RECHTBANK MAASTRICHT Reg.nr: AWB 02/1286 HOREC Z UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen [eiser] hodn coffeeshop "[coffeshop]" te [woonplaats], eiser, en de Burgemeester van de Gemeente Heerlen, verweerder. Datum bestreden besluit: 11 juli 2002. Kenmerk: 01.21/020241AKH/AZ/2002/9262. Behandeling ter zitting: 18 maart 2003. I. PROCESVERLOOP Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 11 juli 2002 (verzonden op 12 juli 2002) heeft verweerder het namens eiser op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaar gericht tegen het besluit van verweerder van 15 april 2002 ongegrond verklaard. In laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aan eiser verleende vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor het verstrekken van eetwaren en/of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse in de horeca-inrichting gelegen aan de [adres] te [plaats], met ingang van 15 april 2002 ingetrokken, omdat namens eiser bij brief van 25 maart 2002 medegedeeld is dat de exploitatie van de horeca-inrichting op het adres [adres] te [plaats] niet zal plaatsvinden en dat eiser de horeca-exploitatievergunning wenst in te trekken. Tegen het besluit van 15 april 2002 heeft eiser bij schrijven van 30 april 2002 bezwaar gemaakt bij verweerder. Tegen het besluit van 11 juli 2002 is namens eiser bij schrijven van 23 augustus 2002 beroep ingesteld bij de rechtbank. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden. De inhoud van deze stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 18 maart 2003, alwaar eiser bij zijn gemachtigde, mr. drs. G.A.C. Beckers, advocaat te Stein, is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.L.P. Heijboer en M. van de Winkel, ambtenaren der gemeente. II. OVERWEGINGEN II.1 Aan eiser is bij besluit van 10 november 2001 een vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1.3 van de APV verleend. Op basis van deze vergunning was het eiser toegestaan met inachtneming van de zogenaamde AHOJ-G-criteria middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet (softdrugs) in de door hem geëxploiteerde inrichting te verkopen. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verweerder gehouden was de vergunning op grond van artikel 3.2.2.5, onder h, van de APV in te trekken, omdat dit artikel een imperatieve intrekkingsgrond bevat en eiser in zijn verzoek tot intrekking van zijn horeca-exploitatievergunning geen enkel voorbehoud heeft gemaakt. In het thans voorliggende beroepschrift is namens eiser – zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd: - De bezwaartermijn dient gezien te worden als een soort bedenktermijn, waarin terug kan worden gekomen op de verklaring van eiser om afstand te doen van zijn horeca-exploitatievergunning als bedoeld in artikel 3.2.2.5, sub h, van de APV. De bezwaarprocedure zou illusoir zijn indien dit niet het geval zou zijn. - Bij zijn verklaring waarin eiser afstand neemt van zijn vergunning stond eiser voor ogen dat aan [beoogd opvolger] een horeca-exploitatievergunning voor de [adres] zou worden verleend, waardoor de coffeeshop van eiser, gevestigd aan de [straat] te [woonplaats], niet verplaatst hoefde te worden. Nu tijdens de bezwaarschriftprocedure gebleken is dat eisers verklaring om afstand te nemen van zijn vergunning gebaseerd was op een onjuiste aanname, is terecht gebruik gemaakt van de bezwaarschriftprocedure. Tijdens de bezwaarschriftprocedure is echter geen sprake geweest van een heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb. - Verweerder heeft geen onvoorwaardelijke toezegging gedaan dat eiser de coffeeshop, gevestigd aan de [straat], mag blijven exploiteren. Hierdoor kan niet gezegd worden dat eiser het door hem nagestreefde doel feitelijk reeds heeft bereikt. II.2 De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of verweerder het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft genomen en overweegt daartoe het volgende. II.3 Het relevante wettelijke kader is als volgt. Ingevolge artikel 3.2.1.3 van de APV van de gemeente Heerlen is het verboden een horeca-inrichting te exploiteren zonder vergunning van het bevoegd orgaan. In artikel 3.2.2.3 van de APV is -onder meer- bepaald dat het bevoegd orgaan de vergunning weigert indien: a. naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de horeca-inrichting het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed (…); b. de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan dan wel met een geldende leefmilieuverordening; c. de horeca-inrichting niet voldoet aan de inrichtingseisen, als bedoeld in artikel 3.2.3.2. van deze afdeling [van de APV], tenzij een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2.3.3. is verleend; d. de ondernemer(…) een horeca-inrichting heeft (…) geëxploiteerd die evenwel op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde binnen drie jaar voor de aanvraag gesloten is geweest; e. er naar zijn oordeel sprake is van een concentratie van horeca-inrichtingen in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt; f. de horeca-inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van bedrijven of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare orde-problemen tot gevolg heeft of kan hebben; g. redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; h. de leidinggevende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.