Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2026:5654

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 26/804 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam] , uit Eckelrade, verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten, het college (gemachtigde: mr. C.H.H. Hurenkamp).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de provincie Limburg.

Procesverloop Bij het bestreden besluit van 26 maart 2026 heeft het college aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd voor het aanwezig hebben van bouwwerken zonder omgevingsvergunning en het gebruik van gronden in strijd met het omgevingsplan.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Omdat het college niet bereid was de begunstigingstermijn (die zou verstrijken op 23 april 2026) te verlengen tot de uitspraak van de voorzieningenrechter, dan wel anderszins de uitoefening van bestuursdwang uit te stellen, heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 17 april 2026 een ordemaatregel getroffen. Dit betekent dat het bestreden besluit per direct werd geschorst, zodat vooralsnog geen bestuursdwang kan worden toegepast. Iedere verdere beslissing werd aangehouden.

Op 20 april 2026 heeft de voorzieningenrechter het procesdossier en verweerschrift ontvangen van het college.

Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, is behandeld tijdens de zitting van 30 april 2026. Hieraan hebben verzoekster en de gemachtigde van het college deelgenomen. Namens de provincie Limburg is niemand verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter De feiten 1. Verzoekster gebruikt het perceel aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente Margraten, Sectie R nummer 341. Zij heeft met de eigenaar daarvan, de provincie Limburg, in 2021 een pachtovereenkomst gesloten voor de duur van zes jaar.

2.Verzoekster heeft op het perceel een schuilgelegenheid gebouwd ten behoeve van de schapen die zij daar houdt. Daarnaast verblijft zij er in een (safari)tent.
3.Bij brief van 28 augustus 2025 heeft de provincie Limburg het college verzocht om handhavend op te treden tegen (onder meer) de bouwwerken die op het perceel staan, zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning, en de permanente bewoning door verzoekster, in strijd met (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan.
4.Tijdens de controle op 12 september 2025 heeft een toezichthouder van het college geconstateerd dat op het perceel een tent en bijgebouwen staan.
5.Naar aanleiding van de bevindingen van deze controle heeft het college aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd. Verzoekster wordt gelast de geconstateerde overtreding ongedaan te maken en ongedaan te laten binnen een termijn van vier weken na verzending van het bestreden besluit. Om aan de last te voldoen, moet verzoekster: de permanente bewoning op het perceel staken en gestaakt houden, en alle bouwwerken op het perceel geheel (laten) verwijderen en verwijderd houden, óf binnen een termijn van acht weken een aanvraag om een omgevingsvergunning indienen bij het college ter legalisatie van de huidige strijdige situatie ten aanzien van de bestaande schuilgelegenheid voor de schapen op het perceel.
6.Tegen verzoekster loopt tevens een procedure bij de civiele rechter, waarbij de provincie Limburg van verzoekster vordert dat zij het perceel verlaat, ontruimt en in goede staat achterlaat. Ten tijde van de behandeling van het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, was in die civiele procedure nog geen uitspraak gedaan.

Het kader van de beoordeling 7. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.

8.Op 17 april 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen. Dit houdt in dat het verzoek om een voorlopige voorziening ‘voorlopig’ is toegewezen, omdat de inhoudelijke behandeling van het verzoek niet kon worden afgewacht. Artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening kan opheffen of wijzigen. Dat is doorgaans alleen aan de orde wanneer sprake is van een wijziging van de feiten en/of omstandigheden die ten grondslag liggen aan de reeds toegewezen voorlopige voorziening. In deze zaak is de voorzieningenrechter, in het kader van de uitgesproken schorsing van het bestreden besluit, nog niet toegekomen aan een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit. Ten tijde van de uitspraak van 17 april 2026 beschikte de voorzieningenrechter ook nog niet over (alle) voor deze zaak relevante stukken. Bij die uitspraak is dan ook benadrukt dat de voorzieningenrechter slechts een globale belangenafweging heeft kunnen verrichten en dat de schorsing van het bestreden besluit nog louter het karakter heeft van een tijdelijke ordemaatregel, in afwachting van de behandeling van het verzoek ter zitting.
9.De onderhavige uitspraak gaat over de vraag of de reeds getroffen voorlopige voorziening bij wijze van ordemaatregel, en daarmee de schorsing van het bestreden besluit, moet worden opgeheven of gewijzigd. Het is aan het college om op het bezwaar tegen de last onder bestuursdwang te beslissen. Het oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in een (eventuele) bodemprocedure.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel en belangenafweging 10. Vooropgesteld, er is nog steeds sprake van een spoedeisende situatie, aangezien het college niet bereid is om de bestuursdwang uit te stellen.

11.Vaststaat verder dat het college bevoegd is om hier handhavend te optreden tegen verzoekster. Niet in geschil is dat op het perceel een tent en bijgebouwen staan, die niet binnen de gebruiks- en bouwregels passen van (het tijdelijk deel van) het Omgevingsplan Eijsden-Margraten.
12.De vraag die partijen verdeeld houdt, is of het college moest afzien van handhaving. Verzoekster meent van wel en de voorzieningenrechter begrijpt dat zij daartoe een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel.
13.De voorzieningenrechter ziet, in het kader van de onderhavige voorlopige beoordeling, in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding om de reeds toegewezen voorlopige voorziening bij wijze van ordemaatregel op te heffen. Die omstandigheden pleiten er wel voor dat de duur van de reeds toegewezen voorlopige voorziening wordt verlengd. Dat betekent dat het bestreden besluit geschorst blijft tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar. Het college kan dus vooralsnog geen bestuursdwang toepassen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
14.Het belang van verzoekster bij het voorkomen van de toepassing van de bestuursdwang, nog voordat door het college op haar bezwaar is besloten, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter groter dan het belang van het college bij uitvoering van die bestuursdwang op deze korte termijn. Redengevend hiertoe is de kwetsbare positie waarin verzoekster zich momenteel bevindt. Zij is dak- en werkloos, heeft een beperkt sociaal netwerk waarop zij niet kan terugvallen, en kampt met psychische problemen. Het college heeft aangevoerd dat met verzoekster is gezocht naar passende alternatieven voor haar woonsituatie, waaronder verblijf bij het Leger des Heils. Ter zitting is echter niet komen vast te staan dat verzoekster verzekerd is van een plek waar zij terecht kan bij ontruiming op de door het college beoogde korte termijn.

Daarnaast is uit de twee á drie klachten van omwonenden en het handhavingsverzoek van de provincie Limburg de voorzieningenrechter niet gebleken van een dusdanig groot belang van het college bij handhaving op deze korte termijn, dat dit zwaarder zou moeten wegen dan het belang van verzoekster bij het tegenhouden van haar ontruiming in afwachting van de beslissing op haar bezwaar. Alles overwegende, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om op grond van artikel 8:87 van de Awb de reeds getroffen voorlopige voorziening bij wijze van ordemaatregel op te heffen. Wel zal de voorzieningenrechter de duur van die reeds getroffen voorziening verlengen tot zes weken na de beslissing op het bezwaar van verzoekster.

Zodoende krijgt verzoekster de mogelijkheid om, bij een eventueel voor haar ongunstige beslissing op het bezwaar, in beroep te gaan tegen die beslissing en, indien gewenst, daarbij wederom een voorlopige voorziening te verzoeken.

Conclusie en gevolgen 15. De reeds getroffen voorlopige voorziening bij wijze van ordemaatregel wordt niet opgeheven. Wel is er reden om het bestreden besluit nog langer te schorsen, tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoekster.

16.Voor een veroordeling van het college in de proceskosten bestaat geen aanleiding, nu daar niet om is gevraagd en verzoekster bovendien geen gebruik heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het college moet wel het door verzoekster betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing De voorzieningenrechter:

-heft de getroffen voorlopige voorziening niet op en bepaalt dat het bestreden besluit geschorst blijft tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoekster;
-bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- moet vergoeden aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Trifunović, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.L. Neumann, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 12 juni 2026.

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 juni 2026 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie de artikelen 8:81, eerste lid, en 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 8:87 van de Awb.

Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

Er is daarom sprake van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow), en een overtreding van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow.

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.