Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2026:5656
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 26/1180 uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2026 in de zaak tussen Schietsportcentrum I.D.C., uit Baexem, verzoeker (gemachtigden: I.J. Oort en mr. De Vries), en de korpschef van politie (gemachtigde: mr. I. Haagmans).
Samenvatting Deze uitspraak is een vervolg op de ordemaatregel die de voorzieningenrechter eerder heeft getroffen. De korpschef heeft de erkenning van verzoeker op grond van de Wet wapens en munitie ingetrokken. De voorzieningenrechter beoordeelt of zij aanleiding ziet de reeds getroffen voorziening op te heffen of te wijzigen. Bij die beoordeling is van belang of het administratief beroep een redelijke kans van slagen heeft. Niet alle punten die de korpschef aan de intrekking ten grondslag heeft gelegd, houden naar verwachting stand in administratief beroep. De voorzieningenrechter laat daarom de ordemaatregel in stand. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 1. Met het bestreden besluit van 21 mei 2026 heeft de korpschef de verleende erkenning op grond van de Wet wapens en munitie (Wwm), inclusief het daaraan verbonden beheerderschap, ingetrokken en de aanvraag om verlenging afgewezen.
1.1.
Verzoeker heeft hiertegen administratief beroep ingediend en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Met de uitspraak van 22 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen. In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening bij wijze van ordemaatregel toegewezen.
1.3.
De korpschef heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Ten aanzien van twee stukken heeft de korpschef verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met de beslissing van 29 mei 2026 heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft geen toestemming verleend aan de voorzieningenrechter om kennis te nemen van deze stukken. De voorzieningenrechter heeft deze stukken daarom terug laten sturen.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: M.F. Hoovenstat namens verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigden. De gemachtigde van de korpschef heeft via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter of aanleiding bestaat om de ordemaatregel, die zij heeft getroffen met de uitspraak van 22 mei 2026, op te heffen of te wijzigen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
De feiten 3. Bij de beoordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1. [naam] en zijn echtgenote, [naam] zijn sinds 1997 eigenaar van een schietsportcentrum in Baexem. [naam] is de enige erkenninghouder. De erkenning was geldig van 21 mei 2023 tot 21 mei 2026. Ongeveer 530 schutters van 12 schietverenigingen doen op regelmatige basis een beroep op de diensten van het schietsportcentrum. Het schietsportcentrum omvat drie lucht-/vuurschietbanen, een wapenwinkel en een horecagelegenheid.
3.2.
Op 14 maart 2024 hebben medewerkers van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) het schietsportcentrum geïnspecteerd. Het doel van deze inspectie was om te beoordelen of verzoeker voldoet aan de Wet explosieven voor civiel gebruik (Wecg). Tijdens de inspectie hebben de medewerkers geconstateerd dat verzoeker geen geldige overbrengingsvergunning heeft. Daarnaast hebben de medewerkers geconstateerd dat de mede-eigenaresse niet beschikt over een vereiste Wecg-erkenning. Met een brief van 23 maart 2024 heeft de ILT een waarschuwing gegeven aan verzoeker. Aan verzoeker is tot 23 juni 2024 de tijd gegeven om de benodigde Wecg-erkenning te verkrijgen. De echtgenote beschikt vanaf 6 augustus 2025 over een Wecg-erkenning.
3.3.
Op 27 maart 2025 hebben meerdere overheidsdiensten op de locatie van verzoeker een integrale controle uitgevoerd. De politie heeft twee voorwerpen inbeslaggenomen, namelijk een slachtwapen en de loop van een geweer. De bevindingen van de politie zijn neergelegd in een op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 16 juli 2025.
3.4.
Op 30 oktober 2025 heeft de korpschef het voornemen uitgebracht om de erkenning, inclusief het daaraan verbonden beheerderschap, in te trekken. Hieraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat uit controle van 27 maart 2025 is gebleken dat verzoeker de wettelijke bepalingen niet, danwel niet stipt naleeft.
3.5.
Verzoeker heeft op 25 november 2025 mondeling een zienswijze ingediend. Daarnaast heeft verzoeker op 27 november 2025 en 9 december 2025 schriftelijke zienswijzen ingediend.
3.6.
Op 30 januari 2026 is [naam] als verdachte verhoord door de politie, op verdenking van overtreding van de Wwm. [naam] heeft een verklaring afgelegd en daarbij verwezen naar de ingediende zienswijzen. Voor zover bekend heeft de officier van justitie nog geen vervolgingsbeslissing genomen.
3.7.
Op 19 mei 2026 heeft [naam] in persoon verzocht om verlenging van de erkenning.
3.8.
Met het bestreden besluit van 21 mei 2026 heeft de korpschef de erkenning van verzoeker ingetrokken en, voor zover nog van belang, de aanvraag om verlenging geweigerd. Hieraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat tijdens de controle van 27 maart 2025 overtredingen van de Wwm, Regeling wapens en munitie (Rwm) en de Wecg zijn geconstateerd. Het gaat om vijf punten:
Er was sprake van toegang tot de erkenningsruimte en tevens tot de bergruimte, zonder aanwezigheid van toezichthoudend personeel;
Er zijn door mevrouw [naam] handelingen verricht met kruit, zonder de daartoe vereiste Wecg-erkenning;
Er zijn wapens en munitie overgedragen aan daartoe onbevoegden;
Er is een niet-geregistreerd vuurwapen (slachtapparaat) en een niet-geregistreerd onderdeel van een vuurwapen (loop) aangetroffen;
Verzoeker heeft niet voldaan en voldoet ook op dit moment niet aan de registerplicht.
Standpunten van partijen 4. Aan het bestreden besluit heeft de korpschef voornoemde vijf punten ten grondslag gelegd. Deze punten worden hierna, vanaf overweging 6, besproken en de voorzieningenrechter zal de standpunten van partijen over deze punten daar opnemen. Partijen hebben ook in meer algemene zin hun standpunten naar voren gebracht. Deze standpunten luiden als volgt.
4.1.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij dertig jaar het schietsportcentrum exploiteert op de manier zoals hij dat altijd heeft gedaan. Hij heeft niet eerder te horen gekregen dat het niet goed zou zijn. De controle was op 27 maart 2025 en nu pas volgt het bestreden besluit, zonder voorafgaande waarschuwing of een ander lichter middel. Al die tijd was het schietsportcentrum open en nu zou het ineens te gevaarlijk zijn. Het intrekken van de erkenning gaat veel te ver.
4.2.
De korpschef stelt zich op het standpunt dat van verzoeker strikte naleving van de regelgeving mag worden verwacht. Als erkenninghouder heeft [naam] een uitzonderingspositie en daar hoort bij dat hij zich nauwgezet aan de regels houdt. Op meerdere punten houdt verzoeker zich niet aan de voorwaarden. Dat is niet alleen vastgesteld tijdens de controle, maar blijkt ook uit het proces-verbaal van Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI-verbaal), de anonieme brief en uit de zienswijze zelf. Het tijdsverloop tussen de controle en het bestreden besluit is inderdaad te lang geweest, maar dat doet niet af aan de ernst van de feiten. [naam] is aangemerkt als verdachte en een vervolgingsbeslissing moet nog worden genomen. De korpschef handhaaft de vijf punten die ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit.
Toegang tot de erkenningsruimte zonder toezichthoudend personeel?
7.1.
Dat ten tijde van de integrale controle op 27 maart 2025 het gehele bedrijf voor de aanwezigen toegankelijk was, kan niet aan de intrekking ten grondslag worden gelegd. De situatie tijdens een dergelijke controle kan niet representatief worden geacht voor de reguliere gang van zaken.
7.2.
Nu de voorzieningenrechter geen kennis mag nemen van het TCI-verbaal, gaat de voorzieningenrechter uit van de inhoud, zoals deze is geciteerd in het bestreden besluit. Hierin staat inderdaad vermeld dat de deuren regelmatig open staan, maar niet dat de erkenninghouder dan niet aanwezig is. Over de discussie wat “directe aanwezigheid” betekent, zal de voorzieningenrechter onder punt 3 nader ingaan.
Handelingen verricht zonder Wecg-erkenning?
10.1.
De voorzieningenrechter ziet niet in, waarom verzoeker niet onmiddellijk na de controle door ILT op 14 maart 2024 is overgegaan tot actie om de vereiste Wecg-erkenning aan te vragen. Verzoeker heeft daarvoor geen reden naar voren gebracht. Pas na de controle van 27 maart 2025 heeft hij een daartoe strekkende aanvraag ingediend. Dit had verzoeker veel eerder moeten doen. De handelwijze van verzoeker getuigt daarmee niet van stipte naleving van de regels. Dat mag als erkenninghouder wel van verzoeker worden verwacht. In zoverre begrijpt de voorzieningenrechter dat de korpschef het wel belangrijk vindt om dit punt te benoemen.
10.2.
Maar omdat verzoeker dit punt ten tijde van het bestreden besluit heeft hersteld, kan de korpschef dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet ten grondslag leggen aan het bestreden besluit. Nu de erkenning op 6 augustus 2025 is verleend, mocht verzoeker er inderdaad vanuit gaan dat hieraan een controle is voorafgegaan. Dat tot intrekking van de Wecg-erkenning zal worden overgaan, zoals de korpschef aankondigt in het bestreden besluit, kan eventueel worden betrokken bij de nog te nemen beslissing op het administratieve beroep. In deze fase van de procedure vindt de voorzieningenrechter het te voorbarig om daarop vooruit te lopen. In zoverre slaagt de grond van verzoeker.
Wapens en munitie overgedragen aan onbevoegden?
13.1.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de uitleg zoals verzoeker die voorstaat te volgen. Onder “overdragen” wordt verstaan het aan een ander doen overgaan van de feitelijke macht. Onder overdragen valt ook het tijdelijk afstaan aan een ander. Zolang het schieten met verenigingswapens en binnen schietsportcentra gebeurt onder het direct toezicht van een daartoe bevoegd persoon, is er geen sprake van overdragen in de zin van de Wwm. Hiervoor zijn in de Circulaire duidelijke regels opgenomen, onder meer dat het vuurwapen pas op het schietpunt van de schietbaan door de beheerder of door een van zijn schietinstructeurs aan de schutter mag worden afgegeven en dat de beheerder of de betrokken schietinstructeur tijdens het schieten bij de schutter blijft op het schietpunt. Dat de voordeur altijd op slot is, dat het schietsportcentrum klein en overzichtelijk is en dat de erkenninghouder altijd in de buurt is, is iets anders dan het bij de schutter blijven op het schietpunt. Voor de voorzieningenrechter staat voldoende vast dat verzoeker niet (altijd) aan deze voorwaarde voldoet.
13.2.
Dat het gebruik van wapens uit de handelsvoorraad alleen onder de strikte voorwaarden geschiedt, zoals toegelicht in de zienswijze, maakt het oordeel over de uitleg van de wettelijke begrippen overdragen en ter beschikking stellen niet anders. Ook niet dat deze handelwijze wordt toegepast ten aanzien van schietverenigingen en personen die al over een wapenverlof beschikken. Dat er samenhangend bezien een algeheel stelsel is van direct toezicht binnen het schietsportcentrum is een omstandigheid die de voorzieningenrechter hierna bij de belangenafweging zal betrekken.
Registratieplicht voor het slachtapparaat en loop van vuurwapen?
16.1.
De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat verzoeker met het slachtapparaat de Wwm heeft overtreden. In het proces-verbaal staat dat er twee soorten slachtapparaten zijn en mede met verwijzing naar de beantwoording van Kamervragen op 28 oktober 2007, komt de verbalisant tot de conclusie dat het aangetroffen slachtapparaat geregistreerd had moeten worden. De gemachtigde van verzoeker heeft meerdere keren verzocht om het slachtapparaat te mogen onderzoeken, om zo zijn eigen deskundige mening te vormen over het slachtapparaat, maar dat is geweigerd. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom die gelegenheid niet is geboden.
16.2.
De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat in administratief beroep alsnog de gelegenheid wordt geboden om het slachtapparaat te onderzoeken. Dat geldt ook voor de loop. Hoewel de voorzieningenrechter over de registratieplicht van de loop op dit moment geen twijfels heeft, zal dit in administratief beroep verder onderzocht kunnen worden.
Voldoet verzoeker aan de registerplicht?
19.1.
Niet in geschil is dat – behoudens het slachtapparaat en de loop – de korpschef geen onregelmatigheden heeft geconstateerd in de door verzoeker aangeleverde registers. Verder heeft verzoeker onweersproken gesteld dat hij maandelijks een papieren exemplaar op het politiebureau inleverde. Maar hiermee voldeed verzoeker niet aan de Rwm, omdat hij dit niet via de elektronische weg deed. Aan het betoog van verzoekers gemachtigde ter zitting dat de regelgeving ruimte laat voor een andere interpretatie, gaat de voorzieningenrechter voorbij. Voor de voorzieningenrechter staat voldoende vast dat op verzoeker de verplichting rust om de registraties elektronisch aan te leveren. Maar de korpschef heeft ter zitting onvoldoende duidelijk kunnen maken op welke manier verzoeker dit had moeten doen. In administratief beroep kan dit zonodig nog verder worden onderzocht.
19.2.
Ter zitting is voor de voorzieningenrechter ook voldoende komen vast te staan dat verzoeker inmiddels zijn systeem zodanig heeft ingericht, dat hij de registers ook digitaal kan aanleveren. Hiermee heeft verzoeker dit punt hersteld.
Mocht de korpschef de erkenning intrekken?
20.1.
De korpschef heeft meerdere keren geconstateerd dat verzoeker niet stipt de regels naleeft voor wat betreft het overdragen en ter beschikking stellen van vuurwapens. De korpschef heeft dit al op 10 december 2024, op 27 februari 2025 en daarna tijdens de controle op 27 maart 2025 vastgesteld. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij zijn bedrijfsvoering altijd al op deze manier heeft ingericht. Samenhangend bezien is er een algeheel stelsel van direct toezicht binnen het schietsportcentrum. De politie weet dit en verzoeker heeft hierover nooit opmerkingen gehad. Of deze stellingen van verzoeker kloppen, kan de voorzieningenrechter niet vaststellen, maar er zijn in elk geval geen stukken waaruit blijkt dat de politie eerder waarschuwingen heeft gegeven aan verzoeker over zijn bedrijfsvoering. Het rauwelijks, zonder waarschuwing of zonder het stellen van nadere voorwaarden aan verzoeker, de erkenning in te trekken en de verlengingsaanvraag af te wijzen, acht de voorzieningenrechter niet proportioneel.
20.2.
Daarbij komt dat sprake is van een zeer groot tijdsverloop. Pas meer dan één jaar na de controle heeft de korpschef het bestreden besluit genomen, zonder daarbij acht te slaan op de actuele situatie. Dat de korpschef in de tussentijd een anonieme brief heeft ontvangen over de gang van zaken op het schietsportcentrum is onvoldoende zwaarwegend. De korpschef heeft nadien zelf geen nadere controle verricht. In het bestreden besluit heeft de korpschef een belangenafweging gemaakt en daarbij doorslaggevend belang gehecht aan de ernst van de overtredingen. De korpschef heeft daarbij zwaar laten meewegen dat verzoeker blijkens de zienswijze geen inzicht heeft in zijn gedrag. Het tijdsverloop legt de korpschef juist ten nadele van verzoeker uit, omdat hij de tijd niet heeft gebruikt om verbetering te laten zien.
20.3.
Het moet de korpschef inderdaad worden toegegeven dat verzoeker zijn manier van bedrijfsvoering niet heeft aangepast naar aanleiding van het voornemen. Verzoeker heeft nog steeds geen schietinstructeurs in dienst, er is maar één erkenninghouder en hij houdt vast aan een andere uitleg van de Wwm, terwijl hij daarin ook andere keuzes had kunnen maken. Daar staat tegenover dat er meerdere punten zijn, waar verzoeker juist wél verbetering heeft laten zien.
20.4.
In administratief beroep zullen bepaalde aspecten nog nader onderzocht en onderbouwd kunnen worden. Bij de huidige stand van zaken komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat naar verwachting niet alle punten die de korpschef ten grondslag heeft gelegd aan de intrekking, standhouden in administratief beroep. Daarbij opgeteld het tijdverloop en dat niet is gebleken van eerdere waarschuwingen door de politie, acht de voorzieningenrechter de intrekking niet evenredig. De voorzieningenrechter betrekt daarbij mede het bepaalde in paragraaf 9.4 van de Circulaire.
Conclusie en gevolgen 21. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de voorziening, die zij met de uitspraak van 22 mei 2026 heeft getroffen, op te heffen. Wel zal de voorzieningenrechter de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorziening wijzigen, in die zin dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit schorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op administratief beroep. Daarbij treft de voorzieningenrechter de voorziening dat de werking van de erkenning wordt verlengd tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op administratief beroep.
Proceskosten 23. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek heeft toegewezen, moet de korpschef het griffierecht aan verzoeker vergoeden en de proceskosten. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag van € 934,- per proceshandeling. De gemachtigde heeft een verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. Deze vergoeding bedraagt in totaal dus € 1.868,-. Daarnaast heeft verzoeker om reiskosten verzocht. Deze worden vergoed tot een bedrag van € 5,78. Verzoeker heeft verder om verletkosten verzocht. Verzoeker heeft enkel gesteld deze kosten te hebben gemaakt, maar niet onderbouwd met of voorzien van ondersteunende bewijsstukken. Reeds daarom kent de voorzieningenrechter hiervoor geen vergoeding toe.
Beslissing De voorzieningenrechter: wijzigt de bij uitspraak van 22 mei 2026 getroffen voorlopige voorziening; schorst het bestreden besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op administratief beroep; bepaalt dat de werking van de erkenning wordt verlengd tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op administratief beroep; bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 397,- aan verzoeker moet vergoeden; veroordeelt de korpschef tot betaling van € 1.873,78,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.W.J.M. van Rijt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
De griffier is niet in staat de uitspraak te ondertekenen. voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 15 juni 2026 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Het proces-verbaal van Team criminele inlichtingen (CIE-verbaal) en de anonieme brief, ontvangen op 13 maart 2026.
De rechter die deze beslissing heeft genomen is niet de voorzieningenrechter.
Dit staat in artikel 1, aanhef en onder 11, van de Wwm.
Bijzonder deel (B) paragraaf 2.3 Schietcentra van de Circulaire.
Dit staat in artikel 12, negende lid, van de Rwm.
Dit staat in artikel 8:87 van de Awb.
Dit is het tarief voor de reiskosten openbaar vervoer, laagste klasse, retour.