RECHTBANK TE MAASTRICHT Zaaknummer: 79905 / KG ZA 02-465 Datum uitspraak: 30 december 2002 VONNIS IN HET KORT GEDING VAN: De rechtspersoon volgens artikel 2 van de Wet centraal orgaan opvang asielzoekers CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA), gevestigd te Rijswijk, eiseres bij exploot van dagvaarding in kort geding van 23 november 2002, procureur: mr. Ch.M.E.M. Paulussen, advocaat: mr. D. Nobel, kantoorhoudende te 's-Gravenhage, tegen: 1. [I.T.], wonende, althans verblijvende in de AVO-locatie "De Wolfskoele" te Vaals, 2. [R.M.], wonende, althans verblijvende in de AVO-locatie "De Wolfskoele" te Vaals, gedaagden, geen procureur gesteld hebbende. 1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE Eiseres, hierna te noemen: het COA, heeft gedaagden, die verder als "[Gedaagden]" zullen worden aangeduid, doen dagvaarden in kort geding. Op de dienende dag, 16 december 2002, heeft het COA gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij, onder verwijzing naar op voorhand overgelegde producties, haar vorderingen nader heeft doen toelichten. [Gedaagden] hebben daarop gereageerd. De uitspraak van dit vonnis is vervolgens bepaald op heden. 2. HET GESCHIL 2.1 [Gedaagden], die - naar eigen zeggen - afkomstig zijn uit Bosnië zijn in oktober 1998 Nederland binnengekomen. Momenteel verblijven zij in de AVO-locatie "De Wolfskoele" te Vaals (hierna te noemen: de AVO-locatie). 2.2 Op 30 oktober 1998 hebben [Gedaagden] ieder afzonderlijk een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Op beide aanvragen is op 10 juni 1999 afwijzend beslist. [Gedaagden] hebben ieder op 15 juli 1999 een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking d.d. 10 juni 1999. Beide bezwaarschriften zijn bij besluit van 7 oktober 1999 ongegrond verklaard. [Gedaagden] hebben vervolgens tegen de afwijzende beschikkingen op hun bezwaarschriften beroep ingesteld. Bij uitspraak van 5 februari 2002 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage, dat beroep ongegrond verklaard. 2.3 Op 7 oktober 1999 is [Gedaagden] een last tot uitzetting verstrekt in afwachting op de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage op het beroep. 2.4 Op [Gedaagden] is van toepassing de Regeling verstrekking asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (hierna te noemen: Rva 1997), welke regeling voorziet in de opvang van asielzoekers die niet beschikken over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Op grond van de Rva 1997 biedt het COA aan [Gedaagden] opvang in de AVO-locatie. Deze opvang omvat de in artikel 5 lid 1 Rva 1997 genoemde verstrekkingen, waarvan de meest belangrijke onderdak, voeding, kleed- en zakgeld zijn. 2.5 Op grond van artikel 8 lid 1 sub b van de Rva 1997 eindigt de opvang van een asielzoeker in ieder geval: "indien het een asielzoeker betreft voor wie een last tot uitzetting is gegeven en die ingevolge een daartoe strekkende mededeling van de korpschef van de politieregio, waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft, Nederland moet verlaten: op de dag waarop hij Nederland ingevolge die mededeling dient te verlaten." 2.6 Het COA neemt bij de naleving van het bepaalde in artikel 8 lid 1 sub b van de Rva 1997 ter zake van uitgeprocedeerde asielzoekers de door de Staatssecretaris van Justitie vastgestelde Regeling beëindiging ROA-voorzieningen van 24 oktober 1994 en de opvolgers daarvan in acht. Onderdeel van die regeling is het zogenaamde Stappenplan (oud). Dit plan bevat een instrumentarium, waarin een aantal stappen is opgenomen, waarbij uitdrukkelijk de medewerking van de uitgeprocedeerde asielzoeker wordt verlangd. Het Stappenplan (oud) is er op gericht om vast te stellen wanneer medewerking wordt geweigerd, alsmede om daartegen direct maatregelen te kunnen treffen. Wordt door de Vreemdelingendienst (hierna te noemen: VD) en/of de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna te noemen: IND) vastgesteld dat de asielzoeker geen of onvoldoende medewerking verleent, dan leidt dit ertoe dat de opvang van betrokkene wordt beëindigd op de voet van artikel 8 lid 1 sub b van de Rva 1997. 2.7 De VD heeft conform het oude stappenplan [Gedaagden] verzocht om hun medewerking te verlenen aan de terugkeer naar hun land van herkomst. 2.8 Vervolgens hebben er op 5 september 2002 terugkeergesprekken plaatsgevonden met een medewerker van de IND. Uit dit gesprek blijkt - aldus het COA - dat [Gedaagden] geen stappen hadden ondernomen om een (vervangend) reisdocument te verkrijgen. 2.9 Bij brief van 9 september 2002 heeft de IND het terugkeerdossier naar het COA gestuurd, met het verzoek over te gaan tot beëindiging van de opvang. 2.10 Na marginale toetsing van de van de IND verkregen informatie en na [Gedaagden] op 30 september 2002 te hebben gehoord, welk gesprek in een verslag is neergelegd, heeft het COA bij besluit van 10 oktober 2002 de opvangvoorzieningen van [Gedaagden] beëindigd en heeft het COA bericht dat zij de AVO-locatie binnen drie dagen na ontvangst van dat schrijven dienen te verlaten. [Gedaagden] hebben echter geen gehoor gegeven aan dat besluit. 2.11 Bij brief van 18 november 2002 heeft de raadsvrouwe van het COA [Gedaagden] gesommeerd om de AVO-locatie binnen drie dagen na dagtekening van dat schrijven te verlaten, doch hieraan hebben [Gedaagden] geen gehoor gegeven. 2.12 Het COA stelt zich op het standpunt dat [Gedaagden] onrechtmatig jegens haar handelen. Zij voert daartoe aan dat [Gedaagden] vanaf 17 oktober 2002 zonder recht of titel in de AVO-locatie verblijven, omdat zij vanaf die datum geen aanspraak meer kunnen maken op opvang. Het COA stelt er belang bij te hebben dat de bij [Gedaagden] in gebruik zijnde ruimte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.