ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Reg.nrs.: 98/1542 98/1081 98/1700 en 98/1506 BESLU Z DAL Inzake A. eisers sub l. B. eisers sub 2 C, eiser sub 3 D, eiseres sub 1 E, eiseres sub 2, allen te F tegen de Raad van de Gemeente Meerssen, gevestigd te Meerssen, verweerder. Datum van de bestreden besluiten: 23 juli 1998 en 22 oktober 1998 kenmerk: 980001771 en 29688 Datum van zitting: 20 januari 1999 1. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN. I.I Het besluit van 22 oktober 1998: Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 22 oktober 1998 (hierna besluit I) heeft verweerder de bezwaren van -onder meer eiseressen en eisers sub 1 en 3 tegen het besluit van 28 mei 1998 tot verlening van vrijstelling voor de aanleg van wegen, fietspaden, rotondes en groenvoorzieningen voor de verbinding spoorwegovergang Veeweg/Herkenberg Volderstraat/Houthemerweg en de verbinding Lange Raarberg Humcoverstraat, ongegrond verklaard en het besluit onverkort gehandhaafd. Tegen dit besluit is namens eiseressen en eisers sub 1 en 3 bij schrijven van 5 november 1998 en 6 november 1998,respectievelijk nogmaals van 5 november 1998 een beroepschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij de arrondissementsrechtbank te Maastricht. Tevens hebben eiseressen en eisers sub 1 en 3 zich gewend tot de president van de rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 v.4in de Awb. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigden van eiseressen en eisers sub 1 en 3 gezonden. De verzoeken ex artikel 8:81 van de Awb zijn behandeld ter zitting van 1 december 1998. Nadat aldaar door verweerder .toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden, zoals vastgelegd in het terzake opgemaakte proces-verbaal, hebben eiseressen en eisers sub 1 en 3 de verzoeken ex artikel 8:81 van de Awb ingetrokken. Bij beschikking van 7 december 1998 is ambtshalve bepaald dat de zaken op voet van het bepaalde in artikel 8:52 van de Awb versneld zullen worden behandeld. Ambtshalve is het dossier van het Kort geding met zaaknummer44909 / KG ZA 98-548, alsmede het voorzieningendossier met registratienummer 98/50 ad in formandum aan de onderhavige dossiers toegevoegd. I.2 Het besluit van 23 Juli 1998: Bij het eveneens in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 23 juli 1998 (hierna: besluit II) heeft verweerderde bezwaren van eisers sub 2 tegen het besluit d.d. 23 april 1998, waarbij vrijstelling is verleend voor het treffen van infrastructurele voorzieningen aan de Montfortlaan, aansluiting Ch. Eyckstraat/Past. A. Somyasingel, kruising Past. N. Creftenstraat Past. N. de Reimsstraat/Past. G. Castrostraat, ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is door eisers sub 2 bij schrijven van 14 augustus 1998 een beroepschrift op grond van de Algemene wetbestuursrecht (Awb) ingediend bij de arrondissementsrechtbank te Maastricht. Tevens hebben eisers sub 2 zich gewend tot depresident van de rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb. Dat verzoek is, na behandeling ter zitting op 28 augustus 1998 door de president bij uitspraak van 8 september 1998 afgewezen. de door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan eisers sub 2 gezonden. Voor het verweer heeft verweerder bij brief van 25 september199.8 verwezen naar het verweerschrift in de bezwarenprocedure, alsmede naar het gevoerde verweer tijdens de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening d.d. 28 augustus 1998. Nadat de behandeling ter zitting was bepaald op 19 november1998 heeft zich bij brief van 4 november 1998 voor eisers sub2 een gemachtigde gesteld, die bij voormelde brief heeft verzocht om uitstel van behandeling en voeging van de zaak met de behandeling van de beroepen tegen besluit 1. I.3 De voeging: In de onderlinge samenhang van de zaken heeft de rechtbank aanleiding gezien om de zaken gevoegd te behandelen, en wel, zoals ter voorzieningen zitting d.d. 1 december 1998 bepaald, ter zitting van de meervoudige kamer op 20 januari 1999, alwaar namens eiseres sub 1 (hierna: de Vereniging) is verschenen dhr J.J. Nijhuis, alsmede de raadsman van de Vereniging mr H.H.B. Lamers, die voorts is verschenen en het woord heeft gevoerd namens eisers sub 1 en 3. Namens eiseres sub 2 is verschenen haar gemachtigde mr J.M.H.F. Teunissen, terwijl namens eisers sub 2 is verschenen prof mr A.Q.C. Tak. Eisers sub 3 zijn ter zitting vertegenwoordigd door mr A. de Jong. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs C.J.J.S. Majoor, burgemeester, de heren C.H.J. Fiddelers en M.G.M. Cuijpers en zijn gemachtigde mr P.H. Reverman. II.OVERWEGINGEN II.I De feiten: In alle zaken: 1.1 Aangezien de kern van de gemeente Meerssen dagelijks belast wordt door een onevenredig grote hoeveelheidautoverkeer, dat verkeersonveiligheid, verkeerscongestie, stanken geluidhinder veroorzaakt en het woon- en winkelgenot in het centrum aantast, heeft de Raad door vaststelling van het beleidsplan "Verkeersplan kern Meerssen" besloten om het bovenlokale, doorgaande (sluip)verkeer via een buiten de bebouwde kom gelegen omringende wegenstructuur om de kern heen te leiden, en het woonverkeer te verdelen c.q. te verspreiden via nieuw in te richten ontsluitingsroutes, waarbij het centrum wordt ontzien. Om uitvoering te kunnen geven aan het Verkeersplan hebben B&W bij besluit van 25 november 1997 42 verkeersbesluiten genomen. Bij besluit van 28 april hebben B&W deze besluiten in heroverweging onverkort gehandhaafd. Het tegen dit besluit bij deze arrondissementsrechtbank ingestelde beroep is bij uitspraak van 28 september 1998 ongegrond verklaard. 1.2 In het kader van de uitvoering van het Verkeersplan hebben een aantal infrastructurele werken en werkzaamheden plaatsgevonden c.q. dienen nog plaats te vinden. Daar waar deze werken in strijd zijn de ter plaatse geldende bestemmingsplannen, zijn vrijstellingsbesluiten genomen, waarvan thans aan de orde zijn het besluit van 23 april 1998 waarbij vrijstelling is verleend voor het treffen van infrastructurele voorzieningen aan de Montfortlaan, aansluiting Ch Eyckstraat/past. A. Somyasingel, kruising Past. N. de Reimsstraat/Past. G. Castrostraat, alsmede het besluit d.d. 28 mei 1998, dat beoogt de uitvoering van de laatste(vijfde) fase van het Verkeersplan mogelijk te maken. inzake besluit 11: 1.3 Het vrijstellingsbesluit van 23 april 1998 behelst concreet de navolgende infrastructurele werken: a. het –iets- ruimer maken van de bocht Ch. Eyckstraat/Past. A. Somyasingel door het verleggen van de bestaande rijbaan, waarvoor de vigerende bestemming "openbaargroen" ca. 125 m2 gewijzigd dient te worden in verkeersdoeleinden; . b. het stroomlijnen' van de 'bajonetkruising, in de Past. N. Creftenstraat, waarvoor van de vigerende bestemmingtuin voor 2 m2 gewijzigd dient te worden in verkeersdoeleinden; c. het verplaatsen van vier langparkeerplaatsen in de Montfortlaan, waarvoor van de vigerende bestemmingopenbaar groen ca. 120 m2 gewijzigd dient te worden in verkeersdoeleinden. 1.4 De uitvoering van voormelde maatregelen is in strijd met gebruiksvoorschriften van de ter plaatse vigerende bestemmingsplannen "Hoogveld Noord", respectievelijk "Hoogvelden Proosdijveld". Op 30 oktober 1997 heeft verweerder ten aanzien van de onderhavige gebieden een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO genomen, welk besluit in werking is getreden op 6 november 1997. In verband met het voornemen van verweerder om ter zake vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO te verlenen, hebben de plannen met ingang van 6 november 1997 gedurende twee weken ter visie gelegen. Gedurende de termijn van ter inzagelegging zijn geen bedenkingen tegen het verlenen van vrijstelling naar voren gebracht. Op 20 februari 1998 heeft verweerder bij GS een verzoek om verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 WRO ingediend. De gevraagde verklaring van geen bezwaar is door GS afgegeven bij schrijven van 27 maart 1998, verzonden 30 maart 1998. Bij besluit van 23 april 1998 heeft verweerder vervolgens met gebruikmaking van voormelde verklaring van geen bezwaar 'vrijstelling ex artikel 19 WRO tot het treffen van de infrastructurele voorzieningen verleend. 1.5 Door eisers sub 2 zijn hiertegen bezwaren ingediend. In het kader van de bezwaarprocedure zijn eisers sub 1 en 3 in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord ter hoorzitting van 9 juli 1998. Van het aldaar verhandelde is verslag opgemaakt. Bij het thans eveneens voorliggende besluit Il heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. 1.6 Eisers sub 2 hebben zich hiermede niet kunnen verenigen en hebben beroep ingesteld, welk beroep zich concreet richt tegen de maatregelen zoals hierboven onder 1.3 genoemd onder "al' en']b". Inzake besluit 1: 1.7 De concrete infrastructurele werken, die in het kader van de vijfde fase voorzien zijn en waarvoor bij besluit van 28 mei 1998 vrijstelling is verleend hebben betrekking op: a. de aanleg en gedeeltelijke reconstructie van een weg met vrijliggende fietspaden met rotonde voor de verbinding .spoorwegovergang Veeweg-Herkenberg-Volderstraat/Houthemmerweg; b. de aanleg van een weg met vrij liggende fietspaden en de reconstructie van een weg tot rotonde voor de verbinding tussen de Lange Raarberg en de Humcoverstraat. 1.8 Aangezien ook deze werkzaamheden op onderdelen in strijd zijn met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen heeftverweerder bij besluit van 28 mei 1998 besloten vrijstelling te verlenen ex artikel 19 van de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) van de navolgende bestemmingsplannen: - het Uitbreidingsplan aanwijzende de bestemmingen in hoofdzaak, vastgesteld 12 juli 1957 en goedgekeurd 5 mei 1958; - het bestemmingsplan "Buitengebied 1995", vastgesteld 30 januari 1997 en goedgekeurd 9 september 1997; - het bestemmingsplan Raarberg, vastgesteld 26 november 1981en goedgekeurd 22 maart 1983. 1.9 Daartoe heeft verweerder op 25 september 1997,respectievelijk 30 oktober 1997 ten aanzien van de desbetreffende gebieden voorbereidingsbesluiten als bedoeld in artikel 21 van de WRO genomen, tevens inhoudende dat de besluitvorming omtrent vrijstelling op voet van artikel 1-9 lid3 WRO aan verweerder wordt voorbehouden; deze besluiten zijn in werking getreden op 2 oktober 1997, respectievelijk 6 november 1997, waarna in verband met het voornemen van verweerder om vorenvermelde vrijstelling te verlenen, de plannen met ingang van 19 februari 1998 t/m 6 maart 1998 ter visie hebben gelegen. Gedurende de termijn van ter inzageligging hebben eisers sub 1en 3 en eiseressen schriftelijk bedenkingen tegen het verlenen van vrijstelling naar voren gebracht. – Op 3 april 1998 heeft verweerder bij Gedeputeerde Staten (GS)verzoeken om verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 WRO ingediend; daarbij zijn genoemde bedenkingen. van eisers sub 1 en 3 en eiseressen ter kennis gebracht van GS, die de gevraagde verklaringen van geen bezwaar bij schrijvens van 25 mei 1998 hebben afgegeven. 1.10 Met gebruikmaking van deze verklaringen van geen bezwaarheeft verweerder, het bovenvermelde vrijstellingsbesluit d.d.28 mei 1998 genomen. 1.11 Hiermede hebben eisers sub 1 en 3/eiseressen zich niet kunnen verenigen en door c.q. namens hen is bezwaar aangetekend. In het kader van de bezwaarprocedure zijn de bezwaarmakers in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord van welke gelegenheid zij ter hoorzitting van 10 september 1998 gebruik hebben gemaakt. Van het aldaar verhandelde is verslag opgemaakt. Vervolgens heeft de daartoe bevoegde commissie op 24 september 1998 van advies gediend. Overeenkomstig dit advies heeft verweerder, nadat op 24 september 1998, in werking getreden 1 oktober 1998, andermaal een voorbereidingsbesluit voor de. betreffende gebieden is genomen, het thans bestreden besluit I genomen, waarbij de bezwaren ongegrond zijn verklaard en de vrijstellingen onverkort zijn gehandhaafd. 1.12 Eisers sub 1 en 3/eiseressen hebben zich met besluit I niet kunnen verenigen en hebben beroep ingesteld alsmede ter voorkoming van dreigend onevenredig nadeel verzoeken ex artikel 8:81 Awb ingediend. Deze verzoeken zijn op 1 december 1998 ter zitting behandeld in dier voege dat niet is overgegaan tot een materiële behandeling van de gronden, daar -na enig debat – door verweerder zodanige toezeggingen zijn gedaan voor wat betreft de datum van het ter hand nemen van de uitvoering van de werkzaamheden dat hierin door verzoek(st)ers aanleiding is gezien om tot intrekking van de verzoeken over te gaan. 1.13 Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter voormelde zitting, heeft verweerder zich voor wat betreft de doorsteek Houthemmerweg-Herkenberg op het standpunt gesteld dat slechts voor de uitvoering van de werkzaamheden van de rotonde bij de kruising Houthemmerweg-Volderstraat-Herkenbergeen vrijstelling nodig is en dat mitsdien uitsluitend de als groen op de ter zitting overgelegde kaart (door de griffier gewaarmerkt "Al') aangegeven infrastructurele werken onderdeel uitmaken van het vrijstellingsbesluit en daarmee van de onderhavige procedure. Voorts is in voormeld proces-verbaal opgenomen dat indien zou komen vast te staan dat, nadat de raadslieden in de gelegenheid waren gesteld om de bestemmingsplannen in te zien, de werkzaamheden aan de Herkenberg, anders dan door verweerder gesteld, zouden blijken plaats te vinden op gronden met de bestemming "agrarische doeleinden" dan wel "agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarde no, verweerder ook die werkzaamheden onmiddellijk zou opschorten. Voor het geval dat verschil van mening zou blijken te bestaan c.q. blijven bestaan, na bestudering van de plankaarten, heeft mr Lamers zich het recht voorbehouden om onmiddellijk de president in kort geding te adiëren, dan wel anderszins rechtsmiddelen aan te wenden. 1.14 Dit heeft geresulteerd in een kort geding met zaaknummer44909 / KG ZA 98-548, dat op 18 december 1998, 21 december 1998 en 4 januari 1999 heeft gediend en waarvan uitspraak is bepaald op 22 januari 1999. Het dossier van dit geding is, zoals onder rubriek I vermeld ambtshalve ad informandum toegevoegd. Bij dit civielrechtelijk geding is, bij controle van de bouwdossiers en overleg met het Landmeetkundig Ingenieursbureau Geomij B.V. tussen partijen komen vast te staan, dat een gedeelte van de werkzaamheden is geprojecteerd op gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden I". II.2 De omvang van het geding voor wat betreft besluit I: 2.1 De rechtbank ziet in de hiervoor onder 1.13 en 1.14.vermelde feiten en omstandigheden aanleiding om allereerst stil te staan bij de vraag wat geacht moet/kan worden de reikwijdte te zijn van het thans voorliggende besluit I. Dienaangaande wordt als volgt overwogen. 2.2 Bij het op 3 april 1998 door verweerder ten behoeve van de realisering van de aan de orde zijnde infrastructurele voorziening aan de spoorwegovergang Veeweg/HerkenbergVolderstraat/Houthemmerweg met rotonde Houthemmerweg bij GS ingediende verzoek om een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 van de WRO, heeft verweerder bij vraag 5 onder a en e van het aanvraagformulier aangegeven dat vrijstelling wordt verzocht van de gebruiksvoorschriften van het B.P. Buitengebied 195 en wel van de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde, tevens randzone", alsmede van de bestemming "Bebouwde kommen met hoofdwegen en aanwezige bebouwing" van het Uitbreidingsplan in Hoofdzaken, goedgekeurd d.d. 5-5-1958. Over de bestemming "Agrarische doeleinden I", in laatstgenoemd als bestemmingsplan aan te merken plan, wordtin deze aanvraag van verklaring van geen bezwaar niet gerept. 2.3 Vast staat voorts dat verweerder zowel ter zitting van 18 december 1998 in de kortgeding procedure bij verweerschrift bestreden heeft dat de werkzaamheden slechts op basis van een vrijstelling verricht zouden mogen worden, alsook blijkens het procesverbaal ter voorzieningenzitting van de bestuursrechter d.d. 1 december 1998 zich op het standpunt heeft gesteld dat de werkzaamheden aan de doorsteek bij de Herkenberg, behoudens de werkzaamheden aan de rotonde, geen onderdeel uitmaken van het vrijstellingsbesluit, doch uitsluitend de als groen op de op voormelde zitting overgelegde kaart aangegeven infrastructurele werken onderdeel uitmaken van het vrijstellingsbesluit. Op de door de griffier met "Altgewaarmerkte kaart zijn uitsluitend de ten behoeve van de rotonde te verrichten werkzaamheden groen gemerkt. Voorts blijkt uit deze kaart, gelet op de daarop aangegeven bestemmingsplangrenzen en bestemmingen dat de werken –uitdrukkelijk niet (beoogd) geprojecteerd waren op gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden I". Werkzaamheden die op deze kaart niet als zodanig gemerkt zijn, werden ten tijde van de aanvraag van de verklaring van geen bezwaar, alsook ten tijde van het nemen van zowel het primaire vrijstellingsbesluit als ten tijde van de heroverweging, gelet op het voorgaande, niet beoogd te worden begrepen in de verleende vrijstelling. De tekst van het primaire besluit kan daar niet aan af doen. 2.4 De rechtbank is van oordeel dat het vorenstaande meebrengt dat uitsluitend de werkzaamheden betrekking hebbend op de aanleg van de rotonde onderdeel uitmaken van het vrijstellingsbesluit en daarmee mitsdien van de onderhavige procedure. Voorzover de geschilpunten betrekking hebben op de overige werkzaamheden ter realisering van de doorsteek, heeft verweerder ten onrechte gemeend eisers sub 1/eiseressen in hun bezwaren te kunnen ontvangen, zodat het besluit in zoverre in rechte geen stand kan houden. Waar door eisers sub 1/eiseressen thans terzake dit onderdeel van de werkzaamheden grieven zijn aangevoerd, moet geoordeeld worden dat deze grieven het bestek van de huidige procedure te buiten gaan, nu immers dienaangaande geen besluit voorligt. In het gegeven dat verweerder geen andere mogelijkheid openstaat dan eisers sub 1/eiseressen te dien aanzien niet-ontvankelijk te verklaren, ziet de rechtbank aanleiding om het besluit op dit punt te vernietigen en op voet van artikel 8:72lid 4 van de Awb eisers sub 1 en eiseressen alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun bezwaren voorzover zij gericht zijn tegen de werkzaamheden uit te voeren buiten het gebied dat met groen op de met "Al' gewaarmerkte kaart is aangegeven. II.3 Ten aanzien van de ontvankelijkheid: 3.1 Vastgesteld moet worden dat de heer A, deeluitmakend van eisers sub 1 geen bezwaar heeft aangetekend tegen het primaire besluit d.d. 28 mei 1998, zodat hij niet in zijn beroep kan worden ontvangen. Overigens is niet gebleken van gronden die ertoe zouden moeten leiden dat (een van) de overige eisers of eiseressen niet in hun beroep zouden kunnen worden ontvangen. II.4 Ten aanzien van de formele vereisten ex artikel 19 WRO: 4.1 In dit geding ligt vervolgens met betrekking tot de overige werken, niet zijnde de werken geprojecteerd op de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden I", terzake waarvan verweerders besluitvorming zich in casu w61 uitstrekten zoals neergelegd in de thans voorliggende besluiten 1 en II, vooreerst de vraag voor of verweerder bevoegd was over te gaan tot het verlenen van de vrijstelling met toepassing van het bepaalde in artikel 19 WRO. 4.2 Vast staat dat de werken op onderdelen in strijd zijn met de, ingevolge de vigerende bestemmingsplannen, op de betreffende percelen rustende bestemmingen. 4.3 Ingevolge artikel 19.eerste en derde lid, van de WRO kan de gemeenteraad voor het gebied, waarvoor een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, zolang deze herziening van het bestemmingsplan nog niet is vastgesteld, vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits vooraf van GS de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben. 4.4 Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de hiervoor onder 1 gereleveerde feiten aan de in artikel 19, voornoemd, voor toepassing van de zo geheten anticipatieprocedure gestelde formele voorwaarden voldaan. Verweerder was derhalve in beginsel bevoegd om met toepassing van deze procedure de in geding zijnde vrijstelling te verlenen. 4.5 Voorzover terzake besluit II door partijen in het kader van de formele bevoegdheid de stelling is opgeworpen dat het gemeentebestuur niet daadwerkelijk voornemens zou zijn om binnen afzienbare tijd een nieuw planologisch regime tot stand te brengen door middel van de ontwikkeling van nieuwe bestemmingsplannen, c.q. het wijzigen van de vigerende bestemmingsplannen, is de rechtbank van oordeel dat deze(veronderstelling door de verklaringen van verweerder ter zitting voldoende zijn weerlegd. Het reële karakter van dit voornemen wordt voorts nog onderstreept door verweerders verklaring ter zitting dat hiervoor reeds gelden zijn gebudgetteerd. 4.6 Door de gemachtigde van eiseres sub 2 is aangevoerd, dat verweerder geen gebruik had mogen maken van de verklaringen van geen bezwaar, aangezien zij niet in mandaat afgegeven hadden mogen worden en mitsdien onbevoegd genomen zouden zijn. Daarbij heeft hij een beroep heeft gedaan op de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 1997 (AB 1997, 458). In deze uitspraak wordt het in mandaat door een ambtenaar goedkeuren van een bestemmingsplan ontoelaatbaar geacht, nu die goedkeuringsprocedure zodanige overeenkomsten vertoont met de procedure in administratief beroep dat het in artikel 10:3 Awb neergelegde beginsel van positief recht dat een dergelijke mandatering verbiedt, ook ten aanzien van de goedkeuringsprocedure van overeenkomstige toepassing is. De vraag is derhalve 'thans of ook de procedure die leidt tot het afgeven van een verklaring van geen bezwaar met betrekking tot mandaatverlening op één lijn te stellen is met een procedure in administratief beroep. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe, dat goedkeuring van een bestemmingsplan van andere orde is dan een beslissing tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar in het kader vaneen anticipatieprocedure, terwijl ook de procedure niet overeenkomstig is. Waar de goedkeuring van een volledig bestemmingsplan, waarbij per onderdeel en per voorschrift tot een beoordeling wordt gekomen door GS inderdaad overeenkomsten vertoont met de procedure in administratief beroep, behelst het afgeven vaneen verklaring van geen bezwaar in een anticipatieprocedure immers niet meer dan een toets vooraf of één bepaald voornemen in strijd is met het provinciaal of landelijk ruimtelijk beleid en een advies aan de Raad met betrekking tot de ter kennis gebrachte bedenkingen. Het is aan de Raad om gelet ophaar standpunt met betrekking tot de bedenkingen, in primo te besluiten al dan niet gebruik te maken van de verklaring van geen bezwaar en zo nodig dat besluit in heroverweging te beoordelen. Het door eiseres sub 2 ter zitting gedane beroep op voormelde uitspraak van de Afdeling kan derhalve niet tot het door haar beoogde resultaat leiden. 4.7 De rechtbank overweegt met betrekking tot de bevoegdheid om in mandaat de verklaring van geen bezwaar af te geven voorts nog dat haar ambtshalve bekend is dat de ondertekening door drs A.A.M. Keijzers berust op het provinciaal mandaatstatuut, besluit van 17 mei 1994, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 15 juli 1997, Prov. Blad 1997, nr 27, alsmede de Regeling bevoegdheden hoofdgroep Ruimte, Groen en Verkeer(RGV) vastgesteld d.d. 18 augustus 1997 door de directeur van voormelde hoofdgroep, zodat ook in dit opzicht aan de verklaring geen gebrek kleeft. 4.8 Aangaande de grief dat de motivering van de verklaring van geen bezwaar geen blijk geeft van een eigen oordeel van GS met betrekking tot de planologische aanvaardbaarheid van het project, overweegt de rechtbank dat blijkens het advies van de PPC met betrekking tot het Structuurplan en de afgegeven verklaring van geen bezwaar in het kader van artikel 77 ow, GS op de hoogte waren van de concrete voorgenomen werken en van het ruimtelijk kader waarbinnen zouden uitvoering zouden krijgen en daaraan een positieve beoordeling hebben gegeven. Nu GS in de verklaringen van geen bezwaar hebben aangegeven dat ze tevens kennis genomen hadden van de tegen de plannen ingediende bedenkingen en van het standpunt daaromtrent van verweerder, staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast dat GS aan hun verplichting tot het aan de verklaringen ten grondslag leggen van een eigen oordeel hebben voldaan. Niet gesteld kan derhalve worden dat GS in dit opzicht hun wettelijke taak hebben miskend. II.S Ten aanzien van de geoorloofdheid van de anticipatieprocedures: 5.1 Opgeworpen is dat in casu het volgen van de anticipatieprocedures niet geoorloofd zou zijn, doch slechts het volgen van een bestemmingsplanprocedure een voldoende wegingskader en rechtsbescherming zou bieden, daar alleen middels deze procedure -anders dan bij de thans doorverweerder, aldus eisers/eiseressen, gevolgde salamitactiek een integrale afweging mogelijk gemaakt wordt. Ter adstructie van dit standpunt is verwezen naar het procesverbaal van het verhandelde ter zitting d.d. 14 november 1997bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, alsmede naar de overwegingen in de daarop gevolgde Voorzittersuitspraak d.d. 21 november 1997 (pag. 5)inzake het bij besluit van 25 februari 1997 vastgestelde structuurplan "Kern Mleerssen". Naar het oordeel van eisers/eiseressen behelst de aldaar zijdens verweerder gedane uitlating een toezegging van de kant van verweerder en voormelde uitspraak een oordeel dienaangaande van de Voorzitter. 5.2.1 De rechtbank kan eisers/eiseressen in dit standpunt niet volgen, waartoe als volgt wordt overwogen. 5.2.2 In de procedure bij de voorzitter van de Afdeling was in geding het besluit van verweerder voorzover daarbij ongegrond waren verklaard de bezwaren van eisers gericht tegen die onderdelen van het structuurplan "Kern Meerssen" die doorverweerder waren aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het betrof de planonderdelen die betrekking hadden op: de nieuwe verbindingsstructuur Lange Raarberg-Humcoverstraat; de nieuwe verbindingsstructuur Herkenberg-Parallelweg; de nieuwe parkeervoorziening aan de Gasthuisstraat. 5.2.3 Gelet op het bepaalde in artikel 9 van de WRO, diende de Voorzitter aan de hand van de in de jurisprudentie terzake geformuleerde criteria te toetsen of de onderdelen waar de bezwaren van eisers sub 1 en 3 zich tegen richtten, aan te merken waren als besluiten. Daartoe is -kort gezegd- een voldoende mate van concreetheid vereist. De Voorzitter was van oordeel dat "mede gezien de breedte van de trac‚ Is en de gehanteerde schaal en de uit het planblijkende aard van de wegen, met deze aanduidingen de locatie van deze wegen niet voldoende concreet is bepaald om van een besluit in voormelde zin te kunnen spreken." Aan dit oordeel droeg bij, aldus de uitspraak, dat van de zijde van verweerder ter zitting te kennen was gegeven dat eerst met een bestemmingsplan de locatie van de wegen exact zou worden bepaald. 5.2.4 De rechtbank is van oordeel dat uit de context van het geheel, waarvan met name het feit dat in de hiervoor vermelde procedure van doorslaggevende betekenis voor de beantwoording van de rechtsvraag was de mate van concrete bepaaldheid van de geplande doorsteken, bezien in samenhang met het systeem van de WRO, geconcludeerd moet worden dat waar ter bedoelde zitting gesproken wordt van 'bestemmingsplanprocedure, hieronder -medeverstaan dient te worden een 'ruimtelijke procedure'. Immers ook bij een artikel 19anticipatieprocedurekan worden "bezien door welke achtertuinen de wegen gaan lopen", zoals de Voorzitter het blijkens pagina 2 van het proces-verbaal heeft verwoord. Daarenboven betrekt de rechtbank bij dit oordeel dat niet gezegd kan worden dat eisers/eiseressen thans minder rechtsbescherming genieten, dan wel, zoals hierna overwogen, door de thans gevolgde handelwijze in hun belangen zijn geschaad. 5-3.1 Met betrekking tot de geoorloofdheid van de artikel 19-procedure wordt voorts als volgt overwogen. Gelet op de waarborgen waarmee de wetgever de totstandkoming van een bestemmingsplan heeft omkleed, alsmede gelet op het karakter van de anticipatieprocedure is het gebruik van dit instrument slechts passend te achten, indien daarvoor voldoende dringende redenen aanwezig zijn en daaraan geen overwegende bezwaren zijn verbonden.' .5.3.2 De mate van de te verlangen spoedeisendheid van het project is afhankelijk van de omvang van de inbreuk op het ter plaatse geldende planologische regime en van de planologische uitstraling die het project op de omgeving heeft. Daarbij merkt de rechtbank op dat naar gelang de ingreep zwaarder is, het belang van de bijzondere waarborgen waarmee de wetgever de gewone planprocedure heeft omgeven zich sterker doet gelden. Met dat kader zijn immers de voorwaarden geschapen voor een zogoed en evenwichtig mogelijke beoordeling van de door het gemeentebestuur beoogde planologische ontwikkeling en van de daarbij betrokken belangen. Indien de planprocedure reeds ineen vergevorderd stadium verkeert, zal nog slechts in zeeruitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn van een prodeet dat dermate spoedeisend is dat de uitkomst van die procedure redelijkerwijs niet kan worden afgewacht. 5.3.3 Ook aan het planologisch kader waarop vooruit wordt gelopen in de anticipatieprocedure dienen zwaardere eisen te worden gesteld naarmate de ingreep op de bestaande situatie ernstiger is. Bij die eisen gaat het zowel om de inhoud en de reikwijdte van de desbetreffende stukken als om het karakter en het gewicht van de besluitvorming die daaromtrent heeft plaatsgevonden. Zo kan, indien het een ingrijpend project betreft zonder dat sprake is van een reeds voldoende voldragen ontwerpbestemmingsplan, een door de gemeenteraad vastgestelde structuurschets waarmee de Provinciale Planologische Commissie(PPC) heeft ingestemd, uitkomst bieden, mits die schets voldoende draagvlak biedt voor een adequate planologische toets van het ter beoordeling staande project. 5.3.4 Gelet op de aangevoerde beroepsgrond betrekking hebben dop de zogenaamde Isalamitactiek" zij hierbij nog vermeld dat voldoende gewaarborgd dient te zijn dat ten aanzien van de belangen waarover wordt geklaagd, voldoende rechtsbescherming wordt geboden. 5.4.1 Aan de hand van voormelde uitgangspunten beoordeelt de rechtbank de bij besluiten in geding zijnde werken als volgt. 5.4.2 De omvang van de inbreuken op het planologisch regime is/zijn blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, waarin c.q. waarbij concreet is aangegeven waaruit de afwijking(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.