← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2026:794

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03.067661.23 (ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel) Tegenspraak Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 26 januari 2026 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens] 1966, wonende te [adres] . hierna te noemen [verdachte] . [verdachte] wordt bijgestaan door mr. M. Neijenhuis, advocaat kantoorhoudende te Laren. 1Onderzoek van de zaak De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 januari

  1. [verdachte] en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03.067661.
  2. Op 26 januari 2026 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen. 2De vordering van de officier van justitie De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 349.533,
  3. Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten dan de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld. Er zouden voldoende aanwijzingen bestaan dat deze andere feiten door [verdachte] zijn begaan. 3De beoordeling 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de vordering ter terechtzitting gehandhaafd en daartoe het volgende aangevoerd. Uit het dossier – waarin door de politie is gerelateerd over de resten van hennepplanten – en de verklaring van [verdachte] ter zitting blijkt dat er minstens één eerdere hennepoogst is geweest, waarbij tevens gebruik is gemaakt van toevoeging van CO
  4. Volgens de officier van justitie kan [verdachte] als medepleger van het telen van hennep worden beschouwd. Daarom heeft de officier van justitie ook verzocht om de vordering hoofdelijk toe te wijzen, zodat eventuele onbekend gebleven mededaders in de toekomst ook aansprakelijk zijn. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering geen aansluiting vindt bij het daadwerkelijk door [verdachte] genoten voordeel en daarmee haar grondslag mist, nu [verdachte] slechts een faciliterende rol heeft gehad in het geheel. [verdachte] heeft enkel een vergoeding voor het verhuren van de ruimte ontvangen van € 1.250,00 per maand, gedurende zeven maanden (7 x € 1.250,00 = € 8.750,- in totaal). Daarnaast heeft hij een bedrag van € 5.466,50 aan de netbeheerder en een bedrag van € 2.744,45 aan het waterbedrijf moeten betalen. Volgens de raadsvrouw heeft [verdachte] daarom slechts een netto voordeel van € 539,05 overgehouden aan de hennepkwekerij (€ 8.750,00 - € 5.466,50 - € 2.744,45). De vordering dient tot dit bedrag gematigd te worden. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Bij vonnis van 26 januari 2026 is [verdachte] – voor zover in deze ontnemingsprocedure relevant – veroordeeld wegens:
  5. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
  6. medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;
  7. medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldig zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking. De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn. [verdachte] is partieel vrijgesproken van het telen van hennep omdat daarvoor onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aanwezig waren. De rechtbank heeft [verdachte] wel veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep. Het doel van de ontnemingswetgeving is het herstel van de rechtmatige toestand in financieel opzicht door het afromen van het wederrechtelijk verkregen vermogen. Dat betekent in de zaak van [verdachte] dat de opbrengst van de hennepkwekerij alleen kan worden ontnomen, voor zover er voldoende aanwijzingen bestaan dat er daadwerkelijk geld in het vermogen van veroordeelde is gevloeid. Het is de rechtbank op basis van het dossier – in het bijzonder de financiële bankgegevens van zowel de privé- als zakelijke rekeningen van [verdachte] en zijn toenmalige partner – en het verhandelde ter zitting onvoldoende gebleken dat enig deel van de opbrengst van de hennepkwekerij in het vermogen van [verdachte] is gevloeid. Daarom zal de rechtbank ook geen aansluiting zoeken bij het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van 1 juni 2016 van het Functioneel Parket Afpakken. De rechtbank acht het wel aannemelijk dat [verdachte] wederrechtelijk voordeel heeft genoten door de ondergrondse ruimte op zijn perceel te verhuren ten behoeve van de hennepteelt en baseert zich daarbij op de volgende bewijsmiddelen. Uit de verklaring van [verdachte] zelf dat hij zeven maanden huur heeft ontvangen van € 1.250,00 per maand en de overlegde huurovereenkomst is de rechtbank gebleken dat [verdachte] voor het verhuren van de ruimte waarin de hennep is geteeld een totaalbedrag van € 8.750,00 heeft ontvangen. De rechtbank acht daarmee aannemelijk dat [verdachte] voordeel heeft genoten door zijn ruimte ter beschikking te stellen. De rechtbank ziet geen aanleiding om rekening te houden met eventueel gemaakte kosten nu niet is gebleken dat [verdachte] enig voordeel heeft genoten uit de opbrengst van de hennepkwekerij. De aangevoerde kosten door de verdediging met betrekking tot het water en de elektriciteit worden daarom niet in mindering gebracht. Op grond van voornoemde is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 8.750,00 en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de staat. 4Het wettelijke voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5De beslissing De rechtbank: stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 8.750,00 (zegge: achtduizend zevenhonderd en vijftig euro); legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € € 8.750,00 (zegge: achtduizend zevenhonderd en vijftig euro); bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 87 dagen. Deze uitspraak is gewezen door mr. L.M.W. Peters, voorzitter, mr. M.J.H. van den Hombergh en mr. S.A.M.C. van de Winkel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Houkes, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 januari
  8. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2021181235, gesloten op 20 december 2022, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 556 (deel 1 en deel 2). De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 12 januari
  9. Een geschrift, te weten een huurovereenkomst (bijlage 2 behorend bij het proces-verbaal van bevindingen van 19 november 2022), pg. 149-152.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.