RECHTBANK MAASTRICHT Sector Bestuursrecht Procedurenummer: AWB 03 / 1344 BELEI + 04 / 1319 BELEI FEE Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken inzake
(1977)niet in de beoordeling betrokken. Derhalve kan niet staande worden gehouden dat het interimbeleid en het A-besluit en het daaruit voortvloeiende bouwbeleid met betrekking tot de 40-45-Ke-schil geen invloed hebben gehad op de gemeentelijke en provinciale besluitvorming inzake verzoeken tot het realiseren van woningbouw op het perceel in kwestie. Verweerder heeft beslist dat een nieuw onderzoek dient te worden verricht naar de relevante feiten en besluitvorming met betrekking tot de aansprakelijkheid in het licht van het schadeverzoek en de omvang van de eventuele schade. Gelet op het te verrichten onderzoek wordt het bezwaar, dat de woning bij verkoop te weinig heeft opgebracht, niet nader besproken. Naar aanleiding van het bezwaar dat het verzoek om schadevergoeding ten onrechte als een verzoek om nadeelcompensatie is aangemerkt, heeft verweerder overwogen dat het bij de behandeling van eventuele schade voortvloeiend uit een rechtmatig besluit in de rede ligt om de nadeelcompensatieregeling toe te passen. Bovendien is de te volgen procedure telefonisch medegedeeld en is eiseres sub 1 bij brief van 28 februari 2001 geïnformeerd over het in behandeling nemen van het verzoek om schadevergoeding met toepassing van de RNVenW 1999. Op geen enkel moment is door eiseres sub 1 aangegeven dat het verzoek om schadevergoeding geen verzoek om nadeelcompensatie was. Ten aanzien van het in bezwaar ingenomen standpunt dat het A-besluit onrechtmatig is, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 8 januari 1998, heeft verweerder overwogen dat gelet op het procedureverloop na de aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak niet geconcludeerd kan worden dat het A-besluit als onrechtmatig aangemerkt dient te worden. Aan eiseres sub 1 is een vergoeding ad € 966,-- toegekend voor de kosten die zij in de bezwaarfase heeft gemaakt. Het besluit van 4 mei 2004 Gelet op het schrijven van 9 maart 2004 van de gemachtigde van eisers, waarin aan verweerder is medegedeeld dat eisers 2 tot en met 5 het door eiseres sub 1 ingediende verzoek aangemerkt wensen te zien als een verzoek ingediend namens alle erfgenamen, ieder voor zijn/haar deel, gaat verweerder – daar waar gesproken wordt over een verzoek om schadevergoeding van eiseres sub 1 – uit van een namens alle erfgenamen ingediend verzoek om schadevergoeding. Verweerder heeft in dit besluit overwogen dat artikel 15, tweede lid, van de RNVenW 1999 naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 25 februari 2004 onherroepelijk is geworden. In aanvulling op de beslissing van 20 mei 2003 verklaart verweerder het bezwaar, dat de woning bij verkoop veel te weinig heeft opgebracht, gegrond. Ten aanzien van het bezwaar dat het verzoek om schadevergoeding ten onrechte is aangemerkt als een verzoek om nadeelcompensatie heeft verweerder, in aanvulling op het besluit van 20 mei 2003 overwogen dat ingevolge de artikelen 2 en 16 van de RNVenW 1999 alleen een beoordeling in het kader van nadeelcompensatie mogelijk is. Ten overvloede overweegt verweerder dat de onrechtmatigheid van het A-besluit niet vaststaat, ook niet na de uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage van 7 januari 2004. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 25 februari 2004 waarin de Afdeling bestuursrechtspraak heeft overwogen dat een beoordeling van het A-besluit niet meer aan de orde kan komen omdat de beroepen tegen de beslissing op bezwaar inzake het A-besluit in de uitspraak van 1 september 2002 niet-ontvankelijk zijn verklaard. Verweerder voegt daar aan toe dat de schade in casu niet is geleden ten gevolge van het A-besluit maar ten gevolge van het aanvankelijke voornemen om de oost-westbaan aan te leggen. Gelet op het advies van de Commissie Kaal en mede gelet op het schrijven van de gemachtigde van eisers van 9 maart 2004 heeft verweerder aanleiding gezien om aan de erven Notten gezamenlijk als nadeelcompensatie een schadevergoeding toe te kennen van € 27.907,50, conform artikel 11 van de RNVenW 1999 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 1999, zijnde de datum van ontvangst van het verzoek om schadevergoeding van eiseres sub 1. Naar aanleiding van de tijdens de hoorzitting van deskundigencommissie ingediende vordering in verband met overschrijding van de redelijke termijn heeft verweerder overwogen dat de schade wegens vertraging in de uitbetaling van de nadeelcompensatie zich oplost in de toekenning van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals voorzien in artikel 11 van de RNVenW 1999. Deze vordering wordt om die reden afgewezen. Onder overneming van het advies van de Commissie Kaal heeft verweerder besloten geen (verdere) vergoeding voor de kosten van deskundige en rechtskundige bijstand toe te kennen, omdat het persoonlijk verzoek om nadeelcompensatie van eiseres sub 1 niet gehonoreerd dient te worden. Het besluit van 20 augustus 2004 Verweerder heeft overwogen dat hetgeen in bezwaar is aangevoerd, ook reeds naar aanleiding van het concept-advies van de Commissie Kaal naar voren is gebracht. Onder verwijzing naar de weerlegging door de Commissie Kaal in het aan het besluit van 4 mei 2004 ten grondslag gelegde advies heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. 2.4 Het beroep Samengevat en zakelijk weergegeven hebben eisers in hun beroepschrift het navolgende naar voren gebracht: In beroep heeft eiseres sub 1 in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 7:11van de Awb heeft gehandeld door niet aanstonds en onvoorwaardelijk te beslissen op het bezwaar van eiseres sub 1. Ten gevolge van deze werkwijze van verweerder heeft eiseres sub 1 nodeloos extra kosten moeten maken (tot een bedrag door eiseres sub 1 begroot op € 2.550,-) welke niet onder de normale kosten van het besluit Proceskosten Bestuursrecht gebracht kunnen worden maar als onrechtmatig toegebrachte kosten en schaden voor vergoeding in aanmerking komen. Voort is in beroep aangevoerd dat verweerder het verzoek om schadevergoeding - gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 8 januari 1998- ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek om nadeelcompensatie. Volgens eisers hebben zij schade geclaimd die het gevolg was van de feitelijke effecten die teweeg werden gebracht door het Interim-beleid en het niet-doorgaan van het A-besluit. In beroep is er op gewezen dat ook de rechtbank ’s Gravenhage in haar uitspraak van 7 januari 2004 inz. Leers zou hebben geoordeeld dat het A-besluit onrechtmatig was. Eisers stellen verder dat verweerder zijn motiveringsplicht als bedoeld artikel 7:12 van de Awb heeft geschonden door de beslissing geheel op het advies van de deskundigencommissie (de Commissie Kaal) te baseren, zonder in te gaan op hetgeen namens eisers ten aanzien van dat advies naar voren is gebracht. Nu de Commissie Kaal niet aangemerkt kan worden als een Adviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Awb rust op verweerder een zelfstandige motiveringsplicht. Weliswaar kan verweerder voor de motivering verwijzen naar het advies, doch dit ontslaat verweerder niet van zijn plicht tot zelfstandig onderzoek en motivering indien redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat het advies niet deugdelijk was. Volgens eisers had het verweerder redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het advies niet deugdelijk was omdat dit advies niet was uitgebracht over de gestelde kwestie van schadevergoeding ter zake van onrechtmatige daad, maar ter zake van compensatie van onevenredig nadeel, geleden als gevolg van een vooropgesteld rechtmatig geachte daad. Volgens eisers is door hen een verzoek ingediend dat bedoeld is om vergoeding te bekomen van schade die is geleden tengevolge van de effecten van het “Interim-beleid” en het niet doorgaan van het “A-besluit” van de minister. Eisers achten dat beleid en besluit onrechtmatig. Verweerder heeft de Commissie Kaal verzocht om een nieuw onderzoek in te stellen, met als uitgangspunt de beslissing op bezwaar (d.d. 20 mei 2003), en een nieuw advies uit te brengen. Deze opdracht past volgens eisers volledig in het verbod van reformatio in peius. Volgens eisers leek de Commissie Kaal zich op te stellen op een wijze als zouden er geen contouren bestaan waarbinnen zij zich uit het oogpunt van het verbod van reformatio in peius dient te houden. Nu in de beslissing op bezwaar niet wordt ingegaan op de door eisers in dit verband geuite grief, kleeft aan de beslissing op bezwaar een motiveringsgebrek. Het gedrag van provincie (de totstandkoming van de oost-westbaan is vooral vanuit de provincie gepropageerd) en gemeente is aan de Minister toe te rekenen. Hieraan gaat de Commissie Kaal in haar definitieve advies – welk advies aan de beslissing op bezwaar ten grondslag is gelegd – voorbij, zodat ook op dit punt naar de mening van eisers sprake is van een motiveringsgebrek. Doordat beslist wordt op een onjuiste grondslag van de vordering wordt volgens eisers ten onrechte de datum van het A-besluit (25 oktober 1994) als peildatum gehanteerd. In beroep hebben eisers voorts opgemerkt dat de Commissie Kaal in haar advies een geheel eigen benadering van de schade heeft gegeven, die niet onaanzienlijk afweek van andere deskundigen die in deze aangelegenheid hebben geadviseerd, waaronder Van Oppen. Laatstgenoemde heeft een grote naam op het gebied van taxaties en is ter plaatse bekend. Nu de Commissie Kaal geen contact heeft opgenomen met een van de drie door eisers genoemde deskundigen (Dassen, Van Oppen, CED/Nomex) is de Commissie – en dus verweerder – ongefundeerd aan de andere deskundigen voorbij gegaan. De Commissie Kaal heeft haar taak voorts niet opgevat in die zin dat zij zelfstandig en instruerend een onderzoek heeft ingesteld, doch zij heeft zich lijdelijk opgesteld als een hoorcommissie, die slechts tot taak had om aan te horen wat partijen ter toelichting van hun standpunt in het midden wilden brengen en om vragen te stellen op punten die haar niet duidelijk waren. In dat verband hebben eisers er onder meer op gewezen dat de Commissie Kaal het niet tot haar taak rekende om met eiseres sub 1 (c.q. eisers) in debat te gaan. Eisers hebben in beroep opgemerkt dat zij hun vordering tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn hebben gebaseerd op artikel 6 EVRM. Het betreft hier niet vertragingsschade maar het verlies aan mogelijkheid tot genot van het onrechtmatig onthoudene. Eisers stellen het verlies van deze mogelijkheid tot genot op 10% van het gevorderde bedrag voor ieder jaar waarmee de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is overschreden. Een periode van maximaal een jaar achten eisers een alleszins redelijke termijn voor het beslissen op een aanvraag als de onderhavige. Verweerder heeft in de aanvullende beslissing op bezwaar een onjuiste maatstaf gehanteerd met betrekking tot de vergoeding van kosten in de bezwaarfase. Volgens eisers is enkel bepalend of verweerder zijn besluit moest heroverwegen wegens onrechtmatigheid, hetgeen volgens eisers het geval was. Verder hebben eisers in beroep gesteld dat door verweerder nog altijd geen gemotiveerde weerlegging is gegeven van het bezwaar dat de woning [A-straat] 56 bij verkoop veel meer zou hebben opgebracht indien toen reeds bekend zou zijn gemaakt dat de oost-westbaan niet zou doorgaan en dat eisers hierdoor wel degelijk schade hebben geleden. Tot slot is door eisers naar voren gebracht dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel door verweerder is afgewezen zonder een weergave van zodanig significante verschillende feiten en omstandigheden tussen de kwestie Leers en de onderhavige kwestie, dat het gemaakte significante verschil in behandeling daardoor gerechtvaardigd zou worden. 2.5 De beoordeling De rechtbank dient thans, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, te beoordelen of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgehandeld als een verzoek om nadeelcompensatie op grond van de RNVenW 1999 en voorts of verweerder de te vergoeden schade terecht heeft vastgesteld op een bedrag ad een bedrag ad € 27.907,50. Verder dient beoordeeld te worden of verweerder terecht geen (verdere) vergoeding voor de kosten in de bezwaarfase heeft toegekend en of verweerder de vordering om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn terecht heeft afgewezen. 2.5.1In artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, is bepaald dat indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. Ingevolge het tweede lid van dit artikel herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit. Verweerder heeft in zijn beslissing op bezwaar volstaan met een gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaarschrift waarbij is bepaald dat door een nieuwe deskundigencommissie opnieuw advies zal worden uitgebracht. Een dergelijke wijze van beslissen op een bezwaarschrift is in strijd met artikel 7:11 van de Awb. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 10 december 2003 (LJN: AN9740) overweegt de rechtbank dat eerst door het nemen van het besluit van 4 mei 2004, waarbij op alle bezwaren werd beslist, aan alle vereisten van artikel 7:11, tweede lid, van de Awb werd voldaan. De besluiten van 20 mei 2003 en 4 mei 2004 vormen - voor wat betreft eiseres sub 1 - tezamen de beslissing op bezwaar. De rechtbank zal er in het navolgende van uitgaan dat het verzoek om schadevergoeding namens alle eisers gezamenlijk is gedaan. 2.5.2 Voor de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. De eigendomssituatie Op 20 november 1994 is de heer Notten (de vader van eisers) overleden, waarna de eigendom van het perceel, kadastraal bekend gemeente Geulle, sectie B, nr. 3638, ter grootte van 21 a en 38 ca (inmiddels vernummerd in de percelen nrs. 4080 en 4081, respectievelijk ter grootte van 9 a 9 ca en 12 a 29
- ca)krachtens testament is overgegaan op eisers. Bij notariële akte van 15 december 1997 hebben eisers het pand [A-straat] 56 te Geulle met bijbehorend perceel B 3638 (groot 21 a en 38
- ca)verkocht aan de echtelieden [G] en [H] voor een koopprijs van fl. 490.000,--. De heer [G] en mevrouw [H] hebben bij notariële akte van 27 september 2000 een deel van het perceel Geulle sectie B 3638, ter grootte van 9 a - welk perceelsgedeelte inmiddels is vernummerd in Geulle sectie B, nr. 4080 - doorverkocht aan de echtelieden de heer [I] en mevrouw [J] voor een koopprijs van fl. 310.000,--. De planologische situatie Op het perceel B 3638 was van toepassing het “Uitbreidingsplan aanwijzende de bestemmingen in hoofdzaken Geulle”, vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Geulle op 27 juli 1961 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 9 juni 1962. Ingevolge dit hoofdzakenplan was het perceel B 3638 bestemd voor “Gemengde landelijke bebouwing”. Op gronden met deze bestemming was woningbouw toegestaan. Op 1 december 1977 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Geulle het bestemmingsplan “Brommelen-Westbroek” vastgesteld, welk bestemmingspan door Gedeputeerde Staten op 19 juni 1979 is goedgekeurd. Ingevolge dit bestemmingsplan rustte op het perceel 3638 de bestemming “Bebouwingsklasse A” en de bestemming “Tuin”. Op gronden met de bestemming “Bebouwingsklasse A” was bouw van een eengezinswoning toegestaan. Op 1 september 1981 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Geulle het bestemmingsplan “Herziening Brommelen-Westbroek” vastgesteld. Hierin werden voor het perceel B 3638 vier bestemmingen opgenomen: “Woondoeleinden”, “Voortuin”, “Achtertuin”, en “Bebouwingsklasse A”. Bij besluit van 1 februari 1983 hebben Gedeputeerde Staten de Herziening van het bestemmingsplan Brommelen-Westbroek goedgekeurd, met uitzondering van onder meer de bestemming “Bebouwingsklasse A” voor perceel B 3638. Ten gevolge van de onthouding van goedkeuring aan dit onderdeel van het plan, bleef voor perceel B 3638 de bestemming “Bebouwingsklasse A” op grond van het bestemmingsplan “Brommelen-Westbroek” gelden. Op 13 februari 1985 heeft de raad van de gemeente Beek een voorbereidingsbesluit genomen, welk voorbereidingsbesluit nadien niet is verlengd. Overige feiten De vader van eisers heeft op 6 november 1989 aan de gemeenteraad van Meerssen verzocht om op het perceel B 3638, plaatselijk bekend [A-straat], een woning te realiseren. Aan dit plan kon volgens het raadsvoorstel geen medewerking worden verleend omdat het perceel was gesitueerd in de 40-45 Ke-schil van de te realiseren oost-westbaan hetgeen impliceerde dat, gelet op het besluit Geluidhinder Grote Luchtvaartterreinen, nieuwe bebouwing niet was toegestaan, behoudens uitzondering, waaraan het overgelegde bouwplan niet voldeed. Blijkens de notulen van de raadsvergadering van 22 februari 1990 hebben meerdere raadsleden aangedrongen op overleg met de provincie omdat zij van mening waren dat de vader van eisers niet de dupe mocht worden van het door de provincie gehanteerde Interimbeleid. Bij besluit van 25 oktober 1994 (A-besluit) is de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht opnieuw vastgesteld. Dit besluit strekte onder meer tot wijziging van de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht ten behoeve van de aanleg van de oost-westbaan en tot vaststelling van een tijdelijke geluidzonering, waardoor een einde kwam aan het interimbeleid/contourenbeleid. Ingevolge het A-besluit is het perceel Geulle, B 3638, binnen de 40-45 Ke-contour blijven liggen. Op 5 juli 1995 heeft eiser sub 3 een verzoek gericht aan burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen om partiële wijziging van het bestemmingsplan “Herziening Brommelen-Westbroek” ten behoeve van het realiseren van een woning op het perceel Geulle, B 3638. Bij besluit van 31 augustus 1995 heeft de gemeenteraad van Geulle besloten hieraan geen medewerking te verlenen. Op 11 september 1995 heeft eiseres sub 1 zich gewend tot burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen met een informatieverzoek met betrekking tot de gebruiksmogelijkheden van perceel Geulle, B 3638. Blijkens het antwoord van burgemeester en wethouders van 26 september 1995 gingen burgemeester en wethouders er van uit dat woningbouw (onder voorwaarden) was toegestaan, ware het niet dat het perceel was gelegen binnen de 40-45 Ke-schil van de te realiseren oost-westbaan waardoor woningbouw ter plekke niet meer mogelijk was. Bij besluit van 5 april 2001 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen aan de heer en mevrouw Urlings-Aerts een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel Geulle, B 3638. Voor de verlening van deze bouwvergunning is voor wat betreft het woonhuis getoetst aan het bestemmingsplan “Brommelen-westbroek” voor wat betreft de achtertuin aan het bestemmingsplan “Herziening Brommelen-Westbroek”. 2.5.3 Grondslag schadevergoeding Gelet op de formulering van het verzoek om schadevergoeding d.d. 6 maart 1999 heeft verweerder dit verzoek naar het oordeel van de rechtbank terecht aangemerkt en afgehandeld als een verzoek om nadeelcompensatie, waarbij overeenkomstig het bepaalde in de RNVenW 1999 een deskundigencommissie is benoemd. Tegen de mededeling van verweerder dat het verzoek als zodanig zal worden afgehandeld, heeft eiseres sub 1 niet geprotesteerd. De gemachtigde van eisers heeft weliswaar in een later stadium van de procedure getracht de grondslag van de vordering te wijzigen c.q. te verruimen, maar de rechtbank is van oordeel dat de formulering van het verzoek in deze bepalend moet worden geacht. Door eisers is nog verwezen naar de zaak Leers, waarin een vergoeding is toegekend. De rechtbank overweegt dat de vordering van Leers oorspronkelijk was gebaseerd op de Regeling Nadeelcompensatie 1991 (welke regeling voorafging aan de RNVenW 1999). Aanvankelijk heeft verweerder de vordering afgewezen. Nadien heeft verweerder – na inschakeling van een deskundigencommissie – alsnog een vergoeding aan Leers toegekend. Daarbij is in het midden gelaten of sprake was van rechtmatig dan wel onrechtmatig handelen. Van belang is echter dat ten tijde van die beslissing het huidige tweede lid nog niet in artikel 15 van het IA-besluit was opgenomen. Van die bepaling zal bij de beoordeling van het onderhavige verzoek wel uitgegaan dienen te worden. 2.3.5.1 Naar de rechtbank begrijpt, zijn eisers de mening toegedaan dat, wanneer schade op grond van onrechtmatige daad aan hen zou worden vergoed, dit zou leiden tot een hoger bedrag aan schadevergoeding. De Commissie Kaal heeft echter geadviseerd om alle door haar vastgestelde schade als gevolg van de besluitvorming over de oost-westbaan te vergoeden. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de Commissie Kaal tot een hoger te vergoeden bedrag zou zijn gekomen indien zij zou zijn uitgegaan van de onrechtmatigheid van het aanwijzingsbesluit. Hieraan doet niet af dat eisers de conclusies van de Commissie Kaal over het al dan niet vergoeden van bepaalde schadeposten betwisten. Deze geschil-punten zouden niet anders zijn geweest indien de Commissie Kaal de onrechtmatigheid van het A-besluit als uitgangspunt zou hebben genomen. 2.3.6 De schadeposten In artikel 15 van het IA-besluit is bepaald: 1. Aan degene die door dit besluit schade lijdt of zal lijden wordt op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, voor zover die schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen last behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop onteigening of anderszins is verzekerd. 2. Aan degene die schade heeft geleden als gevolg van het aanvankelijke voornemen om de Oost-westbaan aan te leggen, zoals voorzien in het A-besluit van 25 oktober 1994, wordt op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, voorzover die schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen last behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd. 3. Op de behandeling van het verzoek is de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat van overeenkomstige toepassing. Nu tussen partijen niet in geschil is dat eisers schade hebben geleden ten gevolge van het voornemen tot de aanleg van de oost-westbaan, komt die schade op grond van het bepaalde in artikel 15, tweede lid, van het IA-besluit, voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal thans overgaan tot bespreking van de opgevoerde schadeposten. Post 1 en post 2: verminderde opbrengst woning en waarde 2 bouwpercelen Gelet op de grootte van het tot bebouwingsoppervlak bestemde perceelsgedeelte en de in het bestemmingsplan opgenomen bouwvoorschriften, zou op het perceel nog slechts één nieuwe woning gebouwd mogen worden. Er was derhalve sprake van één bouwperceel. De rechtbank stelt voorop dat op het perceel in kwestie sinds de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Brommelen-Westbroek een rechtstreekse bouwtitel rustte (voor één woning naast de bestaande woning). Het op 13 februari 1985 genomen voorbereidingsbesluit is nadien niet verlengd. Gelet op het limitatief-imperatief stelsel van artikel 44 van de Woningwet kon het interimbeleid niet verhinderen dat een bouwvergunning verleend had moeten worden indien deze zou zijn aangevraagd. Indien de vergunning toch geweigerd zou zijn, hadden daartegen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden die er uiteindelijk toe geleid zouden hebben dat alsnog vergunning verleend had moeten worden. Ter zitting hebben eisers c.q. heeft hun gemachtigde desgevraagd verklaard dat geen bouwvergunning is aangevraagd maar dat slechts bij de gemeente is geïnformeerd of de bouw van een woning mogelijk was. Ten tijde van de verkoop van de woning met grond rustte derhalve op het perceel een bouwtitel. Hiermee is bij de verkoop geen rekening gehouden omdat eisers c.q. de makelaar destijds zijn c.q. is afgegaan op door de gemeente (en de provincie) verstrekte – onjuiste – informatie. De door eisers gestelde schade bestaande uit een hogere opbrengst indien het perceel als bouwgrond zou zijn verkocht, kan dan ook niet worden toegerekend aan de destijds geplande aanleg van de oost-westbaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de woning negatief is beïnvloed ten gevolge van de geplande aanleg van de oost-westbaan. Partijen verschillen wel van mening over de hoogte van de dientengevolge door eisers geleden schade. Met betrekking tot deze schadepost zijn verschillende taxatierapporten opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in geen enkel zich bij de stukken bevindend taxatierapport uitgegaan van de voor de schadeberekening juiste vergelijking op de juiste peildatum. Verweerder hanteert als peildatum 25 oktober 1994, zijnde de datum van het A-besluit. Naar het oordeel van de rechtbank dient als peildatum echter gehanteerd te worden de datum waarop de schade daadwerkelijk is gerealiseerd, derhalve de datum waarop de verkoop heeft plaatsgevonden, zijnde 15 december 1997. De schade wordt gevormd door het verschil tussen enerzijds het waarde van de woning en grond – er van uitgaande dat op het perceel een bouwtitel rustte – op 15 december 1997 wanneer rekening werd gehouden met de aanleg van de oost-westbaan en anderzijds de waarde van de woning en grond – er van uitgaande dat op het perceel een bouwtitel rustte –op diezelfde datum wanneer van de aanleg van de oost-westbaan geen sprake zou zijn geweest. Nu verweerder is uitgegaan van een onjuiste peildatum en verweerder deze schadepost niet op de hiervoor beschreven wijze heeft vastgesteld, komt het bestreden besluit op dit punt voor vernietiging in aanmerking. Met het oog op de nieuw te nemen beslissing op bezwaar dient verweerder bij het (laten) vaststellen van de schade in verband met de verkoop van de woning en de grond acht te slaan op het hetgeen hiervoor is overwogen. Post 3: 3 jaar leegstand Eisers hebben de verkoop van de woning uitgesteld omdat zij er niet zeker van waren of de oost-westbaan daadwerkelijk zou worden aangelegd en zij er van uitgingen dat de opbrengst hoger zou zijn als de aanleg van de oost-westbaan niet zou doorgaan. Eisers hebben getracht om eerst de zekerheid te krijgen dat, wanneer na verkoop van de woning zou blijken dat de aanleg van de oost-westbaan niet zou doorgaan, zij het verlies van de lagere opbrengst bij verkoop op de overheid konden verhalen. Hoewel de rechtbank er begrip voor heeft dat eisers met verkoop hebben gewacht omdat zij eerst zekerheid wilden verkrijgen met betrekking tot de vergoeding van eventuele schade, neemt dit naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat dit een eigen keus van eisers is geweest. Derhalve dient geoordeeld te worden dat het causaal verband tussen deze schadepost en de geplande aanleg van de oost-westbaan ontbreekt. Post 4: 3 jaar huur Ten aanzien van deze schadepost overweegt de rechtbank dat eisers vrij waren om het pand te verhuren. Zij zijn daartoe niet overgegaan omdat ze bang waren het pand niet vrij van huur te kunnen verkopen. Evenals bij post 3 dient ten aanzien van de onderhavige schadepost geoordeeld te worden dat sprake is van een eigen keus van eisers zodat ook hier het causaal verband ontbreekt. Post 5: renteverlies bij verhuur of verkoop huis Eisers stellen dat hun vader in 1988 of 1989 een klein huis had willen bouwen en de bestaande – zeer grote – woning in dat geval had kunnen verkopen of verhuren. Naar de rechtbank begrijpt, gaan eisers er van uit dat zij eerst in 1997 konden overgaan tot verkoop. Over de periode 1989 tot en met 1997 wordt de rente over het bedrag van de opbrengst die gerealiseerd had kunnen worden, minus de kosten van de nieuwbouw, als schadepost opgevoerd. Voor het geval dat niet verkocht maar verhuurd zou zijn, worden de gederfde huuropbrengsten opgevoerd met de mededeling dat daarover ook nog rente berekend zou moeten worden. Zoals hiervoor reeds is overwogen rustte sinds de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Brommelen-Westbroek een rechtstreekse bouwtitel op het perceel, zodat in 1988 wel degelijk gebouwd had kunnen worden. De onder deze post opgevoerde schade is dan ook geen gevolg van de geplande aanleg van de oost-westbaan. Post 6: renteverlies bij verkoop helft bouwterrein Ten aanzien van deze post geldt eveneens hetgeen hiervoor ten aanzien van post 5 is overwogen. In plaats van zelf bouwen had de vader van eisers destijds ook het bouwperceel kunnen verkopen. Gelet op de ten aanzien van de schadeposten 1 en 2 gemaakte opmerking dat slechts de mogelijkheid voor de bouw van één woning bestond, kunnen de posten 5 en 6 bovendien naar het oordeel van de rechtbank niet naast elkaar worden gevorderd. 2.3.7 De kosten in de bestuurlijke voorfase In de beslissing op bezwaar van 20 mei 2003 heeft verweerder een vergoeding toegekend voor de kosten in de bestuurlijke voorfase op basis van 2 punten en wegingsfactor 1,5. Naar aanleiding van de inschakeling van een nieuwe deskundigencommissie is er een nieuwe hoorzitting geweest en heeft de gemachtigde van eisers gereageerd op het advies van deze commissie. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij nodeloos kosten hebben moeten maken nu verweerder niet conform (de jurisprudentie met betrekking tot) artikel 7:11 van de Awb op het bezwaar heeft beslist. Deze kosten kunnen volgens eisers niet onder de normale kosten van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden gebracht maar dienen als onrechtmatig toegebrachte kosten en schaden voor vergoeding in aanmerking te worden gebracht. Verweerder daarentegen is van oordeel dat voor de hiervoor genoemde handelingen geen extra vergoeding toegekend dient te worden nu deze vervolgbehandeling niet heeft geresulteerd in een vergoeding aan eiseres sub 1, maar in een vergoeding aan eisers gezamenlijk. De rechtbank is van oordeel dat wel een vergoeding toegekend dient te worden voor de extra handelingen, maar anders dan eisers ziet de rechtbank geen aanleiding om daarbij af te wijken van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Vooropgesteld dient te worden dat de beslissingen van 20 mei 2003 en 4 mei 2004 als één beslissing op bezwaar gezien moeten worden voor zover het eiseres sub 1 betreft. Op grond van het bepaalde in artikel 7:15 van de Awb moet een verzoek om vergoeding worden gedaan voordat op het bezwaar is beslist. Voorts dient het besluit te worden herroepen en dient de herroeping plaats te vinden wegens aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid. Aan de vereisten van artikel 7:15 van de Awb is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Dit wordt door verweerder ook niet bestreden. Gelet op het bepaalde onder A4 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de volgende handelingen voor vergoeding in aanmerking: 1. bezwaarschrift 1 punt 2. verschijnen hoorzitting (art. 7:2; 7:16) 1 punt 3. nadere hoorzitting (art. 7:9/7:23) 0,5 punt Tussen partijen is niet in geschil dat 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift dient te worden toegekend alsmede een punt voor het bijwonen van de hoorzitting. Door de nieuwe deskundigencommissie is een nadere hoorzitting gehouden. Strikt genomen is dit geen nadere hoorzitting als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Naar het oordeel van de rechtbank kan de door de deskundigencommissie gehouden hoorzitting wel op een lijn gesteld worden met een nadere hoorzitting van verweerder nu het werk van de deskundigencommissie diende ter voorbereiding van de beslissing op bezwaar. Derhalve dient ook 0,5 punt toegekend te worden voor een nadere hoorzitting. Uitgaande van de factor 1,5 dient verweerder derhalve aan eisers nog een bedrag ad € 241,50 extra te vergoeden voor de door hen in de bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten. 2.3.8 Vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn Tijdens de hoorzitting van de commissie Kaal heeft de gemachtigde van eisers aanspraak gemaakt op een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Verweerder stelt in het besluit van 4 mei 2004 dat de schade wegens vertraging in de uitbetaling van de nadeelcompensatie zich oplost in de toekenning van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het BW, zoals voorzien in artikel 11 van de RNVenW 1999. Om die reden heeft verweerder het verzoek om vergoeding van de geclaimde schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM niet is overschreden. De rechtbank overweegt daartoe dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, begint te lopen op het moment waarop de belanghebbende bezwaar aantekent tegen het primaire besluit, tenzij in de bijzondere omstandigheden van het geval moet worden geoordeeld dat de toegang tot de rechter al op een eerder moment in het geding is. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het onderhavige geval geen aanleiding om te oordelen dat de toegang tot de rechter reeds in het geding was voordat bezwaar werd aangetekend tegen het primaire besluit. Tussen het indienen van het bezwaarschrift op 15 oktober 2002 en de onderhavige beslissing van de rechtbank is ruim 2,5 jaar verstreken. Gelet op de complexiteit van de zaak en de omstandigheid dat in deze periode twee keer advies is uitgebracht door een deskundigencommissie terwijl door verweerder de gelegenheid is geboden aan de overige erfgenamen om te delen in het aanvankelijk alleen door eiseres sub 1 ingediende verzoek om schadevergoeding, kan niet worden gezegd dat deze periode onredelijk lang is geweest. 2.3.9 De rechtbank acht in verband met het vorenstaande termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eisers in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op het in rubriek 3 vermelde bedrag, waarbij de zaken als samenhangend zijn aangemerkt en waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eisers twee punten zijn toegekend (voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting) en het gewicht van de zaak is bepaald op zwaar (wegingsfactor 1,5). Van andere ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken. Mitsdien wordt, mede gelet op de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb beslist als aangegeven in rubriek 3. 3. Beslissing De rechtbank Maastricht: 1. verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 4 mei 2004 en 20 augustus 2004 voor zover daarbij de schadevergoeding is vastgesteld respectievelijk gehandhaafd op € 27.907,50; 2. veroordeelt verweerder tot vergoeding van de kosten van de onderhavige procedures bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot op € 966,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan eisers; 3. bepaalt dat voormelde rechtspersoon aan eisers het door deze voor de onderhavige procedure gestorte griffierecht ad € 116,-- respectievelijk € 136,-- volledig vergoedt; 4. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond. Aldus gedaan door mr. A.G.M. Jansberg, voorzitter, en mr. J.N.F. Sleddens en mr. M. Span-Henkens, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2005 w.g. E. Ferwerda w.g. A.G.M. Jansberg Voor eensluidend afschrift, de wnd. griffier, Verzonden: 8 juli 2005 Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken. Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.