← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2026:979

RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/340151 / HA ZA 25-118 Vonnis van 4 februari 2026 in de zaak van de rechtspersoon naar buitenlands recht MARTRICK BENELUX B.V., te Knokke-Heist (België), eisende partij, hierna te noemen: Martrick, advocaat: mr. D. Vong, tegen 1 [gedaagde partij 1] B.V., te [plaats] , hierna te noemen: [gedaagde partij 1] ,2. [gedaagde partij 2] B.V., te [plaats] , hierna te noemen: [gedaagde partij 2] ,3. [gedaagde partij 3], te [plaats] , hierna te noemen: [gedaagde partij 3] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] , advocaat: mr. C.C. Canjels. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - het bericht van 6 november 2025 met producties van Martrick,- het bericht van 7 november 2025 met productie van Martrick,- het bericht van 11 november 2025 met producties van [gedaagde partijen] ,- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 november 2025, - de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling namens [gedaagde partijen] voorgedragen pleitaantekeningen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [gedaagde partij 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde partij 1] en bestuurder van [gedaagde partij 2] . 2.2. [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] houden zich bezig met het trainen van paarden. In ieder geval [gedaagde partij 1] houdt zich ook bezig met het rijden van wedstrijden met die paarden. 2.3. Op 1 januari 2016 is tussen Martrick en [gedaagde partij 1] een zogenoemde ‘overeenkomst tot training paard’ gesloten (hierna: de trainingsoveenkomst). In dat kader is onder meer het volgende afgesproken: - Martrick koopt paarden die door [gedaagde partij 1] worden getraind ten behoeve van het deelnemen aan wedstrijden en (door)verkoop, - Martrick financiert de aankopen en wordt eigenaar van de paarden, - de met de paarden gewonnen prijzengelden worden verdeeld, - bij verkoop van de paarden ontvangt Martrick het aankoopbedrag retour en krijgt [gedaagde partij 1] door haar gemaakte kosten vergoed, voor zover de omvang van de verkoopprijs dat toelaat, - een eventuele restant opbrengst word gelijkelijk tussen partijen verdeeld, - het prijzengeld wordt verdeeld. De overeenkomst meldt verder dat opzegging mogelijk is met inachtneming van een termijn van één maand. 2.4. Vanaf oktober 2022 is er per e-mail gecorrespondeerd tussen de gemachtigde van Martrick en de accountant van [gedaagde partij 3] , [de accountant] . Daarin wordt onder meer het volgende uitgewisseld: [gemachtigde Martrick, 18 oktober 2022:] Namens mijn cliënte Martrick Benelux B.V. stuur ik u bijgaande koopovereenkomst in verband met een viertal door uw cliënte over te nemen paarden. Deze overeenkomst heeft mijn cliënte ook reeds naar uw cliënte verzonden. [ [de accountant] , 25 oktober 2022:] Zoals net telefonisch besproken hierbij een reactie welke wij met onze cliënte. Mevrouw [gedaagde partij 3] , hebben besproken. Momenteel is er sprake van een contract waar is afgesproken dat de paarden getraind worden door mevrouw [gedaagde partij 3] en dat als deze paarden verkocht worden er een afrekening kan worden gemaakt. Cliënten willen van deze afspraak af en willen in beginsel de eigendom overdragen aan [gedaagde partij 1] BV. (…) Zoals ik begrepen heb betreft het de volgende paarden waarvoor een zulke overeenkomst nu loopt:  [paard 1]  [paard 2]  [paard 3]  [paard 4] (…)Deze overeenkomsten dienen m.i. te worden opgezegd en er zullen twee nieuwe overeenkomsten moeten komen:  Koopovereenkomst paarden met bijbehorende factuur welke aan de geldende factuurvereisten voldoet en waarin koopsom wordt omgezet in een lening.  Lening overeenkomst inzake de hiervoor genoemde lening met eventuele hypothecaire zekerheidstelling bij Rabobank, mits akkoord. Als ik partijen begrijp zal de afrekening van bestaande overeenkomst worden omgezet in een bedrag welke ook de koopsom zal zijn van € 1.000.000. Moet er nog worden gekeken naar een deel wat voor training is en dergelijke en komt er hier een afrekening met bijbehorende facturen voor? Te bespreken / reeds besproken voorwaarden:  Aflossing schuld: geen maandelijkse aflosverplichting, wel aflosverplichting bij verkoop een van boven genoemde paarden (…) 2.5. Op of omstreeks 16 juni 2023 hebben de bestuurder van Martrick ( [bestuurder eisende partij] ) en [gedaagde partij 3] (namens zichzelf, [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 1] ) een schriftelijk stuk getekend met als opschrift ‘Koopovereenkomst’, hierna: de onderhandse akte. Daarin wordt Martrick als ‘partij 1’ en ‘verkoper’ geduid en [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] als ‘partij 2’, ‘partij 3’ respectievelijk ’partij 4’ en gezamenlijk als ‘kopers’. Verder staat er onder meer het volgende in: ‘In aanmerking nemende dat: - Verkoper eigenaar is van de volgende paarden: - voor 100% van [paard 1] (…) - voor 100% van [paard 2] (…) - voor 50% van [paard 3] (…) - voor 100% van [paard 4] (…) - Partij 2 voornoemde bij haar gestalde paarden reeds traint en verzorgt op basis van een op 1 januari 2016 tussen partij 1 en partij 2 gesloten samenwerkingsovereenkomst met als naam “overeenkomst tot training paard”. (…) ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN: 1. Verkoper verklaart te hebben gekocht gelijk kopers verklaren te hebben gekocht de paarden zoals genoemd in de considerans (…) hierna te noemen ‘de paarden’ zulks tegen een totale koopprijs ad € 1.000.000,= (zegge één miljoen euro). 2. Verkoper zal na ondertekening van de overeenkomst en zekerheidstelling (als genoemd in punt 3) 4 afzonderlijke facturen opstellen die kopers uiterlijk op 31 december 2023 dienen te voldoen op het rekeningnummer, zoals vermeld op de facturen. 3. Ter meerdere zekerheid van de betaling van de overeengekomen koopsom ad € 1.000.000,= verplicht partij 3 zich hierbij om binnen 90 dagen na de datum van ondertekening van deze overeenkomst (…) het volgende zekerheidsrecht te doen vestigen op naam van verkoper: een recht van (tweede) hypotheek op het (…) registergoed gelegen aan de [adres] (…) 4. Verkoper blijft eigenaar van het verkochte tot het moment waarop de koopprijs van het verkochte volledig zal zijn voldaan. Bij eventuele tussentijdse doorverkoop of verleasing van de paarden door kopers, dienen de door kopers respectievelijk verkregen koopsom(men) en/of huurpenningen onverwijld te worden overgemaakt naar verkoper (…) 5. Partij 2, als zijnde trainer en verzorger van voornoemde paarden, verklaart dat voornoemde paarden op het moment van ondertekening van deze overeenkomst in een goede conditie verkeren, en geen uiterlijke of duidelijk waarneembare gebreken of afwijkingen hebben. Verkoper biedt geen enkele garantie omtrent de (verdere) ontwikkeling van de paarden als sport/wedstrijdpaarden. 6. Op deze overeenkomst is het Nederlands recht van toepassing. Alle geschillen die in verband met deze overeenkomst mochten ontstaan, zullen uitsluitend worden voorgelegd aan de bevoegde Nederlandse rechter. 2.6. Op 29 december 2023 is ten gunste van Martrick een tweede hypotheekrecht gevestigd op het onroerend goed aan de [adres] tot zekerheid van nakoming door [gedaagde partijen] van een tussen Martrick en [gedaagde partijen] gesloten leningsovereenkomst. De in dat kader verleden notariële akte bevat onder meer de het volgende bepalingen (voetnoten door de rechtbank toegevoegd): ‘HOOFDSTUK 2. LENINGSOVEREENKOMST 1. Leningsovereenkomst De schuldenaar en de schuldeiser hebben op zestien juni tweeduizend drieëntwintig een leningsovereenkomst gesloten. Aan deze akte is een kopie van de leningsovereenkomst vastgehecht. 2. Opeisbaarheid Onverminderd andere met de schuldeiser overeengekomen opeisbaarheidsgronden kan de schuldenaar de lening en alle andere vorderingen op de schuldenaar waarvoor het hypotheekrecht (…) tot zekerheid strekt zonder voorafgaande aankondiging of ingebrekestelling opeisen in de volgende situaties: - De zekerheidsgever en/of schuldenaar komt/komen de verplichtingen op grond van deze akte niet na. - De zekerheidsgever wordt failliet verklaard of vraagt surseance van betaling aan. - Uit een mededeling of gedraging van de zekerheidsgever en/of schuldenaar moet de schuldeiser afleiden dat de zekerheidsgever en/of schuldenaar zijn verplichtingen op grond van deze akte niet na zal komen. - Er wordt executoriaal beslag gelegd op het onderpand of een conservatoir beslag op het pand is overgegaan in een executoriaal beslag op het onderpand en dat beslag is niet binnen dertig dagen opgeheven. - De zekerheidsgever wordt ontbonden. - Meerdere (rechts)personen zijn samen zekerheidsgever en een hiervoor bedoelde situatie is van toepassing op een van hen’. 2.7. Vanaf eind 2023 is tussen de gemachtigde van Martrick en [gedaagde partij 3] per e-mail gecorrespondeerd. Vanaf het voorjaar van 2024 ging dat er onder meer over dat Martrick had begrepen dat een van de paarden ( [paard 1] ) was verhuurd en later verkocht door of namens [gedaagde partijen] Martrick maakte, onder verwijzing naar artikel 4 van de onderhandse akte, aanspraak op doorbetaling de huurpenningen en koopprijs. [gedaagde partij 3] zegde toe de koopprijs te zullen doorbetalen aan Martrick zodra zij deze ontvangen had. Vanaf eind 2024 maakt de gemachtigde van Martrick namens deze aanspraak op betaling van ‘the purchase price’ op uiterlijk 31 december 2024. 2.8. Op enig moment informeert [gedaagde partij 3] de gemachtigde van Martrick over potentiële kopers van het onroerend goed te [plaats] en deelt per e-mail van 17 januari 2025 onder meer het volgende mee: ‘Like I promised I would like to let you know that we came to a solution tot solve the overdue contract with Martrick Benelux, (…) In the meantime, to not get any further delays for Mr. [bestuurder eisende partij], the [potentiële kopers, toevoeging rechtbank] are willing to take over his Hypotheek of 1 million Euro. As agreed by phone with [persoon] he will receive two payments of 500.000,- Euros. The first one at 03.02.2025 and the second one at 31.03.2025.’ 2.9. In reactie op de e-mail van 17 januari 2025 schrijft de gemachtigde van Martrick op 20 en 21 januari 2025 per e-mail onder meer het volgende aan [gedaagde partij 3] : [21 januari 2025:] ‘(…) Although trust has been violated client hopes that you will pay the amounts in a timely manner this time (first one at 03-02-25 and the second one at 31-03-25), so that there can be further discussion about the outstanding interest (…), [22 januari 2025:] ‘(…) Please note, if the amounts are not credited to my client’s bank account by 02-02-25 and 31-03-25 at the latest, this settlement will be cancelled and we will proceeded tot take legal action. (…)’ 2.10. De in de e-mailcorrespondentie vermelde betalingen van € 500.00,00 hebben niet plaatsgevonden. Daarop per e-mail aangesproken, geeft [gedaagde partij 3] aan dat zij in overleg is met (de financier van) de beoogd kopers van het onroerend goed te [plaats] . Bij e-mail van 6 februari 2025 deelt [gedaagde partij 3] mee dat het probleem erin zit dat de financier van de koopsom het geld uit een investeringsfonds zouden moeten halen en dat deze heeft toegezegd een en ander zo spoedig mogelijk te regelen. [gedaagde partij 3] sluit de e-mail als volgt af: ‘I can only assure him [lees: [bestuurder eisende partij] , toevoeging rechtbank] one more time that I will pay him all the money I owe him’. Deze belofte herhaalt [gedaagde partij 3] bij e-mailbericht van 13 februari 2025. Een betaling is niet gevolgd. 3. Het geschil 3.1. Martrick vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij 1] . c.s. tot betaling van € 1.000.000,00, vermeerderd met wettelijke handelsrente en kosten. 3.2. [gedaagde partij 1] . c.s. voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Martrick, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Martrick, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Martrick in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Vooraf 4.1. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [gedaagde partijen] verzocht om hen in de gelegenheid te stellen een nadere conclusie of akte te nemen, waarin (nader) zou kunnen worden gereageerd op de namens Martrick voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingediende producties met toelichting. Tegen het indienen van de producties en de toelichting was namens [gedaagde partijen] voorafgaand aan de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt. Het verzoek van [gedaagde partijen] is afgewezen, met de mededeling dat daaraan in het vonnis ook nog aandacht zou worden besteed. 4.2. Namens Martrick zijn bedoelde producties ingediend met inachtneming van de termijn vermeld in art.87 lid 6 Rv en art. 5.7. van het Landelijk procesreglement. Het moment van het indienen van de producties gaf daarom geen aanleiding deze te weigeren. In de door Martrick bij de producties gegeven toelichting staat dat het indienen van de producties was ingegeven door het feit dat [gedaagde partijen] in de conclusie van antwoord verweren naar voren brachten die niet eerder kenbaar waren gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat dit juist is. [gedaagde partijen] hebben weliswaar gesteld dat uit de producties bleek dat Martrick voorafgaand aan de procedure bekend was met het in de procedure gevoerde verweer, maar hebben desgevraagd verwezen naar een stuk dat niet verwijst naar (feiten of omstandigheden die terugkomen

  1. in)het vanaf conclusie van antwoord gevoerde verweer. Het was Martrick aldus niet te verwijten dat zij bedoelde stukken en toelichting niet eerder aan het procesdossier heeft toegevoegd. Verder geldt dat de producties grotendeels al eerder bij [gedaagde partijen] althans [gedaagde partij 3] bekend waren of geacht moesten worden te zijn omdat het berichten van [gedaagde partij 3] dan wel aan [gedaagde partij 3] of haar toenmalige rechtsbijstandverlener betrof. Daarnaast is relevant dat de bijgeleverde toelichting maakte dat aan [gedaagde partijen] ongeveer twee weken voorafgaand aan de mondelinge behandeling duidelijk was wat Martrick met de producties beoogde aan te tonen of te onderbouwen. Als deze toelichting niet meteen was gegeven, was dat pas tijdens de mondelinge behandeling gebeurd. Tot slot is van belang dat [gedaagde partijen] tijdens de mondelinge behandeling niet is beperkt in de mogelijkheden om in te gaan op de producties en de toelichting. [gedaagde partijen] zijn dus niet geschaad in hun gerechtvaardigde belangen op dit punt. Ongelukkig is dat het voornemen van de rechtbank om de producties en toelichting toe te laten, als gevolg van een intern misverstand pas op de dag van de mondelinge behandeling door de griffie aan partijen kenbaar is gemaakt. Dat doet aan het vorenstaande echter niet af, mede omdat [gedaagde partijen] er behoudens andersluidend bericht niet op mochten vertrouwen dat hun bezwaar zou worden gehonoreerd. Koopovereenkomst Standpunt Martrick 4.3. Martrick grondt haar vordering op nakoming van een koopovereenkomst door [gedaagde partijen] Deze koopovereenkomst is volgens Martrick (onder andere) vastgelegd in de onderhandse akte en zou [gedaagde partijen] verplichten om uiterlijk op 31 december 2023€ 1.000.000,00 aan Martrick te betalen. De termijn voor betaling van de hoofdsom is volgens Martrick in onderling overleg met een jaar verlengd. Verweer [gedaagde partijen] 4.4. In de conclusie van antwoord hebben [gedaagde partijen] aangevoerd dat partijen weliswaar de onderhandse akte hebben getekend, maar dat er iets anders is afgesproken dan dat daar in staat. De intentie was niet om de trainingsovereenkomst te vervangen en ook niet om [gedaagde partijen] daadwerkelijk de paarden op de leverdatum te laten afnemen, aldus [gedaagde partijen] De reden voor het opstellen en tekenen van de onderhandse akte was volgens [gedaagde partijen] dat Martrick daarmee een papier in handen had waarmee zij een lening kon krijgen ten behoeve van het investeren in een vastgoedproject. 4.5. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat die [gedaagde partijen] ter zitting mede bijstond (mr. Van Weerden, kantoorgenoot van mr. Canjels) verklaard dat de onderhandse akte geen enkel gevolg heeft gehad voor de rechtsverhouding tussen partijen. De trainingsovereenkomst zou zijn doorgelopen en nog gelden tussen partijen, waarbij wordt aangevoerd dat de trainingsovereenkomst niet is opgezegd terwijl deze wel een opzeggingsmogelijkheid bevat. Het was, aldus mr. Van Weerden, niet de bedoeling dat [gedaagde partijen] € 1.000.000,00 moesten betalen. Het ook in de correspondentie genoemde bedrag van € 1.000.000,00 zou de inschatting zijn van de verkoopwaarde van de paarden waarop de trainingsovereenkomst van toepassing is, met dien verstande dat drie van de vier in de onderhandse akte genoemde paarden onder de trainingsovereenkomst vallen. 4.6. [gedaagde partij 3] verklaarde tijdens de mondelinge behandeling dat zij met [bestuurder eisende partij] heeft afgesproken dat hij ‘zijn miljoen’ krijgt als [gedaagde partij 3] haar huis verkoopt en dat zij met de hypotheekakte aan [bestuurder eisende partij] de garantie heeft gegeven dat hij het miljoen zou krijgen. Gevraagd naar de verkoop van het paard [paard 1] verklaarde [gedaagde partij 3] dat zij daartoe gerechtigd was omdat zij er de eigenaar van was. De facturen voor de paarden zijn volgens [gedaagde partij 3] verklaring betaald met ‘de leningsovereenkomst zoals genoemd in de hypotheekakte’. Oordeel rechtbank 4.7. Vast staat dat partijen de onderhandse akte hebben getekend. Daarin staat klip en klaar dat Martrick de paarden aan [gedaagde partijen] verkoopt voor € 1.000.000,00. Op grond van het bepaalde in artikel 157 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt daaruit dat de onderhandse akte dwingend bewijs oplevert voor de stelling van Martrick dat de door haar gestelde een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Wat [gedaagde partijen] daar tegenover heeft gesteld kan niet tot een andere conclusie leiden of aanleiding geven tot nader onderzoek op dit punt. Daarbij zijn de hierna te noemen omstandigheden van belang. 4.7.1. Uit het bericht van [de accountant] moet worden afgeleid dat hij van [gedaagde partij 3] onder andere heeft vernomen dat zij middels [gedaagde partij 1] voornemens was de paarden voor € 1.000.000,00 van Martrick te kopen, althans dat dit de insteek van de gesprekken was. Op zich terecht hebben [gedaagde partijen] gesteld dat de verklaringen van [de accountant] niet zonder meer gelijk kunnen worden gesteld aan verklaringen van [gedaagde partij 1] (c.s.), maar er kan wel uit worden afgeleid wat [de accountant] heeft begrepen van [gedaagde partij 3] . Dit staat er namelijk expliciet en gesteld noch gebleken is dat [de accountant] dit zelf zou hebben verzonnen of dat hij [gedaagde partij 3] volledig verkeerd heeft begrepen. Het bericht van [de accountant] is daarmee in lijn met de stelling van Martrick en de inhoud van de onderhandse akte. 4.7.2. In de periode voorafgaand aan deze procedure is tussen de gemachtigde van Martrick en [gedaagde partij 3] per e-mail gecorrespondeerd. Daarbij is namens Martrick aanspraak gemaakt op nakoming van de gestelde koopovereenkomst, bestaande in betaling van € 1.000.000,00. [gedaagde partij 3] heeft daarop gereageerd en daarbij op geen moment gesteld dat er geen koopovereenkomst tot stand is gekomen of dat er een andere prijs zou gelden. Sterker nog, zij is daarbij steeds zelf ook uitgegaan van een verplichting om € 1.000.000,00 te betalen. Dat [gedaagde partij 3] – zoals door mr. Van Weerden tijdens de mondelinge behandeling is gesteld – zo aardig was om het overleg aan te gaan, is geen geloofwaardige verklaring voor de stelling die erop neerkomt dat zij niet meende wat zij schreef. 4.7.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde partij 3] ook zelf verklaard overeenkomstig de stelling van Martrick dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen en dat de koopprijs € 1.000.000,00 bedraagt. De daarmee door [gedaagde partij 3] niet onderschreven opmerking van mr. Van Weerden dat het niet de bedoeling was dat er € 1.000.000,00 zou worden betaald, legt daartegenover geen gewicht in de schaal. 4.8. De tussenconclusie is dat als vaststaand wordt aangenomen dat er tussen Martrick en [gedaagde partijen] een koopovereenkomst tot stand is gekomen waarvan de inhoud blijkt uit de onderhandse akte. Hierna zal de onderhandse akte ‘de koopovereenkomst’ worden genoemd. 4.9. Met het sluiten van de koopovereenkomst is naar het oordeel van de rechtbank een einde gekomen aan de trainingsovereenkomst, ook al heeft er geen aparte opzegging plaatsgevonden. De aard van de koopovereenkomst verdraagt zich namelijk niet met het voortduren van de trainingsovereenkomst, althans niet ten aanzien van de verkochte paarden. Met het overgaan van de eigendom van de paarden van Martrick naar [gedaagde partijen] valt het nut en de noodzaak van de trainingsovereenkomst namelijk (in zoverre) weg. 4.10. Er is ook geen reden om aan te nemen dat er bij gelegenheid van de verkoop van de paarden (toch) zou worden afgerekend conform de regels van de trainingsovereenkomst. Het is niet logisch dat partijen dit voor ogen hadden maar het vervolgens niet in de koopovereenkomst hebben verwerkt. Dit terwijl het bestaan van de trainingsovereenkomst uiteraard bij partijen bekend was en er in de considerans van de koopovereenkomst ook uitdrukkelijk naar wordt verwezen. Verder staat vast dat [gedaagde partij 3] in de communicatie over de betaling van de koopsom op geen enkel moment heeft aangegeven dat er nog een verrekening zou moeten plaatsvinden langs de lijnen van de trainingsovereenkomst. Zij heeft, sterker nog, in die communicatie bevestigd dat er € 1.000.000,00 moet worden betaald en dat herhaalde zij tijdens de mondelinge behandeling. 4.11. De slotsom is dat [gedaagde partijen] op grond van de tussen hen en Martrick gesloten koopovereenkomst aan Martrick € 1.000.000,00 verschuldigd zijn. Opeisbaarheid 4.12. Namens [gedaagde partijen] is tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat een eventuele vordering op grond van de koopovereenkomst niet opeisbaar is. Er is daartoe gesteld dat de opeisingsgronden zoals vermeld in de hypotheekakte zich niet voordoen. 4.13. Voorop gesteld moet worden dat in de koopovereenkomst staat dat de koopsom uiterlijk op 31 december 2023 betaald had moeten worden (met dien verstande dat Martrick stelt dat er een jaar betalingsuitstel overeen is gekomen). Uitgaande van de inhoud van de koopovereenkomst is de daaruit voortvloeiende vordering tot betaling van de koopsom opeisbaar geworden op 1 januari 2024 of – als er een jaar betalingsuitstel is verleend – 1 januari 2025. 4.14. Niet in geschil is echter ook dat het tweede recht van hypotheek op het onroerend goed te [plaats] is gevestigd tot zekerheid van de nakoming van de aanspraak van Martrick op grond van de koopovereenkomst. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met wat die hypotheekakte vermeldt over de opeisbaarheid van de vordering van Martrick. In de desbetreffende bepaling worden enkele opeisingsgronden genoemd die gelden onverminderd andere overeengekomen opeisingsgronden. Martrick heeft zich niet beroepen op (een van) de specifiek in de hypotheekakte vermelde gronden, zodat het de vraag is of de er andere gronden overeen zijn gekomen. Dat is zo, zoals hiervoor onder 4.13. is overwogen. Aan het beroep op het niet-opeisbaar zijn van de vordering gaat de rechtbank dus voorbij. 4.15. Omdat partijen er voor hebben gekozen om niet de volledige hypotheekakte over te leggen, in die zin dat de aangehechte leningsovereenkomst niet is overgelegd, kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat met deze leningsovereenkomst wordt gedoeld op de koopovereenkomst. [gedaagde partij 3] verklaarde desgevraagd dat zij vermoedt dat het aangehechte stuk de koopovereenkomst is, maar dat zij het niet zeker weet. Als met de verwijzing naar de leningsovereenkomst inderdaad wordt gedoeld op de koopovereenkomst, zou dat betekenen dat de schuldig gebleven koopsom is omgezet in een lening, zoals bijvoorbeeld [de accountant] al als optie noemde. Anders dan [gedaagde partijen] stellen is daarvoor niet vereist dat er geld is overgemaakt aan hen. Mocht het zo zijn dat de in de hypotheekakte genoemde leningsovereenkomst een andere is dan de koopovereenkomst én daar een aan de koopovereenkomst derogerende afspraak over de opeisbaarheid is opgenomen, had het op de weg gelegen van [gedaagde partijen] om zich ter gemotiveerde betwisting van de stelling van Martrick daarop concreet te beroepen (en de desbetreffende overeenkomst over te leggen). Dit gegeven het vaststaand feit dat koopovereenkomst de opeisbaarheid regelt conform het standpunt van Martrick. Nu [gedaagde partijen] ervoor kozen dat niet te doen, komt dat voor hun rekening en risico. Ontbinding 4.16. [gedaagde partijen] hebben tijdens de mondelinge behandeling nog een beroep gedaan op gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst vanwege een blessure van het paard [paard 4] . Deze blessure zou een half jaar na factuurdatum zijn opgelopen. Martrick heeft naar aanleiding daarvan opgemerkt dat dit betekent dat het gestelde gebrek er niet was ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst. Ook naar aanleiding daarvan hebben [gedaagde partijen] niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat er sprake was een gebrek ten tijde van de levering van het paard [paard 4] . Daarmee hebben zij in ieder geval op dit essentiële punt niet voldaan aan hun stelplicht. Het beroep op gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst wordt afgewezen. Misbruik van recht 4.17. [gedaagde partijen] stellen dat Martrick misbruik van recht heeft gemaakt door hen in rechte te betrekken. Die stelling is niet verder onderbouwd en wordt daarom verworpen. Belang bij vordering 4.18. [gedaagde partijen] stellen dat Martrick geen belang heeft bij haar vordering omdat Martrick bij nakoming van de trainingsovereenkomst betaald wordt voor de paarden. Die stelling is dus gebaseerd op de al verworpen stelling dat de trainingsovereenkomst nog geldt tussen partijen en moet (alleen
  2. al)daarom worden afgewezen. Strijd met redelijkheid en billijkheid 4.19. [gedaagde partijen] stellen dat de vordering van Martrick in strijd is met de redelijkheid en billijkheid omdat daarmee het belang van [gedaagde partij 1] bij nakoming van de trainingsovereenkomst wordt gefrustreerd. De rechtbank verwerpt deze stelling onder verwijzing naar rov. 4.18. Dwaling 4.20. [gedaagde partijen] stellen te hebben gedwaald bij het aangaan van de koopovereenkomst met de stelling dat als [gedaagde partij 3] had geweten dat de vriendendienst – bestaande uit het ondertekenen van de onderhandse akte – omgezet zou kunnen worden in een opeisbare vordering, zij nooit had getekend. Die stelling gaat onder meer uit van de niet aanvaarde aanname dat [gedaagde partijen] met het tekenen van de onderhandse akte zich niet hebben willen binden aan de koopovereenkomst. Alleen al om die reden wordt het beroep op dwaling verworpen. Rente 4.21. In reactie op de stelling van Martrick dat [gedaagde partijen] een uitstel van betaling van een jaar heeft verleend, hebben [gedaagde partijen] gesteld dat de rente dus niet eerder dan vanaf 1 januari 2025 kan zijn gaan lopen. Dit terwijl zij in de conclusie van antwoord nog expliciet ontkende dat een afspraak over betalingsuitstel is gemaakt (randnummers 26 en 27). Hoe dan ook, Martrick heeft al in de dagvaarding gesteld dat het betalingsuitstel onverlet liet dat er rente vanaf 1 januari 2024 zou moeten worden betaald (oftewel dat het uitstel slechts de hoofdsom betrof). Daar zijn [gedaagde partijen] niet meer concreet op ingegaan terwijl ook niet vanzelf spreekt dat met betalingsuitstel afstand wordt gedaan van vertragingsrente. Gelet op de overeengekomen betalingstermijn die liep tot 31 december 2023 en gezien het bepaalde in artikel 6:119a lid 1 BW is de wettelijke handelsrente toewijsbaar vanaf 1 januari 2024 (zoals gevorderd). Uitvoerbaarheid bij voorraad 4.22. [gedaagde partijen] hebben zich verzet tegen de door Martrick gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad van een toewijzend vonnis. Zij hebben daartoe in eerste instantie gesteld dat zij de vordering niet kunnen betalen en Martrick dus executoriaal beslag zullen moeten leggen (daarbij het hypotheekrecht kennelijk uit het oog verliezend). Om onomkeerbare en achteraf onrechtmatig gebleken beslagen te voorkomen, zou de uitvoerbaarheid bij voorraad moeten worden afgewezen. Later is namens [gedaagde partijen] gesteld dat [gedaagde partij 3] bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis haar woning kan verliezen (daarbij mogelijk alsnog doelend op het hypotheekrecht). 4.23. Martrick heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een noodsituatie aan de zijde van [gedaagde partijen] Ook voert zij aan dat zij al lang bezig is, naar de rechtbank begrijpt, met de inning van haar vordering. Martrick vraagt zich af of er nog verhaalbaarheid is als een hoger beroepsprocedure zou moeten worden afgewacht. 4.24. Bij de beslissing op het hier voorliggende punt komt het aan op een weging van de wederzijdse belangen. Aangenomen moet worden dat Martrick een relevant belang heeft bij het kunnen innen van haar vordering zonder hoger beroep te hoeven afwachten. Mogelijke ingrijpende gevolgen van toewijzing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, die later moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, staan op zichzelf aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet in de weg, maar moeten bij de beslissing of daartoe zal worden overgegaan, worden meegewogen. Dus: een rechtens relevant belang van Martrick is aanwezig en de mogelijkheid dat executie van het vonnis zou kunnen leiden tot verkoop van de door [gedaagde partij 3] bewoonde woning staat op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Verder gegeven het feit dat Martrick al lang wacht op haar geld en toezeggingen van [gedaagde partij 3] op dat punt nog niet hebben geleid tot enige betaling, is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Martrick op dit punt zwaarder wegen dan die van [gedaagde partijen] Dit betekent dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Proceskosten 4.25. [gedaagde partijen] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Martrick worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 123,16 - griffierecht € 6.861,00 - salaris advocaat € 9.262,00 (2 punten × € 4.631,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 16.435,16 4.26. Martrick lijkt een hoger bedrag aan nakosten te vorderen. In zoverre wordt de vordering afgewezen. De gevorderde wettelijke rente over (alleen) de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De rechtbank 5.1. veroordeelt [gedaagde partijen] hoofdelijk om aan Martrick te betalen een bedrag van € 1.000.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag met ingang van 1 januari 2024, tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [gedaagde partijen] hoofdelijk in de proceskosten van € 16.435,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [gedaagde partijen] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. Productie 1 van [gedaagde partijen] Productie 1 van Martrick Dit betreft een door [gedaagde partij 3] bewoonde woning [gedaagde partijen] Martrick [gedaagde partij 2] Mailwisseling is door Martrick overgelegd als productie 4 en 22 tot en met 24 en voor een deel door [gedaagde partijen] als productie 2 Waarmee gedoeld wordt op [bestuurder eisende partij] , de bestuurder van Martrick Idem Zie artikel 2 van de onderhandse akte Waarmee kennelijk wordt bedoeld: de onroerende zaak van [gedaagde partij 2] waarop het hypotheekrecht van Martrick is gevestigd Zie 2.7. Zie 2.4. Zie 2.7. tot en met 2.10. Zie 4.6. Zie 2.5. Zie 2.6. Zie 2.4. HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602 HR 28 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC097

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.