← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2026:73

RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 11664416 \ CV EXPL 25-1938 Vonnis van 4 februari 2026 in de zaak van [partij 1] , te [plaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, gemachtigde: mevrouw [gemachtigde] , h.o.d.n. [bedrijf] , tegen [partij 2] , te [plaats 2] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, procederend in persoon. Partijen worden hierna aangeduid als [partij 1] en [partij 2] . 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het exploot van dagvaarding van 19 april 2025 met zeventien producties; - de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met twee producties; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de conclusie van antwoord in reconventie met vijf producties; - de mondelinge behandeling van 10 december 2025, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt. [partij 2] is niet ter zitting verschenen. - de kantonrechter heeft het door [partij 2] ingediende verweerschrift van 19 november 2025 buiten beschouwing gelaten nu [partij 2] niet in de gelegenheid is gesteld om nog een processtuk in te dienen. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. [partij 2] heeft op 17 juni 2024 via whatsapp aan [partij 1] voorgesteld om een geldbedrag voor [partij 1] te beleggen. De beleggingslooptijd zou acht tot twaalf weken zijn en na afloop daarvan zou [partij 1] zijn inleg, vermeerderd met de gerealiseerde winst, retour ontvangen van [partij 2] . 2.
  4. [partij 1] is met dit voorstel akkoord gegaan en heeft op 19 juni 2024 aan [partij 2] $ 1.506,76 overgemaakt en op 29 juli 2024 nog eens € 500,
  5. 2.
  6. Op 9 september 2024 heeft [partij 2] via whatsapp aan [partij 1] meegedeeld dat de waarde van de belegging was gestegen tot € 3.460,
  7. 2.
  8. Op 11 september 2024 heeft [partij 1] via whatsapp aan [partij 2] verzocht om uitbetaling van dit bedrag. 2.
  9. Op 3 december 2024 heeft [partij 2] per whatsapp aan [partij 1] meegedeeld dat hij het geld van [partij 1] inmiddels uit de gedane beleggingen had geïncasseerd en aan hem zou overmaken. 2.
  10. Per e-mail van 5 december 2024 heeft [partij 2] aan [partij 1] bevestigd dat hij een bedrag van € 3.094,00 minus transactiekosten aan hem zou uitbetalen. [partij 1] heeft daarop per e-mail bevestigd dat dit akkoord was. 2.
  11. In de maanden daarna heeft [partij 1] [partij 2] meermaals om betaling verzocht en heeft hij aan [partij 2] bevestigd dat het over te maken bedrag kon worden afgerond op € 3.000,
  12. [partij 2] heeft daarop steeds toegezegd dat hij tot betaling zou overgaan. 2.
  13. Op 16 januari 2025 en 24 januari 2025 heeft [partij 2] telkens € 500,00 aan [partij 1] overgemaakt. Betaling van het restantbedrag is echter uitgebleven, ook na herhaalde sommatie van [partij 1] en zijn gemachtigde. 3Het geschil 3.
  14. [partij 1] vordert in conventie [partij 2] te veroordelen tot betaling van € 2.000,00, binnen twee weken na datum van dit vonnis, op verbeurte van een door de kantonrechter te bepalen dwangsom en te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten van € 400,00 en de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.
  15. [partij 1] legt aan de vordering ten grondslag dat [partij 2] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst door niet tot volledige terugbetaling van zijn belegging, vermeerderd met de gerealiseerde winst, over te gaan. 3.
  16. [partij 2] voert verweer en vordert – in reconventie – dat de kantonrechter vaststelt dat al € 1.000,00 door hem is voldaan en dat het resterende bedrag nog slechts € 1.000,00 bedraagt. In conventie concludeert hij voorts dat de vordering voor het overige moet worden afgewezen. 3.
  17. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  18. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zal de kantonrechter deze vorderingen gezamenlijk behandelen. 4.
  19. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij 2] een deelbetaling van € 1.000,00 aan [partij 1] heeft voldaan. Tussen partijen is wel in geschil welk restantbedrag nog voldaan moet worden door [partij 2] . Volgens [partij 1] is dat € 2.000,00 en volgens [partij 2] is dat slechts € 1.000,
  20. 4.
  21. Uit de tussen partijen gevoerde correspondentie blijkt dat [partij 2] meermaals aan [partij 1] heeft toegezegd dat hij nog een bedrag van € 2.000,00 aan hem zou voldoen. [partij 2] heeft echter aangevoerd dat hij deze toezegging enkel heeft gedaan onder grote druk van [partij 1] en zonder dat daar een contractuele of wettelijke basis voor bestond. Dit moet gekwalificeerd worden als bedreiging zoals bedoeld in artikel 3:44 BW, aldus [partij 2] . Ter onderbouwing van dit verweer heeft [partij 2] gewezen op het whatsappbericht van [partij 1] van 7 januari 2025 waarin [partij 1] aan [partij 2] heeft meegedeeld dat bij het uitblijven van de betaling een incassoprocedure zou worden gestart en de nieuwe werkgever van [partij 2] zou worden geïnformeerd over de tussen partijen ontstane situatie. 4.
  22. De kantonrechter stelt vast dat [partij 2] op 9 september 2024 aan [partij 1] heeft meegedeeld dat de waarde van de beleggingen was gestegen tot € 3.640,00 en dat [partij 2] al op 5 december 2024 aan [partij 1] heeft meegedeeld dat hij een bedrag van € 3.094,00 (minus transactiekosten) aan [partij 1] zou voldoen. Deze berichtgeving van [partij 2] dateert dus al van ruim vóór het whatsappbericht van 7 januari
  23. Niet gesteld of gebleken is dat op het moment van die mededelingen sprake was van enige (onrechtmatige) druk of bedreiging van de zijde van [partij 1] zodat deze toezeggingen van [partij 2] ook niet onder de invloed daarvan kunnen zijn gedaan. Dit blijkt eens temeer uit de strekking van het whatsappbericht van [partij 2] van 30 december 2024 waarin hij zijn excuses aan [partij 1] aanbiedt over de gang van zaken en nogmaals toezegt om voor de jaarwisseling het resterende bedrag te voldoen. De kantonrechter is gelet daarop van oordeel dat vast is komen te staan dat [partij 2] nog een bedrag van € 2.000,00 aan [partij 1] is verschuldigd zodat de vordering van [partij 1] tot veroordeling van [partij 2] tot betaling van dit bedrag zal worden toegewezen. 4.
  24. Omdat sprake is van een veroordeling tot betaling van een geldsom, kan op grond van artikel 611a lid 1 Rv geen dwangsom worden opgelegd, zodat deze vordering van [partij 1] zal worden afgewezen. 4.
  25. [partij 1] vordert tevens vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [partij 1] heeft aan [partij 2] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat het toepasselijke wettelijke tarief aan buitengerechtelijke kosten niet in de aanmaning is vermeld. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen. 4.
  26. [partij 2] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie en in reconventie. Voor wat betreft de kosten van de dagvaarding zullen de tarieven gehanteerd worden zoals vermeld in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. De proceskosten van [partij 1] worden daarom begroot op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde conventie € 434,00 (2 punten × € 217,00) - salaris gemachtigde reconventie € 87,00 (2 punten × factor 0,5 × € 87,00) - nakosten € 108,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.031,95 4.
  27. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing in conventie en in reconventie De kantonrechter 5.
  28. bepaalt dat [partij 2] voorafgaand aan deze procedure € 1.000,00 aan [partij 1] heeft voldaan, 5.
  29. veroordeelt [partij 2] om in aanvulling op die betaling aan [partij 1] € 2.000,00 te betalen, binnen twee weken na datum van dit vonnis, 5.
  30. veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 1.031,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
  31. verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  32. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.