevonden nadat de berekeningen al waren uitgevoerd. Die test diende uitsluitend om te beoordelen hoe het op basis van de berekeningen toegestane geluid in de praktijk hoorbaar zou zijn. Naar aanleiding van die test heeft vergunninghoudster het geluid vervolgens met 10 dB(A) verlaagd, omdat het aanvankelijk toegestane niveau te hoog werd geacht om het kunstwerk goed tot zijn recht te laten komen. Dat werkt in het voordeel van eisers. Tot slot slaagt het betoog van eisers dat sprake is van een onjuiste bewijslastverdeling niet.
Vergunninghoudster heeft aan haar aanvraag een deskundigen rapport ten grondslag gelegd. Als eisers het niet eens zijn met dit rapport, ligt het op hun weg om te motiveren waarom dit onderzoek volgens eisers niet klopt. Eisers zijn niet verplicht dit te doen middels een contra-expertise, maar zij zullen wel concrete aanknopingspunten moeten aandragen die twijfel oproepen aan de juistheid of zorgvuldigheid van het rapport van Bureau Acht. Daarin zijn eisers niet geslaagd.
Hangjeugd 15. Eisers betogen dat de vergunning niet verleend had moeten worden omdat zij vrezen voor overlast van hangjongeren die zich zullen gaan verzamelen bij het kunstwerk.
Financiële uitvoerbaarheid van het kunstwerk 17. Eisers stellen dat het college had moeten toetsen of het kunstwerk financieel uitvoerbaar is en daarmee realistisch is. Volgens eisers heeft het college die toets niet verricht en ontbreekt een deugdelijk onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid van het kunstwerk. Nu dit onderzoek ontbreekt had het college niet kunnen overgaan tot het verlenen van de vergunning.
Conclusie en gevolgen 19. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het college de vergunning aan vergunninghoudster heeft mogen verlenen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van M.L. Neumann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026 griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 7:7 Van het horen wordt een verslag gemaakt.
Artikel 7:11 1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Omgevingswet Artikel 16.55 (…)2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de door de aanvrager te verstrekken gegevens en bescheiden. (…) 6. Op grond van het tweede lid worden in ieder geval regels gesteld over het bij de aanvraag verstrekken van gegevens over participatie van en overleg met derden. (...) Omgevingsregeling Artikel 7.4. (participatie) 1. Bij de aanvraag wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken.
Omgevingsplan gemeente Kerkrade Artikel 22.60 geluid: onderzoek 1. In de volgende gevallen wordt er een geluidsonderzoek verricht: (…) i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat: (…) 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht. (…) Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidsgevoelige gebouwen 1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.
Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw (…) Artikel 22.281 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.
Bestemmingsplan Kerkrade Oost 3 Artikel 25.1.2 Beeldhouwwerken Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het in de regels bepaalde voor het oprichten van beeldhouwwerken en andere objecten van beeldende kunst. [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , allen uit Kerkrade.
Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
Een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten.
Op grond van artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen (Wabo) en vaste rechtspraak van de Afdeling kon een omgevingsvergunning bij toepassing van een binnenplanse afwijkingsregeling namelijk alleen worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2985.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:163, r.o. 23.1.
Artikel 22.60, eerste lid aanhef en onder i, sub 2 van het Omgevingsplan gemeente Kerkrade.
Artikel 22.63, eerste lid van het Omgevingsplan gemeente Kerkrade.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2873, en van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1139.